Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BV6180

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
08/750020-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 13 september 2009 tijdens het schuttersfeest in Tubbergen aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld door een hagelgeweer in de richting van het publiek te houden. Nu dit geweer onverhoopt is afgegaan, is het aan zijn schuld te wijten dat drie personen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Aan verdachte is opgelegd een werkstraf voor de duur van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. Daarnaast dient verdachte aan één van de slachtoffers een schadevergoeding te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/750020-10

Datum vonnis: 17 februari 2012

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren [1946] in [geboorteplaats],

wonende in [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 februari 2012. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Lousberg en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden, respectievelijk mevrouw mr. Goris en mr. Bosman, beiden advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

verdachte schuld heeft aan het doen ontstaan van (zwaar) lichamelijk letsel bij [slachtoffer sub 1], [slachtoffer sub 2]en [slachtoffer sub 3] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, zoals deze tenlastelegging is gewijzigd, dat:

hij op of omstreeks 13 september 2009, te Tubbergen, althans in Nederland,

tijdens het 'vogelschieten' althans 'bedrijfsschieten', als lader/baancommissaris grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig het/een (jacht)geweer van een deelnemer aan dat 'vogelschieten', althans 'bedrijfsschieten', heeft overgenomen/gepakt en/of (vervolgens) in de richting van het publiek, en/althans (in elk geval) niet richting het schietdoel en/althans niet in een veilige schiet(baan)richting,

heeft gehouden en althans heeft geopend en/of ontladen en/althans enige (andere) handeling(en) aan vorenbedoeld (jacht)geweer heeft verricht, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat

1) [slachtoffer sub 1] (geboren [2003]) zwaar lichamelijk letsel, te weten

(een) (schot)wond(en) aan de/het (onder)be(e)n(en) en/of (een) kneuzing(en)

en/of (een) (bot)breuk(en) en/of (een) beschadiging(en) van de/een

(enkel)gewricht(en) heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

ambts-of beroepsbezigheden van deze is/was ontstaan en/of

2) [slachtoffer sub 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) (schot)wond(en) aan de

(onder)be(e)n(en) heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat

daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

ambts-of beroepsbezigheden van deze is/was ontstaan en/of

3) [slachtoffer sub 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) (schot)wond(en) aan

de (onder)be(e)n(en), heeft/hebben bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel

dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de

ambts- of beroepsbezigheden van deze is/was ontstaan;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een

werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De civiele vordering van [slachtoffer sub 1], ingediend door haar wettelijk vertegenwoordiger [X] (vader), kan worden toegewezen met uitzondering van post B die gesteld dient te worden op

35 x € 5 = € 175,= (voor het overige niet-ontvankelijk) en post E, welke in zijn geheel niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

4. De voorvragen

4.1 Nietigheid dagvaarding

De raadsvrouw van verdachte heeft zich, zowel voor als na wijziging van de tenlastelegging, op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard omdat deze een onvoldoende duidelijke opgave van de tenlastegelegde feiten bevat en derhalve niet voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de dagvaarding gestelde eisen.

De officier concludeert - na wijziging van de tenlastelegging - tot verwerping van dit verweer omdat voldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De tenlastelegging maakt duidelijk welk schietincident de officier van justitie op het oog heeft. Daarnaast is er geen verplichting de tenlastelegging zo in te richten dat deze één feitelijke gang van zaken omschrijft. De tenlastelegging komt erop neer dat verdachte onvoorzichtig heeft gehandeld met een geweer. Deze beschuldiging is zodanig duidelijk dat verdachte daartegen verweer kon voeren. De verdachte heeft, gelet op de wijze waarop hij stelling heeft genomen tegen hetgeen hem door het openbaar ministerie wordt verweten, er ook blijk van gegeven voldoende te hebben begrepen waartegen hij zich moest verdedigen. De tenlastelegging voldoet daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige eveneens geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is - voor zover van belang - het volgende naar voren gekomen:

Jaarlijks vindt in Tubbergen het schuttersfeest plaats. Een van de evenementen betreft het “bedrijfsschieten”, waarbij de schutter met behulp van een dubbelloops hagelgeweer moet proberen een houten haan van een paal te schieten. Verdachte, die meer dan 20 jaar lid is van schuttersvereniging “Schuttersgilde Tubbergen”, is de afgelopen 10 jaar jaarlijks als lader/baancommissaris betrokken geweest bij het bedrijfsschieten.

Op 13 september 2009 heeft wederom een schuttersfeest plaatsgevonden in Tubbergen.

Voor aanvang van het evenement hebben alle laders - inclusief verdachte - een veiligheidsinstructie gekregen. Hun is verteld dat als een patroon ketst, het geweer van de standaard moet worden gepakt, recht vooruit naar beneden moet worden gehouden en er even moet worden gewacht alvorens het geweer te openen en de patroon te verwijderen.

Die betreffende dag is verdachte als lader en baancommissaris verantwoordelijk geweest voor de gang van zaken bij de schietpunten 1 en 2.

Op enig moment heeft verdachte - naar eigen zeggen - gehoord dat in elk geval één schot van de schutter bij schietpunt 1 “ketste” en begreep hij dat er nog een geladen patroon in het geweer aanwezig was. Omdat er volgens verdachte sprake was van een gevaarlijke situatie, heeft hij het wapen van de schutter overgenomen waarna hij met het wapen in zijn handen, met de loop naar beneden gericht, naar links draaide, in de richting van het publiek. Terwijl verdachte even wachtte alvorens het geweer te openen, is het geweer afgegaan waardoor

[slachtoffer sub 1], [slachtoffer sub 2] en [slachtoffer sub 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Getuigenverklaringen van onder meer de heren [getuige sub 1], [getuige sub 2] en [getuige sub 3] bevestigen de lezing van verdachte dat er op enig moment een “klik” te horen was, waarna verdachte het wapen van de schutter heeft overgenomen en hij, met het wapen in beide handen, naar links is gedraaid, in de richting van de feesttent.

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen schuld heeft aan het afgaan van het schot en derhalve ook niet aan het letsel dat bij de slachtoffers is ontstaan. Volgens hem was er sprake van een zogenaamde “nabrander” waarbij het schot met vertraging alsnog afging.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of voornoemde feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft, als bedoeld in artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht, aan het bij drie personen doen ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van iemand die tijdens een evenement als lader/baancommissaris optreedt in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht.

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er bij het gebruik van vuurwapens uiterste voorzichtigheid geboden is. Bij een evenement zoals het bedrijfsschieten is in de regel veel publiek aanwezig. Een lader/baancommissaris bij een dergelijk evenement heeft daarom - meer nog dan een gemiddelde burger - de zorgplicht om zich constant bewust te zijn van de gevaren die het gebruik van vuurwapens in een omgeving waar veel mensen zijn met zich meebrengt. Dit klemt temeer, nu er geschoten werd met hagelgeweren waarvan het schootsveld zeer breed is.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er nog een hagelpatroon aanwezig was in het geweer en dat er iets mis was met het wapen. Desondanks heeft verdachte, anders dan de instructie luidde, het wapen niet recht voor zich geopend, maar heeft hij het wapen naar links gedraaid, in de richting van het publiek. Verdachte had kunnen en behoren te voorzien dat hij daarmee het onaanvaardbare risico nam dat, mocht het wapen onverhoopt afgaan, het aanwezige publiek zou kunnen worden geraakt. Door aldus te handelen is verdachte toerekenbaar tekort geschoten voor wat betreft de op hem rustende zorgplicht aangaande de veiligheid van het aanwezige publiek. Verdachte heeft weliswaar niet bewust roekeloos gehandeld, maar had de gevolgen van zijn handelen kunnen en moeten voorzien.

De rechtbank acht daarom, anders dan door de verdediging is bepleit, wettig en overtuigend bewezen dat verdachtes handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig moet worden aangemerkt, opleverende schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op vorenstaande conclusie dient het verzoek van de verdediging tot nader onderzoek naar de vraag of het door het NFI onderzochte geweer, hetzelfde geweer is als dat waarmee verdachte heeft geschoten, te worden afgewezen. Voor de bewezenverklaring is immers niet relevant met welk geweer is geschoten en waardoor het betreffende schot is afgegaan, maar is van belang dat onomstotelijk vast is komen te staan dat verdachte het geweer in de richting van het aanwezige publiek heeft gehouden.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 september 2009, te Tubbergen, tijdens het 'vogelschieten' als lader/ baancommissaris aanmerkelijk onvoorzichtig een jachtgeweer van een deelnemer aan dat 'vogelschieten' heeft overgenomen/gepakt en vervolgens in de richting van het publiek heeft gehouden waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat

1) [slachtoffer sub 1] (geboren [2003]) zwaar lichamelijk letsel, te weten schotwonden aan het onderbeen, een kneuzing, een botbreuk en een beschadiging van een enkelgewricht heeft bekomen en

2) [slachtoffer sub 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten schotwonden aan de onderbenen heeft bekomen en

3) [slachtoffer sub 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten schotwonden aan de onderbenen, heeft bekomen.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 308 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier, het reclasseringsadvies van 21 december 2011 en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft op 13 september 2009 tijdens het schuttersfeest in Tubbergen aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld door een hagelgeweer in de richting van het publiek te houden.

Nu dit geweer onverhoopt is afgegaan, is het aan zijn schuld te wijten dat [slachtoffer sub 1],

[slachtoffer sub 2] en [slachtoffer sub 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Het incident heeft voor de drie slachtoffers zeer ernstige gevolgen gehad, zowel lichamelijk, psychisch als ook financieel. Een van de slachtoffers was op het moment van het gebeuren nog maar 5 jaar oud en zal waarschijnlijk haar verdere leven lichamelijke beperkingen ondervinden. Ook de twee andere slachtoffers hebben door dit incident al dan niet blijvende fysieke beperkingen opgelopen. De vergelding van dat leed vormt de grondslag voor de strafoplegging. Daartegenover staat dat verdachte first-offender is en uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt dat het gebeuren ook op hem grote indruk heeft gemaakt.

Ook is het verdachte ruim twee jaar niet duidelijk geweest dat hij zou worden vervolgd en wat de uitkomst van die vervolging is. Bovendien is er veel media-aandacht geweest voor deze zaak. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf passend en geboden is. Omdat er sprake is van drie slachtoffers zal de rechtbank een hogere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal een deel van deze werkstraf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

De heer [X], heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige

[slachtoffer sub 1], wonende te [woonplaats] aan de [adres], voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 38.227,68.

Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- schoeisel/kleding € 250,=

- daggeldvergoeding [slachtoffer sub 1] € 2.912,=

- verblijfskosten Amsterdam ouders € 437,50

- extra maaltijdkosten ouders € 350,=

- reiskosten tot 1 oktober 2010 € 9.902,90

- parkeerkosten tot 1 oktober 2010 € 250,=

- vervoerskosten Roessingh € 4.588,31

- fietskar € 75,=

- aanschaf ritsen, knopen € 75,=

- gehandicaptenparkeerkaart € 21,50

- medicatie/verbandmiddelen etc. € 350,=

- homeopathische behandeling € 25,=

- sealzakken gipsbeen € 137,10

- extra telefoon-, porto-, kopieerkosten € 175,=

- immateriële schadevergoeding (voorschot) € 10.000,=

- wettelijke rente t/m 1 november 2010 € 373,43

- gereden kilometers vanaf 1 oktober 2010 € 526,40

- parkeerkosten vanaf 1 oktober 2010 € 23,50

- nota’s apotheek € 48,54

- eigen bijdrage orthopedische schoenen € 286,50

- kosten administratieve werkzaamheden € 7.420,=

Totaal € 38.227,68

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering deels ontvankelijk. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

Dat wellicht nog een civielrechtelijke procedure volgt in deze zaak en dat de betrokken verzekeraars nog met elkaar in bespreking zijn, vormt geen belemmering voor beoordeling van de vordering die in deze strafzaak aan de orde is. Voor een groot deel van de gevorderde schade kan de rechtbank immers met de voorhanden zijnde gegevens de aansprakelijkheid van verdachte vaststellen.

Immateriële schadevergoeding/smartengeld

Er is een immateriële schadevergoeding gevorderd ad € 10.000,=

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft het gevorderde smartengeld een bedrag van in ieder geval € 10.000,= billijk is, gelet op de zeer jonge leeftijd van [slachtoffer sub 1], het zwaar lichamelijk letsel en de mogelijk blijvende lichamelijke beperkingen die door het feit zijn ontstaan.

Door de wettelijke vertegenwoordigers gemaakte eigen kosten

De verdediging heeft aangevoerd dat de kosten die de wettelijk vertegenwoordigers hebben gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij hebben zij verwezen naar HR 2 juli 2002, LJN AE2642.

De rechtbank overweegt dat in deze zaak de vordering tot schadevergoeding is ingediend door [slachtoffer sub 1] en niet door haar ouders. Haar ouders treden in deze procedure slechts op als wettelijke vertegenwoordiger van [slachtoffer sub 1]. De rechtbank zal daarom dienen te beoordelen of de schade waarvan [slachtoffer sub 1] vergoeding vordert, rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Dat betekent onder andere dat alleen vergoeding van schade kan worden toegewezen die door [slachtoffer sub 1] zelf is geleden en niet ook de eigen kosten van de ouders. Daarbij geldt wel dat de kosten die de ouders ten behoeve van [slachtoffer sub 1] hebben gemaakt, hebben te gelden als schade van [slachtoffer sub 1].

De kosten voor kleding en voor de verzorging en het vervoer van [slachtoffer sub 1] zelf, voldoen zonder meer aan dit criterium. In dit geval en onder deze omstandigheden komen echter ook de door de ouders gemaakte kosten voor onder meer reizen, verblijf, maaltijden en parkeren voor toewijzing in aanmerking. Deze kosten zijn door de ouders gemaakt om hun in het ziekenhuis verblijvende, zeer jonge kind te ondersteunen. Deze steun van de ouders is voor een kind als [slachtoffer sub 1] onontbeerlijk. Deze kosten zijn daarom ook ten behoeve van [slachtoffer sub 1] gemaakt.

Onvoldoende duidelijk is geworden of de extra gemaakte telefoonkosten ad € 175,= en de accountantskosten ad € 7.420,= eveneens als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De overige opgevoerde schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Alles overwegende zal de rechtbank het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van

€ 30.632,68, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot

betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 308 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer sub 1] van een bedrag van € 30.632,68;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer sub 1] voor het resterende deel van haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van

€ 30.632,68 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 188 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Wees, voorzitter, mr. Bloebaum en mr. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Krooshof, griffier en is in het openbaar uitgesproken op

17 februari 2012.

Buiten staat

Mr. Visser is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.