Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:1217

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
127501 / FA RK 12-304
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning Turks echtscheidingsvonnis met nevenvoorzieningen. Het CIEC-Verdrag van Luxemburg en ook het bepaalde in artikel 10:57 BW heeft alleen betrekking op de ontbinding van het huwelijk en niet op de bij het vonnis getroffen nevenvoorzieningen. De rechtbank is van oordeel dat het Turkse echtscheidingsvonnis in Nederland voor erkenning vatbaar is. De rechtbank oordeelt dat de Turkse rechter gelet op de bepalingen in Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 niet bevoegd was een gezagsmaatregel te nemen en erkent de genomen gezagsmaatregel niet. Ouders blijven na de scheiding samen met gezag belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0052
RFR 2014/76

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

Zaaknummer: 127501 / FA RK 12-304

Beschikking van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 29 augustus 2012, in de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man of de vader te noemen,

verblijvende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. U. Yildirim,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. U. Ugur.

Tevens is als belanghebbende aan te merken:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel.

Het procesverloop

Bij op 15 maart 2012 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de vader verzocht de kinderalimentatie vast te stellen. Daarnaast is verzocht dat de moeder de echtelijke woning dient te verlaten onder afgifte van de sleutels of verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag of dagdeel dat de moeder in gebreke is daaraan te voldoen.

Op 1 mei 2012 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen waarin door de moeder wordt verzocht de verzoeken van vader af te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder het eenhoofdig gezag aan haar toe te kennen.

Op 11 juni 2012 is een verweerschrift tegen zelfstandig verzoek tevens houdende aanvullend verzoek ingediend door de vader.

Op 27 juni 2012 is door de moeder een verweerschrift tegen het aanvullend verzoek tevens houdende een aanvullend verzoek ter griffie ingediend om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen.

Op 28 juni 2012 zijn namens de vader aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 juli 2012. Ter zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Yildirim en de moeder, vergezeld van een tolk in de Turkse taal de heer E. Yildirim, bijgestaan door mr. Ugur. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is de heer A.A.H. Pots aanwezig die ter zitting mondeling de voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige en een machtiging uithuisplaatsing op adres bij moeder heeft verzocht. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Namens de vader zijn pleitaantekeningen overgelegd.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De volgende feiten die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil staan vast.

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is geboren:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2007].

Bij vonnis van de rechtbank Iskenderun (Turkije) van 19 augustus 2011 is de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is de ouderlijke macht toegekend aan de vader met gelijktijdige vaststelling van een omgangsregeling tussen moeder en [minderjarige].

Dit vonnis is op 7 september 2011 in kracht van gewijsde gegaan.

De echtscheidingsbeschikking is op 28 november 2011 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Almelo.

Bij afzonderlijke beschikking van 3 juli 2012 heeft de rechtbank de voorlopige onder-toezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing op adres bij moeder uitgesproken, met benoeming van de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel tot gezinsvoogdijinstelling.

De standpunten van partijen

De man verzoekt de bij kort geding van 9 januari 2012 vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (€ 450,= per maand) op nihil te stellen met ingang van 21 december 2011, dan wel de verschuldigde bijdrage en ingangsdatum zodanig vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de vrouw de echtelijke woning met ingang van 15 maart 2012, subsidiair met ingang van 28 mei 2012 verlaat, onder afgifte van de sleutels en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag of dagdeel dat de vrouw nalatig is hieraan te voldoen.

De vrouw voert hiertegen verweer. Zij stelt dat het echtscheidingsconvenant dat in het kader van de Turkse echtscheidingsprocedure door de vrouw is ondertekend op basis van artikel 3:44 jo. 3:51 Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden vernietigd. De verzoeken van de man moeten wegens het ontbreken van de gronden en het ontbreken van enig belang worden afgewezen. Daarnaast verzoekt zij om het eenhoofdig gezag over [minderjarige] aan de vrouw toe te kennen.

Tegen dit zelfstandig verzoek wordt door de man verweer gevoerd. Hij concludeert tot afwijzing hiervan. De man trekt zijn verzoek ten aanzien van de echtelijke woning in, nu de vrouw inmiddels elders verblijft. Daarnaast doet de man primair een aanvullend verzoek om [minderjarige] binnen vijf dagen na het geven van de beschikking aan hem af te geven, zo nodig met behulp van de sterke arm van de wet, subsidiair om ingeval van gezamenlijk gezag met de vrouw te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn en meer subsidiair dat er een regeling ten aanzien van zorg- en contact wordt vastgesteld in die zijn dat de man gedurende drie dagen per week en gedurende de helft van alle feest- en vakantiedagen de zorg voor het kind heeft.

Tegen de aanvullende verzoeken wordt door de vrouw verweer gevoerd in die zin dat zij onder handhaving van het eenhoofdig gezag, verzoekt te bepalen dat de minderjarige bij haar zal verblijven. De aanvullende verzoeken van de man moeten vanwege het ontbreken van gronden en het ontbreken van belang worden afgewezen.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Erkenning Turks echtscheidingsvonnis met nevenvoorzieningen

De man beroept zich in zijn stelling op het door de Turkse rechter op 19 augustus 2011 gegeven vonnis. In dat kader is van belang vast te stellen of dit vonnis voor erkenning in aanmerking komt.

Turkije en Nederland zijn beiden partij bij het CIEC-Verdrag van Luxemburg inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband van 8 september 1967, Trb. 1979, nr. 130 (verder te noemen: het Luxemburgse verdrag). Nu echter uit artikel 13 van dit verdrag blijkt dat het de verdragsluitende partijen vrij staat om gunstigere nationale erkenningsregels te formuleren en toe te passen en de in de artikelen 10:57 en 10:58 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde erkenningsregels soepeler zijn dan dit verdrag, kan met toepassing van die regels worden volstaan. In artikel 10:57 is bepaald dat een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend, indien zij tot stand is gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan de rechter of andere autoriteit rechtsmacht toekwam. Gebleken is dat de Turkse rechter het huwelijk heeft ontbonden. Gesteld noch gebleken is dat hierbij geen sprake zou zijn geweest van een behoorlijke rechtspleging en dat nu partijen beide de Turkse nationaliteit hadden de Turkse rechter op die grond rechtsmacht toekwam. Gelet hierop komt de ontbinding van het huwelijk voor erkenning in aanmerking.

Uit het verdrag blijkt echter dat het verdrag en ook het bepaalde in artikel 10:57 alleen betrekking heeft op de ontbinding van het huwelijk en niet op de bij het vonnis getroffen nevenvoorzieningen, waaronder de voorziening in het gezag over de minderjarige.

In dit geval is, mede gelet op artikel 10:113 BW, op de gezagsvoorziening het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961, verder te noemen: het verdrag) van toepassing. Zowel Turkije als Nederland heeft dit verdrag geratificeerd. Op grond van artikel 7 van dit verdrag worden gezagsmaatregelen genomen door autoriteiten die krachtens voorgaande artikelen van dit Verdrag bevoegd zijn, erkend in alle Verdragsstaten.

De rechtbank stelt voorop dat kinderbeschermingsmaatregelen autonoom moeten worden geïnterpreteerd en dat de functie van de maatregel beslissend is. Tot kinderbeschermings-maatregelen kunnen worden gerekend de maatregelen in enge zin (ondertoezichtstelling, ontheffing etc.) als ook de maatregelen in ruime zin (voogdij, gezamenlijk gezag en de gezagsvoorziening bij echtscheiding).

De rechtbank dient op basis van voormeld artikel aan de hand van de artikelen 1, 3 en 4 van het verdrag te beoordelen of de Turkse rechter bevoegd was een gezagsmaatregel te nemen.

Artikel 1 van het verdrag bepaalt dat de rechter van de Staat waar een minderjarige zijn gewone verblijf heeft, bevoegd is een dergelijke maatregel te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank was de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van het nemen van de gezags-maatregel in Nederland. Hierbij is van belang dat [minderjarige] in Nederland naar school gaat en vanaf zijn geboorte in Nederland heeft gewoond. Dat de man en de vrouw teneinde in Turkije de echtscheiding te regelen [minderjarige] (mogelijk) ook tijdelijk in Turkije hebben ingeschreven, doet hieraan niet af. Niet gesteld of gebleken is dat de ouders zich in Nederland hebben laten uitschrijven. Het maatschappelijk leven van ouders en [minderjarige], speelt zich naar het oordeel van de rechtbank af in Nederland.

Vader bezit in Nederland diverse onroerende zaken die door hem worden verhuurd en daarnaast ontvangt hij een WAO-uitkering.

Op grond van artikel 1 van het verdrag was de Turkse rechter naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd een gezagsmaatregel te nemen.

Artikel 3 bepaalt dat een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de Staat waarvan de minderjarige onderdaan is, in alle Verdragsstaten wordt erkend. [minderjarige] heeft als gezegd zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. Uit het Turkse familierecht vloeit niet van rechtswege voort dat er sprake is van de in het vonnis vastgelegde gezagsverhouding. De Nederlandse wet verbindt in artikel 1:251, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek aan de ontbinding van een huwelijk van rechtswege het gevolg dat indien ouders het gezamenlijk gezag hebben, dit in stand blijft.

Artikel 4 van het verdrag bepaalt dat de autoriteiten van de Staat waarvan de minderjarige onderdaan is met toepassing van hun interne wet gezagsmaatregelen kunnen nemen, nadat zij het voornemen daartoe aan de autoriteiten van de Staat van het gewone verblijf van de minderjarige kenbaar hebben gemaakt. Onweersproken is door vader ter zitting gesteld dat [minderjarige] zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit heeft. [minderjarige] is dus Turks onderdaan. Hiervoor is reeds overwogen dat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats had in Nederland. Nu de Turkse rechter niet voorafgaand aan het nemen van de beslissing over het gezag over [minderjarige] aan de Nederlandse autoriteiten zijn voornemen om een gezagsmaatregel te nemen, kenbaar heeft gemaakt, is de rechtbank niet gehouden de gegeven maatregel te erkennen, nu dit gelet op artikel 7 van het verdrag slechts geldt voor beslissingen die met inachtneming van die artikelen zijn genomen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat dit niet gebeurd is in casu.

Ingevolge artikel 15 van het verdrag kan de Verdragsluitende Staat een voorbehoud maken met betrekking tot de bevoegdheid van die autoriteiten om maatregelen te nemen ter bescherming van persoon of goed van de minderjarige voor het geval dat zij, onder meer, te oordelen hebben over een vordering tot ontbinding van het huwelijk van de ouders van de minderjarige. Turkije heeft op 25 augustus 1983 een dergelijk voorbehoud gemaakt, onder meer inhoudende dat zij indien zij te beslissen hebben over de ontbinding van een huwelijk zij zich het recht voorbehouden beslissingen ten aanzien van de bescherming van een minderjarige te nemen. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van het verdrag zijn echter de overige lidstaten niet gehouden de beslissingen in dit kader genomen, te erkennen.

Voorts acht de rechtbank het in de gegeven omstandigheden van belang dat de Nederlandse rechter als rechter van de gewone verblijfplaats [minderjarige] voorziet in het gezag. Voorts acht zij het in het belang van [minderjarige] dat, zoals naar Nederlands recht gebruikelijk, gezamenlijk gezag in stand blijft na echtscheiding. Nu de Turkse rechter op grond van het verdrag niet bevoegd was om een gezagsmaatregel te treffen en de door de Turkse rechter getroffen gezagsmaatregel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet in het belang van [minderjarige] wordt geoordeeld, zal de rechtbank deze gezagsmaatregel niet erkennen. Gevolg is dat het gezamenlijk gezag in stand is gebleven.

De vrouw heeft in het kader van deze procedure gevraagd om een verklaring voor recht dat het convenant waaraan de Turkse rechter in zijn vonnis refereert onder dwang tot stand is gekomen en daardoor nietig is. Een verzoek tot het afgeven van een verklaring voor recht kan alleen worden toegewezen indien daaraan een rechtens te rechtvaardigen belang ten grondslag ligt. Nu de vrouw in de onderhavige procedure niet (expliciet) stelt welke nevenvoorziening uit het convenant vernietigd dienen te worden, noch hieraan rechtsgevolgen verbindt, ziet de rechtbank niet in welk rechtens te rechtvaardigen belang zij heeft bij een verklaring voor recht als door haar verzocht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de vrouw haar stelling dat het convenant onder dwang tot stand zou zijn gekomen, na betwisting, eveneens onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal het ter zake door de vrouw gedane verzoek dan ook afwijzen.

Gezag/hoofdverblijfplaats/omgang

Omdat de minderjarige in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft is de rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en is Nederlands recht van toepassing op dit verzoek.

Zoals hierboven overwogen is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak van de Turkse rechter ten aanzien van het gezag niet wordt erkend. Eén en ander impliceert naar Nederlands recht dat de ouders na echtscheiding gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag.

De minderjarige [minderjarige] verblijft thans bij moeder omdat vader wordt verdacht van huiselijk geweld. Om die reden zat hij in voorlopige hechtenis. De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting de voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot plaatsing van de

minderjarige [minderjarige] op adres van moeder verzocht. Bij afzonderlijke beschikking van

3 juli 2012 zijn deze verzoeken van de Raad door de rechtbank toegewezen.

Moeder heeft het zelfstandig verzoek gedaan om alleen met het gezag te worden belast, en ter zitting heeft zij een aanvullend verzoek gedaan tot gezamenlijk gezag indien en voor zover de door de Turkse rechter getroffen gezagsvoorziening zou worden erkend.

Vader heeft in zijn verweerschrift tegen zelfstandig verzoek tevens houdende aanvullend verzoek subsidiair verzocht te bepalen dat [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben. Een gelijk verzoek heeft moeder gedaan in haar verweerschrift tegen aanvullend verzoek dat op 27 juni 2012 is ingekomen. Daarnaast heeft vader een verzoek tot afgifte van de minderjarige gedaan op basis van de Turkse uitspraak.

Over en weer zijn er door de ouders beschuldigingen geuit die van invloed (kunnen) zijn op de belangen van [minderjarige]. Naar het oordeel van de rechtbank is dat belang van [minderjarige] in de standpunten van partijen amper naar voren gebracht en dat maakt dat de rechtbank zich onvoldoende in staat acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van het (gezamenlijk) gezag, de hoofdverblijfplaats en (eventuele) omgang met de niet verzorgende ouder. De rechtbank is van oordeel dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming op zijn plaats is. Op deze manier kan duidelijk worden welke beslissing ten aanzien van de diverse verzoeken van ouders het meest in het belang van [minderjarige] is. In het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling voert de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek uit ten aanzien van de noodzaak voor een definitieve ondertoezichtstelling. De rechtbank is van oordeel dat om proceseconomische redenen ten aanzien van voormelde verzoeken van de ouders de uitspraak bij vervroeging dient te worden gegeven, zodat het beschermingsonderzoek nog kan worden uitgebreid en ook het gezag, de hoofdverblijfplaats en de omgang daarin kunnen worden betrokken. Ter zitting is door de rechtbank geoordeeld dat het de gezinsvoogd dan wel de Raad voor de Kinderbescherming vrij staat om de

(begeleide) omgang tussen vader en [minderjarige] op te starten indien en voor zover daarvoor mogelijkheden worden gezien, rekeninghoudend met de belangen van [minderjarige]. De rechtbank hecht er aan dit ook nog eens te herhalen in deze beschikking.

Vader heeft daarnaast de afgifte van de minderjarige [minderjarige] verzocht. De rechtbank zal die beslissing aanhouden, gelet op hetgeen hierboven is overwogen.

Alimentatie

Omdat de onderhoudsgerechtigde/minderjarige in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft is de rechtbank op grond van de alimentatieverordening bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en is op grond van Haags Protocol Nederlands recht van toepassing op dit verzoek.

Alvorens de rechtbank kan beslissen op het verzoek tot nihilstelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft zij aanvullende stukken nodig.

Om die reden worden beide partijen in de gelegenheid gesteld om alsnog stukken in het geding te brengen, te weten:

  • -

    een overzicht van alle panden die in het bezit zijn van de man, waaruit gedocumenteerd en gespecificeerd blijkt welke inkomsten de man uit ieder afzonderlijk pand geniet en waaruit de hoogte van de hypotheek blijkt. Daarnaast dienen van alle panden de laatste WOZ-beschikkingen in het geding te worden gebracht en de jaaropgaven van de diverse hypotheken;

  • -

    de laatste drie aangiften inkomsten- en vermogensbelasting van de man met de bijbehorende aanslagen;

  • -

    een nieuwe draagkrachtberekening waarin de huizen conform opgave van de man in box 3 zijn meegenomen.

Door partijen is ter zitting gesteld dat zij over en weer (niet) over de vereiste stukken beschikken. De rechtbank is van oordeel dat de meest gerede partij de verzochte stukken in het geding dient te brengen. Mocht de rechtbank niet over alle vereiste stukken beschikken, dan trekt zij daaruit de conclusie die haar geraden voorkomt.

Bovengenoemde stukken dienen tien dagen voor na te melden zittingsdatum bij de wederpartij en de rechtbank te zijn ingekomen.

De beslissing

De rechtbank:

I. Verzoekt de raad voor de Kinderbescherming om de rechtbank te rapporteren en te adviseren omtrent het gezamenlijk gezag, de hoofdverblijfplaats en de mogelijkheden voor omgang met de niet verzorgende ouder.

II. Bepaalt dat de behandeling van alle in deze beschikking genoemde verzoeken, indien mogelijk gelijktijdig met de behandeling van een eventueel door de Raad voor de Kinderbescherming ingediend verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige], wordt voortgezet op donderdag 20 september 2012 te 11.20 uur voor de meervoudige kamer van deze rechtbank.

III. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. T.M. Blankestijn en H.M. Jongebreur, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012 in tegenwoordigheid van J.H.A.L. Koelen-Goosink, griffier.

De griffier is buiten staat mede te ondertekenen