Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:BV3610

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
08-710065-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een peuter, waarop deze aan de gevolgen van de mishandeling is overleden. Verdachte wordt veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710065-11

Datum vonnis: 10 februari 2012

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in HvB Karelskamp te Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 april 2011, 22 juli 2011, 14 oktober 2011, 21 december 2011 en 27 januari 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M.A.P.J.J. Lousberg, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman,

mr. H. Tadema, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [verdachte] primair wordt verweten dat hij, al dan niet samen met een ander, het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Subsidiair heeft de officier van justitie (medeplegen van) het toebrengen van zwaar lichamelijk letstel, de dood tot gevolg hebbend, ten laste gelegd en meer subsidiair (medeplegen van) mishandeling van [slachtoffer], die als gevolg daarvan is overleden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2011 tot en met 17 januari 2011, althans in de maand januari 2011, te Almelo en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (hardhandig) vastgepakt en/of geslagen en/of door elkaar geschud en/althans op/tegen het lichaam gestoten en/of gedrukt en/of een of meer gewelddadige handeling(en) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] verricht en/of aangewend en/althans een of meer (andere) gewelddadige

handeling(en) tegen die [slachtoffer] verricht en/of aangewend, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2011 tot en met 17 januari 2011, althans in de maand januari 2011, te Almelo en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten ernstig hersenletsel), heeft toegebracht, door met zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal opzettelijk (hardhandig) vast te pakken en/of te slaan en/of door elkaar te schudden en/of op/tegen het lichaam te stoten en/of te drukken en/of een of meer gewelddadige handeling(en) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te verrichten en/of aan te wenden en/althans een of meer (andere) gewelddadige handeling(en) tegen die [slachtoffer] te verrichten en/of aan te wenden, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2011 tot en met 17 januari 2011, althans in de maand januari 2011, te Almelo en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer], (hardhandig) heeft vastgepakt en/of geslagen en/of door elkaar geschud en/of op/tegen het lichaam heeft gestoten en/of gedrukt en/of een of meer gewelddadige handeling(en) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft verricht en/of aangewend en/althans een of meer (andere) gewelddadige handeling(en) tegen die [slachtoffer] heeft verricht en/of aangewend, waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten ernstig hersenletsel) heeft opgelopen,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd, dat uit het sectierapport en de overige medische bevindingen blijkt, dat [slachtoffer] niet is komen te overlijden als gevolg van een ongeval (accidenteel trauma) en evenmin als gevolg van ziekte of ziekelijke afwijkingen. Het overlijden van [slachtoffer] is het gevolg van hersenletsel veroorzaakt doordat gewelddadige handelingen tegen hem zijn uitgeoefend.

Bij de beantwoording van de vraag wanneer [slachtoffer] is overleden en wanneer het fatale letsel is toegebracht, maakt de officier van justitie gebruik van een aantal forensische bevindingen. Volgens de officier van justitie kan uit die forensische bevindingen, gecombineerd met de tactische gegevens worden afgeleid dat op 17 januari 2011 in de periode 15.30 uur tot 18.15 uur, het fatale letsel aan [slachtoffer] moet zijn toegebracht. Binnen deze periode is verdachte [verdachte] ten minste een kwartier alleen met [slachtoffer] in de woning geweest. Verdachte [medeverdachte] is rond 17.45 uur naar de spoedeisende eerste hulp (SEH) gegaan en om 18.00 uur heeft verdachte [verdachte] de buurvrouw opgehaald.

Wat betreft de vraag hoe oud het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel is, stelt de officier van justitie dat uit het rapport van neuropatholoog mevrouw dr. B. Kubat, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), volgt dat het hersenletsel een directe doodsoorzaak vormde. De datering daarvan kan plaatsvinden aan de hand van onder andere traumatische axonale beschadigingen. Deze kunnen zijn ontstaan toen [slachtoffer] plotseling comateus werd. Uit de bij het rapport gevoegde bijlage volgt dat de neuropatholoog de mogelijkheid insluit dat het letsel rond 18.00 uur is ontstaan. Wel is hierbij rekening gehouden met een onzekerheidsmarge. Veel verder terug dan 18.00 uur lijkt echter geen haalbare kaart te zijn.

Enerzijds wijst dit volgens de officier van justitie op het toebrengen van letsel in de periode dat verdachte [medeverdachte] niet thuis was. Anderzijds is het rapport wel met de nodige onzekerheden omgeven en kan de neuropatholoog over die periode geen harde uitspraken doen. De opmerkingen over het subdurale hematoom duiden volgens dr. Kubat op een oudere en een jongere bloeding, waarbij de jongere bloeding een hernieuwde bloeding betreft. Over de oorzaak van die jongste bloeding kan niets met zekerheid worden gezegd. Het kan zijn ontstaan door bijvoorbeeld de operatie die heeft plaatsgevonden. De vastgestelde oudere bloeding is ontstaan 1,5 tot 4 dagen voor de dood. De neuropatholoog maakt geen keuze in het in dit verband te hanteren tijdstip van overlijden. De hersendood is op 18 januari 2011 rond 13.00 uur geconstateerd. De officiële doodverklaring is om

20.48 uur die dag, maar wanneer [slachtoffer] precies hersendood was, is heel moeilijk vast te stellen. In de periode 13.00 uur tot 20.48 uur is [slachtoffer] nog in leven gehouden, maar was hij al wel klinisch dood. Hoe lang hij voorafgaand aan 13.00 uur feitelijk al hersendood was, staat niet vast. Teruggerekend vanaf 20.48 uur zou het oudere subdurale hematoom op zijn laatst rond 09.00 uur zijn ontstaan op 17 januari 2011. Om drie redenen is dat tijdstip volgens de officier van justitie onaannemelijk. Ten eerste functioneerde [slachtoffer] die hele dag normaal tot en met het televisie kijken na zijn middagslaapje aan toe. Ten tweede blijkt uit de pediatrische rapportages dat het gevonden letsel van een dergelijke aard en omvang is, dat klinische verschijnselen ogenblikkelijk (qua tijdsverloop in de orde van seconden) moeten zijn opgetreden en ten derde sluit de datering van de hersenschade aan de hand van de traumatische axonale beschadiging hier niet bij aan.

Wat betreft de vraag wanneer welke verschijnselen optreden na het toebrengen van het geconstateerde fatale letsel, en de vraag hoe lang die verschijnselen vervolgens zijn waar te nemen, heeft de officier van justitie gesteld dat uit de pediatrische rapportages volgt dat het gevonden letsel van een dergelijke aard en omvang is dat klinische verschijnselen ogenblikkelijk (qua tijdsverloop in de orde van seconden) zijn opgetreden. De klinische verschijnselen zijn: bewusteloosheid of lethargie, ademhalingsproblemen en frequente insulten. Dat dergelijke verschijnselen verdwijnen als gevolg van een herstel van het algemene functioneren acht de aan het NFI verbonden forensisch arts, de heer

dr. W.A. Karst, zeer onaannemelijk. Dr. Karst stelt met zoveel woorden dat door een oedeem zoals bij [slachtoffer] is geconstateerd direct klinische verschijnselen optreden, zoals bewusteloosheid.

De door verdachte [verdachte] afgelegde steeds wisselende verklaringen zijn niet aannemelijk geworden en ook had hij een motief om geweld tegen [slachtoffer] uit te oefenen.

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde niet bewezen. Algemeen bekend is dat het schudden van jonge kinderen kan leiden tot zware handicaps en soms, vooral bij hele jonge kinderen, zelfs tot de dood. De aanmerkelijke kans op zwaar (hersen)letsel heeft de verdachte op de koop toe genomen. De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde, waarbij hij niet bewezen acht dat verdachte samen met verdachte [medeverdachte], aan [slachtoffer] het fatale letsel heeft toegebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Volgens de raadsman kan de rechtbank op basis van wettige bewijsmiddelen onmogelijk tot de overtuiging komen dat verdachte [verdachte] degene is geweest die [slachtoffer] het fatale hersenletsel heeft toegebracht. Verdachte [verdachte] heeft, ondanks vele indringende verhoren, steeds ontkend en er zijn geen bewijzen die onomstotelijk aangeven hoe en door wie het fatale letsel is toegebracht. Verdachte heeft op maandagmiddag 17 januari 2011 [slachtoffer] uit bed gehaald. Verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en [slachtoffer] zijn daarna samen op de bank gaan zitten of liggen en hebben televisie gekeken. Naar aanleiding van een zoenscène op televisie, kregen verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] ruzie. Verdachte [verdachte] is toen uit de woonkamer weggelopen en hij is op het balkon een sigaret gaan roken. Toen verdachte [verdachte] op het balkon stond, hoorde hij een bonkend geluid. Verdachte [verdachte] is daarop gaan kijken en is naar verdachte [medeverdachte] toegelopen. Verdachte [medeverdachte] was toen in de slaapkamer en zij zat vóór [slachtoffer] op de grond. [slachtoffer] lag met zijn hoofd scheef tegen het voeteneinde van zijn ledikantje aan. Verdachte [verdachte] heeft verder verklaard dat hij verdachte [medeverdachte] van zich heeft weggeduwd toen zij overeind kwam en hem wilde zoenen. Als gevolg van die duw heeft verdachte [medeverdachte] een hoofdwond opgelopen. Verdachte [verdachte] heeft [slachtoffer] opgepakt en hem op het grote bed gelegd. [slachtoffer] was toen niet aanspreekbaar; zijn ogen waren half open. Verdachte [verdachte] heeft geen wonden gezien aan het hoofd van [slachtoffer]. Wel heeft hij bulten op het achterhoofd van [slachtoffer] gevoeld. Volgens verdachte [verdachte] kan het niet anders dan dat verdachte [medeverdachte] het fatale letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht toen hij, verdachte [verdachte], op het balkon stond.

Verder betoogt de raadsman dat, als het klopt dat [slachtoffer] tijdens de geweldsuitoefening niet tegen enig voorwerp is geslagen of gestoten, de mogelijkheid overblijft dat er sprake is geweest van schudden. Uit de opmerkingen van dr. Kubat blijkt dat er in geval van schudden weliswaar snel letsel ontstaat, maar dat houdt niet in dat ook de gevolgen daarvan meteen zichtbaar zijn. Dr. Kubat spreekt over een jongere re-bloeding die is gevolgd op de oudere bloeding. Deze re-bloeding kan verschillende oorzaken hebben. Het kan zelfs spontaan optreden. Over het tijdsverloop tussen de oudere bloeding en de re-bloeding kan niets worden vastgesteld. Evenmin kan met zekerheid worden gezegd dat ingeval van een re-bloeding ook meteen, of heel kort daarna, klinische verschijnselen optreden. Volgens de raadsman betekent dit dat geen enkele duidelijkheid bestaat over de vraag hoe snel er klinische gevolgen zichtbaar worden na het veronderstelde schudden. Dat de klinische verschijnselen, met name het wegvallen van [slachtoffer], ook al aanwezig kunnen zijn geweest op het moment dat verdachte [medeverdachte] nog in de woning was, betekent dat verdachte [medeverdachte] evenzeer dader kan zijn, zo stelt de raadsman. De uitgebrachte forensische rapportages sluiten die mogelijkheid niet uit.

5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Overlijden [slachtoffer]

[Slachtoffer], een peuter van twee jaar en acht maanden, is op 18 januari 2011 om 20.48 uur overleden in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) . Op 17 januari 2011 was [slachtoffer] in slechte toestand per ambulance binnen gebracht in het ziekenhuis te Almelo. Hij werd snel daarna naar het Medisch Spectrum Twente te Enschede overgebracht en korte tijd later naar het UMCG. Op 18 januari 2011 om 13.00 uur hebben de behandelend artsen vastgesteld dat [slachtoffer] hersendood was. Voortzetting van de behandeling werd zinloos geacht, waarna de behandeling in overleg met de familie is gestaakt. Kort na het staken van de behandeling is [slachtoffer] overleden. Een verklaring van natuurlijke dood werd niet afgegeven.

Aan welk letsel is [slachtoffer] overleden?

Op 19 januari 2011 heeft patholoog, mevrouw dr. A. Maes, verbonden aan het NFI, sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer]. De resultaten van dit onderzoek heeft dr. Maes vastgelegd in een deskundigenrapport van 6 april 2011. Dr. Maes concludeert dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van hersenzwelling en hersenschade door niet-accidenteel hersenletsel. Volgens dr. Maes bestaat dit hersenletsel uit een bloeding onder het harde hersenvlies, een bloeding onder het zachte hersenvlies en een ernstige hersenzwelling (oedeem) met inklemmingsverschijnselen. Eveneens zijn er traumatische veranderingen aan de zenuwbanen/vezels gevonden. Bij pathologisch onderzoek aan de ogen van [slachtoffer] zijn de klinisch reeds vastgestelde netvliesbloedingen bevestigd. Daarnaast zijn bij [slachtoffer], over het lichaam verspreid, onderhuidse bloedingen aangetroffen: aan de achterzijde van de oorschelp, onder de kin, voor aan de borst en op de rechter- en linkerarm. Deze bloeduitstortingen hebben meestal een ronde tot rondovale vorm, zogenaamde ‘fingerprinting’. Tenslotte werd er een bloeding gezien in de zogenoemde darmscheil, de ophangband van de darmen.

Wat is de oorzaak van het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel?

Er is forensisch-pediatrisch onderzoek verricht door mevrouw dr. K.M.K. Peerenboom, forensisch arts, en de heer dr. W.A. Karst, forensisch arts KNMG. Op basis van uitsluiting resteert volgens genoemde deskundigen trauma als enige verklaring voor de bevindingen in het hoofd van [slachtoffer] op en na 17 januari 2011, waarbij sprake kan zijn van accidenteel (door een ongeval of val) of een niet-accidenteel (door menselijk handelen of nalaten) trauma. Op basis van de bevindingen bij medisch onderzoek sec, is het niet mogelijk aan te tonen of uit te sluiten dat er sprake is geweest van accidenteel of van een niet-accidenteel trauma. De beide deskundigen concluderen evenwel dat het op basis van uitsluiting veel waarschijnlijker is dat er sprake is geweest van niet-accidenteel, oftewel toegebracht, trauma, aangezien verdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] geen melding maken van een val of ongeval dat het aangetroffen (hersen)letsel zou kunnen verklaren. Voorts merken de deskundigen op dat bloedingen onder het harde hersenvlies als onderdeel van toegebracht schedel-/hersenletsel bij kinderen kunnen ontstaan door een contacttrauma (direct op het hoofd inwerkend stomp botsend geweld), een repeterend acceleratie-deceleratietrauma (snel, herhaald en ongeremd bewegen van het hoofd van het kind in de ruimte met een voor-achterwaartse beweging van de kin tegen de borst naar het achterhoofd tegen de wervelkolom) of door een combinatie van beide. Deze bevindingen gelden ook voor de geconstateerde netvliesbloedingen.

De kinderarts dr. D.S.J. van Bommel en neurochirurg dr. N. Höss hebben [slachtoffer] voorafgaand aan de operatie gezien en onderzocht en beiden hebben geen beschadigingen van de hoofdhuid en/of schedelbreuken geconstateerd bij [slachtoffer]. Bovendien verklaart

dr. Höss bij de rechter-commissaris dat wanneer er sprake zou zijn van bijvoorbeeld een trauma als gevolg van het op de bedrand slaan met het hoofd, zo’n trauma op dat moment zichtbaar zou moeten zijn geweest. Verder verklaart dr. Höss dat hij de hematomen die hij op het sternum (borstbeen) van [slachtoffer] heeft gezien, ook in twee eerdere gevallen heeft gezien. In die gevallen werden deze veroorzaakt door de duim van de persoon die had geschud. Het gaat daarbij om typisch letsel. Dit kan ook ontstaan door professionele reanimatie. De meeste mensen reanimeren heel licht en dan zal dit niet ontstaan, aldus dr. Höss.

Uit de aangehaalde deskundigenrapportages leidt de rechtbank af dat het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd, door menselijk handelen toegebracht letsel is. Tevens leidt de rechtbank uit de rapportages af dat het letsel is toegebracht door middel van acceleratie-deceleratietrauma (schudden), nu uit de verklaringen van dr. Van Bommel en dr. Höss blijkt dat er geen uitwendige beschadigingen zijn waargenomen aan het hoofd van [slachtoffer].

Wanneer is dit letsel aan [slachtoffer] toegebracht?

Door dr. B. Kubat, arts en patholoog bij het NFI, is neuropathologisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek heeft dr. Kubat vastgelegd in een drietal deskundigenrapporten, respectievelijk gedateerd 14 maart 2011 , 27 april 2011 en

3 januari 2012. De conclusie van dr. Kubat is dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van onherstelbare hersenschade. Deze hersenschade bestaat uit een oudere bloeding onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom), recentere bloeduitstortingen onder de zachte hersenvliezen, traumatische veranderingen aan de zenuwvezels/banen (axonen) en een ernstige hersenzwelling met inklemmingsverschijnselen.

Volgens dr. Kubat is het oudste deel van het subdurale hematoom op het tijdstip van overlijden anderhalf tot maximaal vier dagen oud. De tekenen van jongere bloedingen zijn volgens dr. Kubat niet ouder dan 24 uren en worden door haar geïnterpreteerd als re-bloedingen. Deze bloedingen kunnen zonder aanwijsbare oorzaak optreden, maar ook door een hernieuwd (ook gering) trauma of als gevolg van manipulatie aan de schedel zoals een operatieve ingreep.

Verder legt dr. Kubat uit hoe zij tot de conclusie komt dat er in casu ook sprake was van traumatische axonale veranderingen. Verandering aan de axonen (uiteinden van hersenzenuwen) kunnen onder meer optreden door geweld uitgeoefend op de hersenen en/of zuurstoftekort. Het is op grond van het type of de vorm van de beschadiging niet aan te geven wat de oorzaak van de beschadiging is geweest. De differentiatie van de oorzaak wordt mede bepaald door de locatie van de axonale veranderingen. Ook de overige sectiebevindingen worden daarin meegenomen. De conclusie van traumatische veranderingen wordt alleen dan getrokken wanneer naast de verandering aan de axonen in de trauma predilectieplaatsen ook andere tekenen van geweldsinwerking aanwezig zijn, zoals onderhuidse bloeduitstortingen, schedelbreuken, subduraal hematoom en/of bloedingen in het netvlies van de ogen.

Uit het rapport van dr. Kubat van 27 april 2011 blijkt dat er traumatische veranderingen in de predilectieplaatsen zijn gevonden die zes tot achttien uren oud waren. Dit zou betekenen dat, gelet op de tijdslijn van de gebeurtenissen, deze traumatische axonale veranderingen binnen de periode vallen waarin [slachtoffer] reeds in het ziekenhuis was opgenomen. Dr. Kubat sluit, op grond van haar ervaringen met eerder uitgevoerde hersenonderzoeken waarin traumatisch axonale schade werd gevonden, de mogelijkheid uit dat de gevonden afwijkingen het gevolg zijn geweest van medisch handelen.

De aanwezigheid van hersendood is echter voor de datering van de traumatische axonale veranderingen een complicerende factor. Volgens dr. Kubat is het aannemelijk dat de tijdsperiode van de ‘hersendood’ moet worden opgeteld bij het tijdsinterval dat is vastgesteld voor de traumatische axonale schade om de werkelijke ouderdom van het letsel te verkrijgen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de constatering dat [slachtoffer] op een bepaald tijdstip, te weten 12.50 uur, ‘hersendood’ is, niet overeen hoeft te komen met het daadwerkelijke tijdstip van het ontstaan van ‘hersendood’. Het is immers een geleidelijk proces en voor het bepalen van het tijdstip is mede bepalend het moment waarop de neuroloog zijn of haar onderzoek verricht. De conditie van hersendood is op het moment van het constateren ervan al enige tijd opgetreden. Vervolgens houdt dr. Kubat rekening met een onzekerheidsinterval van enkele uren en een correctie voor de periode van de hersendood. In die berekening valt het ontstaan van de traumatische axonale beschadiging binnen het tijdsbestek dat [slachtoffer] plotseling comateus werd.

Uit het dossier blijkt dat verdachte [verdachte] op 17 januari 2011 om 18.04.25 uur heeft gebeld met het alarmnummer 112. Verdachte [verdachte] vertelt de medewerkster van de ambulancedienst, dat hij op het zoontje van zijn vriendin past, dat de jongen nergens meer op reageert en dat hij in één keer is weggevallen. Voordat verdachte [verdachte] het alarmnummer 112 heeft gebeld is, hij naar de buurvrouw, getuige Klomp, gegaan met het verhaal dat er iets met het kind was en dat hij het kind niet meer wakker kreeg. De buurvrouw verklaart dat zij met verdachte [verdachte] is meegelopen naar de woning en dat hij haar daar vertelde dat het kindje was weggevallen, even later weer was bijgekomen en dat het kindje daarna weer weggevallen was.

Volgens de deskundigen dr. Peerenboom en dr. Karst laat onderzoek bij kinderen die zijn overleden ten gevolge van accidentele hoofdletsels zien dat kinderen met diffuus letsel direct na het ontstaan van het letsel verschijnselen vertonen van verminderd bewustzijn. Studies bij kinderen met niet-accidenteel letsel laten een vergelijkbaar beeld zien, namelijk dat er sprake is van direct ontstaan van symptomen aansluitend op het ontstaan van gemiddeld tot ernstig diffuus hersenletsel. De verschijnselen die deze kinderen vertonen, zijn onder andere een onmiddellijke daling van het bewustzijnsniveau, onregelmatige ademhaling, moeilijkheden bij het ademen of ademstilstand en frequente insulten. Deze verschijnselen komen alarmerend over en zullen in normale omstandigheden leiden tot het zoeken van medische hulp. Op basis van studies naar de tijdsduur tussen het traumatische incident en het ontstaan van klinische verschijnselen, kan worden geconcludeerd dat het traumatische incident juist vóór (d.w.z. na enkele seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen moet zijn ontstaan. Het is zeer aannemelijk dat de bevindingen bij [slachtoffer] voor de ziekenhuisopname op 17 januari 2011, te weten ondermeer comateus en ademhalingsproblemen, direct (d.w.z. na enkele seconden) na een traumatisch incident zijn ontstaan. Het is niet uit te sluiten dat eveneens sprake is geweest van een eerder incident van schudden en/of impact als gevolg waarvan een bloeding onder het harde hersenvlies is ontstaan. Maar juist vóór de klinische noodsituatie op 17 januari 2011 moet zich in ieder geval een fors hoofdtrauma hebben voorgedaan dat heeft geleid tot een hernieuwde subdurale bloeding, alsmede secundaire hersenschade met fatale afloop.

Bij de rechter-commissaris verklaart dr. Höss dat hetgeen in het pediatrisch rapport staat over de ordergrootte seconden klopt wanneer het zou gaan om een zwaar diffuus axonade.

Dr. Höss verklaart dat dat hier niet het geval is. In het geval van [slachtoffer] was er volgens hem sprake van een subduraal hematoom plus een zwelling. In theorie kan dergelijk letsel na één à twee uur na het trauma ontstaan, maar bij [slachtoffer] was dat, gelet het beeld van de CT-scan, niet het geval. Er was sprake van veel oedeem, primaire schade. Onder die omstandigheden treden klinische verschijnselen na een paar minuten op, aldus dr. Höss.

In zijn aanvullende rapportage van 29 december 2011 legt dr. Karst uit, dat op basis van het neuropathologisch onderzoek is gebleken, dat er wel degelijk axonale schade is, zodat de conclusie, dat het trauma seconden voor de klinische verschijnselen moet hebben plaatsgevonden, juist is. Bovendien blijkt uit de CT-scan (17 januari 2011 om 18.41 uur) van het hoofd van [slachtoffer] dat er een bloeding onder het harde hersenvlies te zien is, maar dat deze op zichzelf doorgaans geen klinische verschijnselen geeft. De massawerking van deze bloeding is niet zo groot dat het de verschuiving van de middellijn volledig kan verklaren. De hersenzwelling, als gevolg van de hersenschade, is hier grotendeels verantwoordelijk voor. De mogelijkheid van een tijdsinterval van minuten voor het ontstaan van klinische verschijnselen na toegebracht schedelhersenletsel bij kleine kinderen, vindt geen steun in de medisch-wetenschappelijke literatuur, aldus dr. Karst. In zijn aanvullende rapport herhaalt dr. Karst dat naar zijn mening elke verzorger een klinische noodsituatie van een jong kind als gevolg van toegebracht schedelletsel als zodanig zou moeten herkennen, maar hij kan uiteraard niet geheel uitsluiten dat de klinische noodsituatie in een specifiek geval toch niet als zodanig herkend wordt.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat het trauma dat het fatale hersenletsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt, is ontstaan seconden voor het waarnemen van de klinische verschijnselen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan vastgesteld moet worden dat verdachte [verdachte] niet direct na de alarmerende klinische verschijnselen (medische) hulp is gaan zoeken. De klinische verschijnselen waren er in ieder geval kort voordat verdachte [verdachte] naar de buurvrouw ging, waarna het alarmnummer 112 is gebeld. Op het moment dat verdachte [verdachte] hulp ging zoeken, was verdachte [medeverdachte] bij de Centrale Huisartsenpost.

Wie heeft het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel toegebracht?

De verdediging stelt dat verdachte [medeverdachte] het fatale letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht en baseert dit op de verklaringen van verdachte [verdachte]. Verdachte [verdachte] schetst in zijn verklaringen (uiteindelijk) een scenario waarin hij de suggestie wekt dat verdachte [medeverdachte] [slachtoffer] met zijn hoofd meerdere keren tegen de bedrand, of een ander hard voorwerp, heeft geslagen. Hij heeft, zo verklaart hij, een bonkend geluid gehoord en bulten op het hoofd van [slachtoffer] gevoeld. De verklaring van verdachte [verdachte] dat hij bulten op het hoofd van [slachtoffer] heeft gevoeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig nu dr. Van Bommel en dr. Höss verklaren dat zij geen uitwendig letsel op en/of beschadigingen aan het hoofd van [slachtoffer] hebben waargenomen op de avond van 17 januari 2011. Dr. Peerenboom en dr. Karst houden in hun rapportages weliswaar de mogelijkheid open dat er sprake is van een zogenaamd contacttrauma, maar dat komt door het feit dat de huid en het bot boven de subdurale bloeding rechts voor aan het hoofd zijn weggenomen bij de operatie , waardoor er na het overlijden van [slachtoffer], geen onderzoek meer heeft kunnen plaatsvinden naar dit, bij de sectie ontbrekende, schedeldeel. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan de verklaringen van dr. Van Bommel en dr. Höss te twijfelen. De lezing van verdachte [verdachte] over de door hem waargenomen en deels veronderstelde gebeurtenissen op 17 januari 2011 is in strijd met deze objectieve medische bevindingen, zodat zijn lezing als feitelijk onhoudbaar wordt gepasseerd.

Daarnaast stelt de verdediging dat, nu dr. Kubat rapporteert over de mogelijkheid van een re-bloeding van het oudere subdurale hematoom, de forensische rapporten de mogelijkheid niet uitsluiten dat verdachte [medeverdachte] het letsel heeft toegebracht, waarvan het oudere subdurale hematoom het gevolg is, en dat, na het optreden van een (spontane) re-bloeding, vervolgens tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Dr. Karst en dr. Peerenboom concluderen weliswaar dat het mogelijk is dat het fatale letsel is ontstaan doordat op meerdere, qua tijd verder uit elkaar liggende, momenten geweldsinwerkingen hebben plaatsgevonden, maar zij concluderen ook dat de fatale hersenzwelling (oedeem) moet zijn veroorzaakt door een fors trauma dat zich kort vóór de klinische noodsituatie op 17 januari 2011 heeft voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat het om die reden niet relevant is wie van de verdachten verantwoordelijk is voor het toebrengen van het oudere subdurale hematoom, nu deze bloeding op zichzelf niet direct tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid. De rechtbank verwerpt om die reden dit verweer van de verdediging.

De rechtbank stelt vast op grond van de verklaringen van verdachte [verdachte] en op basis van hetgeen hiervoor al is overwogen, dat verdachte [verdachte] op het moment van het toebrengen van het fatale letsel alleen met [slachtoffer] in de woning was. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat verdachte [verdachte] de enige is die daadwerkelijk het letsel aan [slachtoffer] heeft kunnen toebrengen. De rechtbank is op basis van de verklaringen van de medici die [slachtoffer] hebben behandeld en de bevindingen van de forensisch deskundigen, van oordeel dat [slachtoffer] moet zijn opgepakt en geschud, waardoor hij ernstig diffuus hersenletsel heeft opgelopen waaraan hij nadien is overleden. Zoals al vastgesteld is verdachte [verdachte] de enige die deze geweldshandelingen kan hebben verricht. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] genoemde geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft uitgeoefend.

De rechtbank is van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte [verdachte] boos opzet op de dood, op de zware mishandeling of op de mishandeling heeft gehad. Verdachte [verdachte] heeft zich daar immers niet over uitgelaten. Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde is echter voorwaardelijk opzet voldoende. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daartoe is vereist dat verdachte [verdachte] wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard, dat wil zeggen op de koop toe heeft genomen. De aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, zijn daarbij van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte [verdachte] de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het is algemeen bekend dat als een baby of jong kind krachtig geschud wordt, het hoofdje met hoge snelheid heen en weer gaat. Het hoofd van een baby is in verhouding tot de rest van het lichaam groot en zwaar. Bovendien zijn de nekspieren nog niet sterk genoeg om de bewegingen van het hoofd op te vangen. Door krachtig schudden ontstaan beschadigingen aan de hersenen, bloedvaten en zenuwen, met blijvend letsel of zelfs de dood tot gevolg. De kans op ernstig en fataal letsel als gevolg van het schudden is het grootst bij baby's tot ongeveer één jaar. De meeste slachtoffers vallen in de leeftijdscategorie van drie tot acht maanden, maar ook dreumesen en peuters kunnen ernstige (hersen)letsels oplopen als ze te hard door elkaar worden geschud. Uit de deskundigenrapportages blijkt dat [slachtoffer] met veel kracht is geschud. De vraag die beantwoord dient te worden is of de kans dat een kind van [slachtoffer]s leeftijd, te weten twee jaar en acht maanden, overlijdt doordat hij hard geschud wordt, een aanmerkelijke is. De rechtbank is van oordeel dat de kans op dodelijk letsel, bij een peuter zoals [slachtoffer], weliswaar aanwezig is, maar niet dat deze kans aanmerkelijk is, dat wil zeggen het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van het schudden. De rechtbank zal verdachte [verdachte] dan ook van het primair tenlastegelegde vrijspreken. De rechtbank is van oordeel dat zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hersenletsel, wel het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van krachtig schudden van een kind van [slachtoffer]s leeftijd, zodat de kans daarop als een aanmerkelijke kans moet worden ingeschat. Verdachte [verdachte] heeft, door [slachtoffer] vast te pakken en hem hard te schudden, de aanmerkelijke kans aanvaard dat er ernstig hersenletsel zou ontstaan en heeft deze kans desondanks op de koop toegenomen.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte [verdachte] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden.

5.3 De conclusie

De rechtbank acht derhalve niet bewezen wat aan verdachte [verdachte] primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 17 januari 2011 te Almelo, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten ernstig hersenletsel) heeft toegebracht door die [slachtoffer] opzettelijk hardhandig vast te pakken en door elkaar te schudden, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

het misdrijf: zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Over de persoon van verdachte zijn Pro Justitia-rapportages opgemaakt, bestaande uit een psychiatrisch rapport van drs. L.P. Heinsman, psychiater, van 25 april 2011 en een psychologisch rapport van drs. J.G. Fennema, GZ-psycholoog, van 20 april 2011.

Daarnaast heeft, mevrouw J. Boenink, milieuonderzoeker i.o. en als zodanig verbonden aan de Reclassering Nederland, Adviesunit Zutphen, over verdachte een milieurapport uitgebracht, gedateerd 15 april 2011.

De psycholoog beschrijft verdachte als een 23-jarige man met verstandelijke vermogens die duidelijk onder het gemiddelde liggen. Verdachte heeft een justitiële voorgeschiedenis die hij zich deels herinnert. Datgene wat verdachte heeft onthouden wordt door hem gebagatelliseerd en/of ontkend. Daarnaast legt hij de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag herhaaldelijk buiten zichzelf. De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van beperkingen in cognitief, sociaal en communicatief opzicht. Verdachte lijkt reeds jaren op eenzelfde niveau te functioneren. Zijn beperkingen en structurele kwetsbaarheid leiden er toe dat hij op sociaal-emotioneel, relationeel en maatschappelijk gebied onvermogend is en slecht functioneert. Personen met het profiel van verdachte (zwakzinnigheid, antisociale en borderline persoonlijkheidsproblematiek) zijn volgens de psycholoog moeilijk behandelbaar gebleken vanwege het wantrouwen en een gebrekkig invoelingsvermogen. Ook ontbreekt het hen vaak aan voldoende motivatie om te veranderen. Verder is er volgens de psycholoog een verband tussen de stoornis en het tenlastegelegde. Verdachte is vanwege zijn zwakzinnigheid en persoonlijkheidsproblematiek niet in staat zijn emoties en gedrag op een adequate wijze te reguleren, schrijft zij. Het ontbreekt verdachte aan de noodzakelijke remmingen c.q. coping en als gevolg hiervan is verdachte kwetsbaar en sterk geneigd tot impulsief handelen. Verdachte heeft geen overzicht en hij is snel overprikkeld.

De psychiater concludeert dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van lichte zwakzinnigheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderlinetrekken. Hoewel bij de bestaande verstandelijke beperkingen enige terughoudendheid ten aanzien van de diagnostiek van een persoonlijkheidsstoornis op zijn plaats is, geeft de ontwikkelingsgeschiedenis van verdachte wel aanwijzingen daartoe, schrijft de psychiater. In beschrijvende zin voldoet verdachte aan de criteria van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Naast de antisociale gedragskenmerken komen vanuit verwaarlozing bepaalde problemen met hantering van intimiteit, problemen met hechting, negatief zelfbeeld, impulsiviteit en instabiliteit in relaties en maatschappelijk functioneren naar voren. Volgens de psychiater was verdachte ten tijde van het tenlastegelegde lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een lichte zwakzinnigheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderlinetrekken.

Beide deskundigen adviseren om bij een bewezenverklaring, waarbij de psychiater zijn uitspraak trouwens beperkt tot de medeplichtigheid van verdachte aan het tenlastegelegde, verdachte ten tijde van het tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over en is van oordeel dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Deze conclusie volgt ook logischerwijs uit de bevindingen van beide deskundigen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in geval van een bewezenverklaring gepleit voor het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de bijzonder voorwaarde van een ambulante of interne behandeling. aangezien uit de triplerapportage naar voren komt dat behandeling van verdachte nodig is.

De overwegingen van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank overweegt daarover nog specifiek het volgende.

Verdachte heeft [slachtoffer], het twee jaren en acht maanden oude zoontje van zijn vriendin, zwaar lichamelijk letsel toegebracht door het kind zo hard te schudden, dat het kind als gevolg daarvan ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Door dit hersenletsel is [slachtoffer] komen te overlijden. De toedracht van hetgeen zich heeft afgespeeld op 17 januari 2011 tussen 17.45 uur (het moment waarop de moeder van [slachtoffer] naar de spoedeisende eerste hulp is gegaan) en 18.00 uur (het moment waarop verdachte naar de buurvrouw gaat) is niet honderd procent duidelijk geworden, nu verdachte daarover geen openheid van zaken heeft gegeven. Door geen openheid van zaken te willen geven over zijn handelen, blijft niet alleen de rechtbank, maar bovenal ook [slachtoffer]s vader, moeder en andere nabestaanden, onwetend over de reden van verdachtes gewelddadige handelingen tegen [slachtoffer]. Zij zullen [slachtoffer] moeten missen, zullen hem niet meer zien opgroeien en zij blijven achter met de nog steeds onbeantwoorde vraag: waarom?

Verdachte is door een psychiater en een psycholoog onderzocht. Bij de oplegging van de na te melden straf heeft de rechtbank de conclusies en adviezen van de psychiater en de psycholoog betrokken. Zowel de psychiater als de psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van borderline-persoonlijkheidstrekken. Beiden concluderen ook dat er kans op herhaling is. Door de psychiater wordt deze kans als verhoogd ingeschat. Hij schrijft, dat bij uitgevoerde testen (risicotaxatie volgens de HCR-20 en beoordeling van de PCL-R) verdachte uitkomt onder de “cut off score” voor psychopathie, waarmee gesproken mag worden van een psychopathiforme aankleuring. Hiermee kan de kans op herhaling als verhoogd ingeschat worden, aldus de psychiater.

Volgens de psycholoog is de kans op herhaling chronisch aanwezig en hoog. Bij verdachte is sprake van lichte zwakzinnigheid, van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van borderlinepersoonlijkheidstrekken. Het ontbreekt verdachte aan probleembesef en inzicht hierin, aldus de psycholoog. Het herhalingsgevaar is na detentie op korte en langere termijn hoog, schrijft zij. Verdachte heeft amper zicht op de risicofactoren en is beperkt leerbaar, zo blijkt uit zijn voorgeschiedenis en het huidig onderzoek. Verdachte zal, bij onvoldoende toezicht en begeleiding, snel vervallen in zijn oude gedrag, waarin impulsiviteit, agressiviteit, onverantwoordelijk en antisociaal gedrag centraal staan. De kans dat verdachte een conflictueuze relatie aangaat waarbij het oude destructieve gedrag opnieuw naar voren treedt, is volgens de psycholoog groot. Eveneens is er een reële kans dat verdachte niet zal kunnen voldoen aan sociaal-maatschappelijke en financiële verplichtingen en zal hij onvoldoende voor zichzelf kunnen zorgen.

Zowel de psychiater als de psycholoog heeft advies uitgebracht over behandeling van verdachte. De psychiater schrijft dat een behandeling als bijzondere voorwaarde in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf vanuit therapeutisch perspectief onvoldoende tegemoet komt aan de zeer waarschijnlijk langer benodigde tijd voor behandeling en toezicht. De psychiater meent dat redelijkerwijs gesteld kan worden dat een behandeling als bijzondere voorwaarde in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf niet uitvoerbaar is.

De gewenste duur van de maatregel, het eerder niet houden aan voorwaarden, verdachtes beperkte leerbaarheid en de wenselijkheid van een stok achter de deur, wijzen daarmee in de richting van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, schrijft de psychiater. Want vanuit de beschikbare informatie komt een patroon van agressie naar voren waarbij in de tijd een tendens blijkt te zijn naar een toename van agressie. De agressie manifesteert zich hoofdzakelijk binnen een relationele context. In principe wordt hiermee voldaan aan de algemene criteria voor een terbeschikkingstelling, aldus de psychiater. De voorkeur van de psychiater gaat daarbij uit naar een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De bereidheid tot het maken van afspraken in combinatie met autoriteitsgevoeligheid van verdachte, maken dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden in principe uitvoerbaar wordt geacht, zo schrijft deze.

Ook de psycholoog geeft de rechtbank in overweging om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Bij verdachte is sprake van lichte zwakzinnigheid, van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en van borderline- persoonlijkheidstrekken en het ontbreekt verdachte aan voldoende probleembesef en inzicht hierin, schrijft de psycholoog. In het verleden is verdachte alleen in positieve zin beïnvloedbaar gebleken ten tijde van zijn jeugddetentie. Andere mindere intensievere behandelvormen heeft verdachte niet afgemaakt, dan wel heeft hij zich hieraan onttrokken. Vanwege het hoog risicoprofiel c.q. de zorgelijke ontwikkeling bij verdachte is de psycholoog van mening dat verdachte het meest gebaat is bij een setting met voldoende begeleiding en langdurig toezicht. Zij denkt in dit verband aan een opname in het Forensisch Psychiatrisch Centrum Hoeve Boschoord. In aansluiting hierop kan een vervolg bij de Hanzeborg in Eefde worden overwogen, aldus de psycholoog.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over. In de gegeven adviezen kan de rechtbank zich echter niet vinden. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de verdediging bepleit, een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke vrijheidsstraf niet haalbaar is. De rechtbank betrekt in die overweging dat de psychiater in dat verband schrijft, dat een dergelijk kader vanuit therapeutisch perspectief onvoldoende tegemoet komt aan de zeer waarschijnlijk langer benodigde tijd voor behandeling en toezicht en dat verdachte zich eerder niet gehouden heeft aan voorwaarden.

De deskundigen geven de voorkeur aan een terbeschikkingstelling met voorwaarden omdat deze behandelmodus verdachte meer perspectief biedt en hij daardoor mogelijk beter gemotiveerd is voor een behandeling. Op basis van de door de deskundigen gehanteerde argumenten acht de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden juist niet wenselijk. Uit de rapporten komt bij verdachte een patroon van agressie naar voren waarbij in de tijd een tendens blijkt te zijn naar een toename van agressie. De agressie manifesteert zich hoofdzakelijk binnen een relationele context. Juist gezien de vanuit therapeutisch oogpunt gewenste duur van de behandeling, het feit dat verdachte zich eerder niet heeft gehouden aan voorwaarden, verdachtes beperkte leerbaarheid en de wenselijkheid van een stok achter de deur, is de rechtbank, alles afwegende, van oordeel dat de behandeling die verdachte nodig heeft niet anders dan binnen het dwingend kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan worden uitgevoerd. De rechtbank zal daarom aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt. Het feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld, te weten zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, is door de wetgever aangemerkt als een feit waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist de maatregel. De rechtbank overweegt verder dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. De totale duur van de maatregel kan dus een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank is echter ook van oordeel dat met het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling niet kan worden volstaan. Door een jong kind als [slachtoffer] zodanig te mishandelen, dat hij als gevolg daarvan overlijdt, zijn niet alleen de direct betrokkenen geschokt, maar ook de samenleving. Een dergelijk feit brengt gevoelens van verontwaardiging teweeg en schokt de rechtsorde in ernstige mate. Het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is dan ook gepast en geboden. Bij de bepaling van de duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf betrekt de rechtbank in haar overweging dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en dat het in het belang van verdachte en de samenleving is dat op niet al te lange termijn met de behandeling van zijn stoornissen een aanvang kan worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren gepast en geboden is.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 37a, 37b, 38, 38d en 38e Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair: zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft;

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaren;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. H. Stam en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2012.