Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BV0498

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
119455 / HA ZA 11-279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening; 6:127 lid 1 en lid 2 BW. Voor de verplichting tot schadevergoeding op grond van een tekortkoming in de nakoming dient sprake te zijn van verzuim; 6:83 sub b en sub c BW. Geen fatale termijn overeengekomen; geen schriftelijke ingebrekestelling verstuurd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 119455 / HA ZA 11-279

Datum vonnis: 21 december 2011 (b)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1.[eiseres 1]

gevestigd te [plaats]

2.[eiser 2],

wonende te [plaats],

3.[eiser 3],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. C. Langereis te Zoetermeer,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DEINSE MEDIA B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

2.[gedaagde 2],

wonende te Enschede,

gedaagden,

advocaat mr. M.S. van Knippenberg te Almelo.

Partijen zullen hierna [eiseres 1], Van Deinse Media en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. Het procesverloop

1.1. De rechtbank heeft op 19 juni 2011 een tussenvonnis gewezen en neemt over hetgeen onder procesverloop in dat vonnis is overwogen. In het tussenvonnis is een comparitie van partijen bevolen.

1.2. [eiseres 1] en Van Deinse Media hebben de rechtbank, voorafgaand aan de comparitie, nadere stukken toegezonden.

1.3. Op 17 november 2011 heeft de comparitie van partijen plaats gevonden. Van deze comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

1.4. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De beoordeling

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.2. Als eerste vraag ligt aan de rechtbank voor met welke partij [eiseres 1] de aannemingsovereenkomst is aangegaan.

Aan haar primaire standpunt dat zij zich met Van Deinse Media heeft verbonden heeft [eiseres 1] ten grondslag gelegd dat alle onderhandelingen in het kantoor van Van Deinse Media hebben plaats gevonden en de facturen door [eiseres 1], zoals door [gedaagde 2] verzocht, op naam van Van Deinse Media zijn gesteld.

Door Van Deinse Media is onweersproken gelaten dat de overeenkomst op deze wijze tot stand is gekomen. Eveneens staat als onbetwist vast dat een groot gedeelte van de facturen

– zonder protest tegen de tenaamstelling – is betaald.

[gedaagde 2] heeft, als directeur van Van Deinse Media, weersproken dat Van Deinse Media een overeenkomst met [eiseres 1] is aangegaan en hiertoe aangevoerd dat een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiseres 1] en [gedaagde 2] in privé. Dit blijkt volgens hem onder andere uit het feit dat hij in privé heeft gecorrespondeerd over (het uitblijven van) de betaling. Daarnaast heeft [gedaagde 2] aangevoerd dat hij in privé eigenaar is van het pand waar de werkzaamheden zijn verricht en hiertoe een uittreksel uit het kadaster overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres 1] uit de feitelijke gang van zaken bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft mogen afleiden dat zij deze met Van Deinse Media is aangegaan. Hieraan doen de door [gedaagde 2] aangevoerde omstandigheden niets af. Immers, in het geval [gedaagde 2] in privé een overeenkomst met [eiseres 1] aan heeft willen gaan, had het op zijn weg gelegen bij de totstandkoming er van mededelingen daaromtrent te doen. Gesteld noch gebleken is dat hij dergelijke mededelingen heeft gedaan. Ook de enkele vaststelling dat de betaling door [gedaagde 2] zelf is verricht, leidt niet tot een ander oordeel.

2.3. De rechtbank zal daarom slechts de primaire vordering van [eiseres 1] hebben te beoordelen, zodat aan het subsidiair - en meer subsidiair gevorderde voorbij zal worden gegaan.

Van Deinse Media heeft de verschuldigdheid van het door [eiseres 1]gevorderde bedrag van € 6.756,26 niet betwist, maar weersproken dat zij tot de betaling van dit bedrag over dient te gaan. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij het nog openstaande bedrag kan verrekenen met een vordering op [eiseres 1].

2.4. Volgens artikel 6:127 lid 1 BW kan de schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaren dat hij zijn schuld met een vordering verrekent. In dat geval gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet.

Lid 2 van ditzelfde artikel bepaalt dat een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening heeft wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld ten opzichte van dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.

2.5. Voordat de rechtbank over zal gaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verweer tot verrekening overweegt de rechtbank dat, nu zij heeft vastgesteld dat [eiseres 1] een overeenkomst is aangegaan met Van Deinse Media, slechts ter beoordeling ligt of Van Deinse Media een opeisbare vordering op [eiseres 1] heeft. Voor zover [gedaagde 2] heeft gesteld in privé schade geleden te hebben tengevolge waarvan hij een vordering op [eiseres 1] meent te hebben, komt deze ingevolge artikel 6: 127 lid 1 BW niet voor verrekening met de vordering van [eiseres 1] op Van Deinse Media in aanmerking.

2.6. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde 2] – klaarblijkelijk als directeur van Van Deinse Media – per brief van 11 oktober 2010 aan [eiseres 1] heeft verklaard dat hij de schuld met een (tegen)vordering verrekent. In deze brief is toegezegd

– ten aanzien van het totale factuurbedrag van € 31.646,60 (inclusief BTW) – een bedrag van € 24.890,39 te betalen.

2.7. Aan het verrekeningsverweer heeft Van Deinse Media ten grondslag gelegd dat [eiseres 1] is tekort gekomen in de nakoming van de overeenkomst van aanneming van werk. Volgens haar is de overeengekomen fatale termijn voor de oplevering per 1 augustus 2010 niet gehaald door [eiseres 1]. In goed overleg zijn partijen vervolgens overeengekomen dat in ieder geval 12 augustus 2010 de patchkast en de daarbij behorende elektronische zuilen gereed zouden zijn omdat het pand dan in gebruik zou worden genomen. Omdat de door [eiseres 1] geïnstalleerde patchkast op 11 augustus 2010 niet bleek te corresponderen met de elektronische zuilen waar de apparatuur (o.a. telefoon, computer en faxapparaat) op aangesloten diende te worden, was het niet mogelijk om op 12 augustus 2010 het pand in gebruik te nemen. Van Deinse Media heeft derhalve een dag omzet misgelopen omdat zij op 12 augustus 2010 geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten.

2.8. De rechtbank stelt voorop dat voor de verplichting tot schadevergoeding op grond van een tekortkoming in de nakoming sprake dient te zijn van verzuim, tenzij sprake is van het – niet gestelde – geval dat de nakoming blijvend onmogelijk is.

Van verzuim is sprake als de schuldenaar op deugdelijke wijze schriftelijk ten aanzien van de tekortkoming in gebreke is gesteld en nakoming binnen een daarvoor gestelde redelijke termijn uitblijft. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in, indien een termijn voor nakoming verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, of in de – eveneens niet gestelde – gevallen van artikel 6:83 sub b en sub c BW.

[eiseres 1] heeft weersproken dat er een fatale termijn van 1 augustus 2010 voor de oplevering van de patchkast is overeengekomen. Volgens afspraak heeft zij ook na de bouwvakvakantie (week 31-33) nog werkzaamheden verricht.

Voorts heeft [eiseres 1] aangevoerd dat de patchkast op 11 augustus 2010 wel degelijk functioneerde. Slechts de nummering op de lijnen moest nog worden aangebracht, dit heeft zij na haar vakantie gedaan en dit heeft slechts een half uur werk gekost. De patchkast zelf had gewoon gebruikt kunnen worden. Immers, vanwege een logische volgorde in een dergelijke kast zou ‘een beetje installateur’ de kast hebben moeten kunnen aansluiten. Het aansluiten van de apparatuur op de patchkast zou overigens door een systeembeheerder van Van Deinse Media worden verricht.

2.9. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres 1] dat een fatale termijn tussen partijen is overeengekomen, heeft het op de weg van Van Deinse Media gelegen om nadere feiten en omstandigheden aan haar stelling ten grondslag te leggen. Door Van Deinse Media zijn hiertoe ter comparitie geen nadere feiten of omstandigheden gesteld en eveneens heeft zij hiertoe – anders dan in algemene bewoordingen – geen bewijsaanbod gedaan. De rechtbank zal daarom voorbijgaan aan de stelling dat tussen partijen een fatale termijn is overeengekomen.

2.10. Ter comparitie heeft Van Deinse Media erkend dat er geen schriftelijke ingebrekestelling is verstuurd aan [eiseres 1]. Wel heeft Van Deinse Media gesteld dat er is getelefoneerd en ge-sms’t met [eiseres 1]. In de twee door haar overgelegde sms’jes staat vermeld, voor zover hier van belang: “kun je me bellen! We hebben een vraag over de patchkast.” en “We kunnen niet verder, bel me even.”. Naar oordeel van de rechtbank blijkt uit de gebruikte bewoordingen niet dat [eiseres 1] ten aanzien van de werking/oplevering van de patchkast in gebreke is gesteld in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW.

2.11. Omdat Van Deinse Media overigens geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit het verzuim van [eiseres 1] of een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst kan worden afgeleid, zal de rechtbank voorbijgaan aan het verweer van Van Deinse Media dat zij de vordering van [eiseres 1] kan verrekenen met een opeisbare vordering op [eiseres 1].

2.12. Hieruit vloeit voort dat het primair gevorderde bedrag van € 6.756,26 zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf veertien dagen na de respectieve factuurdata.

2.13. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 833,00 worden als onweersproken toegewezen.

2.14. Van Deinse Media zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiseres 1] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht 258,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.102,31

2.15. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Van Deinse Media om aan [eiseres 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 7.589,26 (zevenduizendvijfhonderdnegenentachtig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke (handels)rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 6.756,26 telkens vanaf 14 dagen na de respectieve factuurdata, tot de dag van volledige betaling;

3.2. veroordeelt Van Deinse Media in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres 1] tot op heden begroot op € 1.102,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3. veroordeelt Van Deinse Media in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,= zonder betekening en € 199,= in geval van betekening, indien en voor zover Van Deinse Media niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan;

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.H. Margadant en is op 21 december 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.?