Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2012:1201

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
132066 / ES RK 12-1199
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek nietigverklaring huwelijk o.g.v. artikel 1:73 BW. De man (verweerder in deze) heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn geestvermogens op het moment van het aangaan van het huwelijk zodanig gestoord waren dat hij daardoor niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. Er bestaat geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten. De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en beveelt partijen om, zodra de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 173, geldigheid: 2014-03-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 132066 / ES RK 12-1199 (SvE)

beschikking van 19 december 2012

In de zaak van:

[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat: mr. H. Versluis te Almelo,

tegen

[verweerder],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. W. Geersen- Janssen te Zwolle.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 27 september 2012;

  • -

    het exploot van betekening van 3 oktober 2012;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 8 november 2012;

  • -

    het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 3 december 2012.

Ter griffie van de rechtbank is op 3 december 2012 binnengekomen een brief van mr. Versluis van diezelfde datum met bijlagen;

De zaak is behandeld ter zitting van 10 december 2012. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Ter mondelinge behandeling heeft mr. Geersen-Janssen een kopie van de beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 1 oktober 2012 overgelegd.

De feiten

Partijen zijn op 13 juni 2012 te [plaats] met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft daarnaast een onbekende en de Iraakse nationaliteit.

Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud met € 1.000,- per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

  3. de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen,

kosten rechtens.

Zij stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, dat zij behoefte heeft aan en dat de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij wege van zelfstandig verzoek het huwelijk van partijen nietig te verklaren, dan wel, in het geval de rechtbank zijn zelfstandig verzoek afwijst, de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en het door de vrouw onder b. en c. verzochte af te wijzen.

Hij stelt dat hij reeds voor en na het sluiten van het huwelijk niet in staat was zijn wil te bepalen, zodat het huwelijk op grond van artikel 1:73 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nietig is. Hij leed aan een geestesstoornis waarbij hij de gevolgen van het aangaan van het huwelijk niet heeft kunnen overzien. Als hij dit wel had gekund was hij nooit, althans niet zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met de vrouw gehuwd. De vrouw heeft misbruik gemaakt van de situatie. Daarnaast is hij, mede gelet op de korte periode van twee weken waarin partijen feitelijk hebben samengewoond, van mening dat geen sprake is van een huwelijk in de zin van de wet, zodat hij niet onderhoudsplichtig jegens de vrouw is geworden. Gelet op het voorgaande acht de man het niet redelijk de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te laten plaatsvinden conform de wettelijke bepalingen.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

Naar de mening van de vrouw dient het zelfstandige verzoek van de man te worden afgewezen.

Zij is van mening dat van nietigheid van het huwelijk geen sprake is. Zij betwist dat bij de man sprake is van een stoornis in de geestelijke vermogens. Het besluit van de man om met de vrouw te trouwen is een weloverwogen beslissing geweest. Partijen hebben al negen jaar een lat-relatie. Bij het aangaan van het huwelijk was de man bij zijn volle verstand. De vrouw heeft niet ervaren dat dit anders zou zijn. Zij betwist dat de man niet met de vrouw in algehele gemeenschap van goederen heeft willen huwen.

De beoordeling

Bij de betekening van het verzoekschrift zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen. De in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd.

Ten aanzien van de nietig verklaring van het huwelijk

De rechtbank zal eerst het meest verstrekkende verweer bespreken. De man stelt dat het huwelijk ingevolge de in artikel 1:73 BW genoemde grond nietig is en verzoekt om nietigverklaring. De vrouw betwist dat.

Ingevolge artikel 1:32 BW mag een huwelijk niet worden aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord, dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Ingevolge artikel 1:69 lid 1 onder b BW kan, op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigen om tezamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht door ieder der echtgenoten. Ingevolge artikel 1:73 BW kan nietigverklaring van een huwelijk uit hoofde van een geestelijke stoornis na het ophouden van de stoornis alleen worden verzocht door de echtgenoot die geestelijk gestoord was. Het verzoek vervalt door een samenwoning van ten minste zes maanden na het ophouden van de stoornis.

Aan zijn verzoek heeft de man enkel ten grondslag gelegd dat het huwelijk nietig is omdat hij ten tijde van de huwelijkssluiting niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring te begrijpen. Een dergelijke blote stelling acht de rechtbank volstrekt onvoldoende om het verzoek van de man toe te kunnen wijzen dan wel om hem (alsnog) toe te laten tot het leveren van bewijs. Door de man is in het geheel niet onderbouwd dat zijn geestvermogens op het moment van het aangaan van het huwelijk zodanig gestoord waren dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn ten overstaan van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand overlegde verklaring te begrijpen. Door de man is geen enkel stuk, zoals een (medische) verklaring van een (huis)arts, overgelegd dat zijn standpunt kan onderbouwen. Evenmin is door hem duidelijk gemaakt waaruit zijn geestelijke stoornis zou bestaan. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor de man moeilijk en emotioneel zwaar beladen zal zijn om onderzoek te laten doen naar zijn geestvermogens, is de rechtbank, met name gelet op de door hem in het kader van deze procedure ingenomen stelling, van oordeel dat dit desondanks wel van hem had mogen worden verwacht en dat hij zijn stellingen met de nodige justificatoire bescheiden had dienen te staven. Nu hij zulks heeft nagelaten mogen de negatieve consequenties daarvan niet op de vrouw worden afgewenteld maar dienen deze volledig voor rekening van de man te blijven. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het zelfstandige verzoek van de man om het huwelijk nietig te verklaren afwijzen.

Ten aanzien van de echtscheiding

Nu de vrouw stelt en de man niet betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast. Het verzoek tot echtscheiding kan daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de verdeling

De man stelt dat, nu in feite geen sprake is van een huwelijk, het niet redelijk is om de huwelijksgoederengemeenschap te verdelen conform de wettelijke bepalingen. Hij verzoekt te bepalen dat ieder van partijen toekomt wat zij reeds bezaten voordat het huwelijk is gesloten. De vrouw betwist dat en wenst dat de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vaststelt.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen heeft de man onvoldoende gesteld en in het geheel niet onderbouwd dat zijn geestvermogens op het moment van het aangaan van het huwelijk zodanig gestoord waren dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn toen afgelegde verklaring te begrijpen. Hieruit volgt dat niet geoordeeld kan worden dat het huwelijk tussen de man en de vrouw niet rechtsgeldig is gesloten. Vast staat dat partijen voor of tijdens het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, zodat tussen hen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Op grond hiervan hebben beide partijen na de ontbinding van het huwelijk een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. In hetgeen door de man is aangevoerd wordt onvoldoende aanleiding gevonden om van dit wettelijk uitgangspunt af te wijken.

De vrouw heeft verzocht de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. Zij heeft echter op geen enkele wijze geconcretiseerd en inzichtelijk gemaakt welke passiva en activa onderdeel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De rechtbank acht zich dan ook niet in staat de wijze van verdeling te gelasten. Dit onderdeel van het verzoek van de vrouw zal de rechtbank daarom afwijzen en beslissen als na te melden.

Ten aanzien van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw

Aan het verweer van de man dat geen sprake is van een huwelijk in de zin van de wet en dat hij om die reden niet onderhoudsplichtig is jegens de vrouw, gaat de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voorbij. Hoewel door de man niet is aangevoerd dat er geen lotsverbondenheid is, overweegt de rechtbank dat in casu in zekere mate sprake is van lotsverbondenheid tussen partijen, niet alleen door het huwelijk maar ook door de daaraan voorafgaande langdurige (lat)relatie van partijen. De rechtbank heeft hierbij tevens in aanmerking genomen het feit dat de vrouw alvorens zij met de man ging samenwonen haar eigen woning alsmede haar WWB-uitkering heeft prijsgegeven om met de man een nieuw leven te beginnen. Het enkele feit dat partijen slechts twaalf dagen feitelijk hebben samengewoond doet aan voorgaande niet af, temeer nu gehuwden ook niet verplicht zijn feitelijk samen te wonen. De rechtbank zal dan ook de wettelijke onderhoudsverplichting tussen gewezen echtgenoten tot uitgangspunt nemen.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw

De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De vrouw betwist dat.

De rechtbank is van oordeel dat voor de behoefte van de vrouw geen aansluiting dient te worden gezocht bij het voormalig gezinsinkomen van partijen, nu dit geen juiste indicatie geeft van de welstand waaraan de vrouw gewend was. Vast staat immers dat partijen slechts twaalf dagen een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd en dat de vrouw reeds geruime tijd voor het huwelijk tot het moment waarop zij met de man feitelijk is gaan samenwonen heeft geleefd van een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande. De rechtbank stelt de behoefte van de vrouw daarom gelijk aan voormelde WWB-uitkering van € 936,- netto per maand. De door de vrouw verzochte bijdrage van € 1.000,- bruto per maand overstijgt haar behoefte dan ook niet.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw mag worden verlangd en verwacht dat zij al het mogelijke doet om in eigen levensonderhoud te voorzien. Gezien echter haar leeftijd (thans 51 jaar), de situatie op de arbeidsmarkt en de omstandigheid dat de vrouw in Nederland nog nooit aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, valt naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat de vrouw binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, zoals hiervoor is overwogen, van € 1.000,- bruto per maand staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

Nu door de man niet is betwist dat hij draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen, zal de rechtbank deze bijdrage vaststellen.

Ten aanzien van de proceskosten

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

I. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 13 juni 2012 te [plaats] gehuwd.

II. Bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 1.000,- (éénduizend euro) per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

III. Beveelt partijen om, zodra de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met elkaar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap waarin zij zijn gehuwd.

IV. Benoemt notaris mr. K.F. Bolding te Almelo tot notaris, voor wie de werkzaamheden van die verdeling zullen plaats hebben op een door die notaris te bepalen tijdstip en plaats. Dit tenzij partijen binnen veertien dagen nadat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een andere notaris kiezen.

Verstaat dat de kosten die de benoemde of gekozen notaris voor deze werkzaamheden maakt, ten laste van de te verdelen gemeenschap komen.

Benoemt mr. W.H. Kesler, advocaat te Enschede, tot onzijdig persoon om diegene te vertegenwoordigen die weigert aan de verdeling mee te werken.

V. Verklaart de onderdelen II., III. en IV uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

VII. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. M.H. van der Lecq, voorzitter, en mr. T.M. Blankestijn en mr. S. Taalman, leden, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012 in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.