Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:1218

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
10-03-2014
Zaaknummer
122584 / FA RK 11-1023
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van ouder en een ander dan de ouder om o.g.v. artikel 1:253t BW samen met het gezag over de minderjarige te worden belast. De termijn van drie jaar gedurende welke de moeder alleen met het gezag over minderjarige belast moet zijn geweest staat aan toewijzing van het verzoek van de moeder en de stiefvader in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 122584 / FA RK 11-1023

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo d.d. 26 september 2012

inzake

[verzoekster],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende op een geheim adres,

verzoekster,

advocaat: mr. W.G. ten Brummelhuis,

en

[belanghebbende],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende.

Het procesverloop

Op 9 augustus 2011 is ter griffie ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van de moeder.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 oktober 2011. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Op 18 juni 2012 is een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ter griffie ingekomen.

De kinderrechter heeft kennis genomen van een brief van mr. Ten Brummelhuis d.d.

30 augustus 2012 met bijlagen.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 3 september 2012. Ter zitting zijn verschenen: de moeder bijgestaan door mr. Ten Brummelhuis, en de heer [G] (verder ook te noemen: de stiefvader). De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer De Vries. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is nader bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De ouders hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2003].

De man heeft de minderjarige erkend.

De ouders zijn op 14 augustus 2003 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

Bij beschikking van 24 augustus 2010 heeft het gerechtshof te Arnhem het gezamenlijk gezag beëindigd en de moeder belast met het gezag over [minderjarige].

De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij de moeder.

De standpunten van partijen

De moeder verzoekt te bepalen dat zij en de stiefvader gezamenlijk worden belast met het gezag over [minderjarige] en te bepalen dat de geslachtsnaam van [minderjarige] wordt gewijzigd in “[G]”.

De moeder stelt daartoe het volgende. Aan voormelde beschikking van het gerechtshof lag ten grondslag dat er ernstige voorvallen hadden plaatsgevonden waarbij de vader [minderjarige] en de moeder in levensbedreigende situaties had gebracht. De vader is voor de voorvallen strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld. De vader heeft uit den hoofde van februari 2005 tot oktober 2008 in detentie doorgebracht. De vader heeft in ieder geval sinds december 2004 geen invulling meer gegeven aan zijn gezag en geen omgang meer gehad met [minderjarige]. In 2008 heeft de moeder de stiefvader leren kennen, met wie zij sinds juli 2009 samenwoont. De moeder, [minderjarige], de stiefvader en de kinderen van de stiefvader leven sindsdien als een hecht en stabiel gezin. De moeder en de stiefvader zijn voornemens te trouwen. De moeder wenst de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Hoewel de moeder juridisch nog geen drie jaar met het gezag is belast, geeft zij daar feitelijk al sinds eind 2004 alleen invulling aan. Dit wordt ook geconstateerd door de Raad en verwoord op pagina 9 van het raadsrapport van 9 november 2009, welk rapport als productie 5 is gevoegd bij het verzoekschrift.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend en is bij beide mondelinge behandelingen niet verschenen.

De Raad heeft onderzoek gedaan en op 15 juni 2012 gerapporteerd. Uit het rapport leidt de kinderrechter af dat de Raad adviseert om beide verzoeken van de moeder in het belang van [minderjarige] toe te wijzen, ondanks dat de moeder niet voldoet aan de termijn van drie jaar betreffende het eenhoofdig gezag. De Raad stelt in zijn rapport dat [minderjarige] volledig is ingegroeid in het gezin van de moeder en de stiefvader. De Raad acht het meest in het belang van [minderjarige] dat het gezag wordt gedeeld door de moeder en de stiefvader. Hiermee wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Er zijn geen zwaarwegende argumenten naar voren gekomen op grond waarvan het verzoek van de moeder betreffende de gezagswijziging moet worden afgewezen. De vader speelt geen rol in het leven van [minderjarige] en het is niet de verwachting dat hierin op korte termijn een verandering zal komen. De emotionele binding van [minderjarige] met de vader is niet aanwezig. Omgekeerd is de vader wel verbonden met [minderjarige].

De vader heeft aan de Raad telefonisch bericht dat hij tegen inwilliging is van de verzoeken van de moeder. Hij betwist ook de door de moeder in het geding gebrachte email en stelt dat deze mail niet door hem is verstuurd. De gezagswijziging staat de wet niet toe, jurisprudentie of niet. Ten aanzien van de naamswijziging stelt hij dat [minderjarige] het enige kleinkind is van zijn ouders met de achternaam [naam] en dat zij de enige familie in Nederland zijn met deze achternaam. De vader doet een beroep op de Raad om de moeder te verzoeken uitgebreidere informatie over [minderjarige] te verstrekken dan tot nu toe. Ondanks dat de Raad oog heeft voor de bezwaren van de vader, acht de Raad het belang van [minderjarige] leidend in zijn adviezen.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Gezamenlijk gezag (artikel 1:253t BW)

Op grond van lid 1 van artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Op grond van lid 2 van voormeld artikel kan, ingeval het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts worden toegewezen indien:

a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad, en

b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag over het kind belast is geweest.

Het verzoek wordt, ingevolge lid 3 van voormeld artikel, afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.

De kinderrechter oordeelt als volgt. De stiefvader heeft zich verenigd met de verzoeken van de moeder. De kinderrechter zal hem daarom aanmerken als medeverzoeker.



Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige] en de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan en dat de moeder en de stiefvader op de dag van het verzoek gedurende meer dan een jaar gezamenlijk de zorg voor [minderjarige] hebben gehad, zodat aan die vereisten voor toewijzing van het verzoek de moeder en de stiefvader gezamenlijk te belasten met het gezag is voldaan.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van gegronde vrees dat bij inwilliging van het verzoek om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met het gezag te belasten de belangen van [minderjarige], mede in het licht van de belangen van de vader, zouden worden verwaarloosd. [minderjarige] leeft al gedurende geruime tijd (sinds juli 2009) in gezinsverband samen met de moeder en de stiefvader. Voorts staat vast dat de vader sinds eind 2004 geen invulling heeft gegeven aan zijn gezag en dat hij sindsdien ook geen contact meer heeft gehad met [minderjarige].

Daarnaast staat vast dat [minderjarige] zich in belangrijke mate met zijn leefsituatie in het gezin van de moeder en de stiefvader identificeert. [minderjarige] vertelt onder meer aan de Raad dat hij wil dat de stiefvader samen met de moeder het gezag over hem krijgt en dat hij nog liever wil dat zijn achternaam wordt gewijzigd in “[G]”. Hij kent de familie [G] goed en wil daar graag nog meer bijhoren. [minderjarige] heeft een goed contact met de stiefvader en zijn kinderen. [minderjarige] heeft geen interesse in contact met de vader, maar sluit niet uit dat dit misschien in de toekomst kan veranderen. De kinderrechter acht de wens van de gezinsleden om juridische situatie met de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen, gelet op het duurzame karakter van de feitelijke situatie, begrijpelijk.

Uitsluitend de termijn van drie jaar gedurende welke de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] belast moet zijn geweest staat aan toewijzing van het verzoek van de moeder en de stiefvader in de weg. Aan dit vereiste is niet voldaan, nu de moeder bij beschikking van

24 augustus 2010 is belast met het eenhoofdig gezag. De moeder en de stiefvader hebben verzocht het verzoek toch toe te wijzen en hebben daarbij een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 september 2009 (LJN: BJ8572).

De kinderrechter overweegt dat uit de wetsgeschiedenis behorende bij artikel 1:253t BW (MvT, Kamerstukken II, 1993/1994, 23 714, nr. 3) blijkt dat de termijn van drie jaar in de wet is opgenomen om te voorkomen dat "het instituut van de medevoogdij al te lichtvaardig gebruikt wordt in situaties dat ouders uit elkaar gaan.

In de nota van wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 23714 nr. 7) van het wetsontwerp wordt op pagina 6 vermeld:

“De voorwaarde dat de ouder het gezag gedurende drie jaren alleen moet hebben gehad, indien er ook een andere ouder in het spel is, is ongewijzigd gehandhaafd. Na die termijn is het aannemelijk dat de situatie van gezagsuitoefening door beide ouders niet meer erg voor de hand ligt. Verder wordt voorkomen dat het instrument van gezamenlijk gezag van een ouder en een derde al te lichtvaardig na het uiteengaan van de ouders wordt gebruikt.”

In de nota van wijziging (Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 23 714 nr. 6) van het wetsontwerp wordt op pagina 7 vermeld:

“Een mogelijkheid af te wijken van de termijn van drie jaar dat een ouder het gezag alleen heeft uitgeoefend, waarnaar de leden van de CDA-fractie en ook die van de D66-fractie vragen, is er niet. Ook niet als de andere ouder met het gezamenlijk gezag instemt. In de eerste plaats is het van belang op te merken dat de termijn van drie jaar losstaat van de houding die de andere ouder in de procedure inneemt. Ook als de ouder niet instemt met het gezamenlijk gezag kan de rechter toch het gezamenlijk gezag toekennen, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Doel van de termijn van drie jaar is immers de bestendigheid van de situatie van gezagsuitoefening door een ouder alleen tot uitdrukking te brengen.”.

Op bladzijde 8 van voormelde nota is vervolgens vermeld: “Als de ouders uit elkaar zijn gegaan, maar het gezamenlijk gezag is blijven bestaan, dan is gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouder en die ander dan de ouder niet mogelijk. Ook niet, als aan de gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouders na hun uiteengaan geen reële inhoud is gegeven. Ook dan blijft de driejaar-termijn gelden.”.



Naar het oordeel van de kinderrechter blijkt uit de hier aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis dat afwijking van de termijn die staat genoemd in het tweede lid van artikel 1:253t onder sub b BW in beginsel niet mogelijk is. De kinderrechter is voorts van oordeel dat de moeder geen dringende omstandigheden heeft aangevoerd, die het in het belang van de minderjarige noodzakelijk maken dat de moeder en de stiefvader reeds nu gezamenlijk worden belast met het gezag over de minderjarige. De kinderrechter ziet op dit moment dan ook geen aanleiding om de drie jaartermijn te verkorten.

De kinderrechter kan nu twee dingen doen. Of het verzoek afwijzen of het verzoek om praktische redenen aanhouden tot september 2013, aangezien de moeder in augustus 2013 drie jaar is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. De kinderrechter geeft de voorkeur aan de laatste optie en zal het verzoek aanhouden tot hierna te noemen zitting in

september 2013.



Wijziging geslachtsnaam (artikel 1:253t BW)



Ingevolge artikel 1:253t, vijfde lid, BW kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien a. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek; b. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

Gelet op hetgeen hierboven reeds is overwogen ten aanzien van de gezagswijziging ziet de kinderrechter aanleiding om ook dit verzoek aan te houden.

De beslissing

De kinderrechter:

Houdt elke nadere beslissing aan tot de zitting van 2 september 2013 om 10.00 uur, tot het bijwonen van welke zitting alle belanghebbenden die een afschrift van deze beschikking ontvangen hierdoor worden opgeroepen.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012 in tegenwoordigheid van mr. A.M. Witkop, griffier.