Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BV0016

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
03-01-2012
Zaaknummer
95506 HAZA 08-732
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:4346, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omkeringsregel;

Aegon geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de brand in C1000[Y] is ontstaan in de door Cogas beoordeelde elektraverdeelinstallatie en in het bewijs van haar stellingen dat Cogas bij het verrichten van de keuring bij C1000[Y] in strijd met de zorgvuldigheid, die zij in het maatschappelijk verkeer jegens C1000[Y] in acht had dienen te nemen, heeft gehandeld, onder meer doordat zij zich niet heeft gehouden aan de van toepassing zijnde NEN-normen en niet adequaat heeft gereageerd.

De rechtbank overweegt dat de NEN-normen specifiek strekken ter voorkoming van brandgevaar, dat het brandgevaar door bedoelde normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot en dat het brandgevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, waarmee het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging door Cogas jegens C1000[Y] en het ontstaan van de schade moet worden aangenomen, behoudens door Cogas te leveren tegenbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 95506 HAZA 08-732

datum vonnis: 21 december 2011 (mlo)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

eiseres,

verder te noemen Aegon,

procesadvocaat: mr. J.A. Holsbrink te Enschede,

behandelend advocaat: mr. P.P.H. Lems te ’s-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COGAS ENERGIE B.V.,

gevestigd te Almelo,

gedaagde,

verder te noemen Cogas,

procesadvocaat: mr. E.D. Breuning ten Cate te Almelo,

behandelend advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem.

Het procesverloop

Op 15 april 2009, 5 augustus 2009 en 17 november 2010 heeft de rechtbank tussenvonnissen gewezen.

Zij neemt hier over hetgeen zij in deze tussenvonnissen over het procesverloop heeft overwogen. In laatstgenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank de heer ing. [K], voorheen verbonden aan Bureau Veritas en thans algemeen directeur van Nimirco B.V. tot deskundige benoemd.

Op 12 april 2011 is het door de deskundige uitgebrachte deskundigenbericht ter griffie ingekomen. Aegon heeft hierna geconcludeerd na deskundigenbericht, waarna Cogas een antwoordconclusie na deskundigenbericht heeft genomen, onder overlegging van twee producties. Vervolgens heeft Aegon een antwoordconclusie na deskundigenbericht tevens akte uitlating producties genomen. Cogas heeft vervolgens pleidooi gevraagd, waartegen door Aegon bezwaar is gemaakt. De rechtbank heeft pleidooi toegestaan, welk pleidooi heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 november 2011. Door beide partijen zijn pleitnota’s overgelegd, welke zich bij de stukken bevinden.

Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd.

Vonnis wordt heden uitgesproken.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. De rechtbank neemt over hetgeen zij in de hiervoor genoemde tussenvonnissen heeft overwogen en beslist.

2. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 november 2010 een deskundigenonderzoek gelast door de heer ing. [K] voornoemd en deze deskundige de in rechtsoverweging 11. van dat tussenvonnis geformuleerde vragen ter beantwoording voorgelegd.

3. De deskundige heeft deze vragen als volgt beantwoord:

“A. Blijkens hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 1 sub e van het tussenvonnis van 15 april 2009, is door de inspecteur van Cogas opgemerkt dat op één van de twee hoofdleidingen, die vanuit een trafostation naar de elektraverdeelinstallatie van C1000 liepen (L1 en L2) geen spanning stond, te weten op L1 en dat de hoogst gemeten temperatuur op de andere (werkende) leiding (L2) 74,9 °C was.

Op pagina 6 van genoemd rapport is onder 6.2 Thermografische controle met een rood lettertype het volgende opgenomen:

“Let op!!!!!

De aardlitze van de voedingskabels vanuit het trafostation zijn t.p.v. de hoofdschakelaar niet afgemonteerd (zie foto). Voorheen is dit wel geweest.

De gemeten stroom in fase L1 van de voorste leiding is 0 ampère. Waarschijnlijk is de zekering van L1 (kabel 1) in trafostation defect. De totale stroom van L1 gaat nu door kabel 2. Dit is ook waar te nemen door een lichte verkleuring van de ader (zie pijl op foto). (nader onderzoek gewenst).”

B. Blijkens hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 1 sub f van het tussenvonnis van 15 april 2009 heeft Cogas genoemd rapport op 24 februari 2006 aan [X] gezonden. Melding aan de installatieverantwoordelijke de heer [Y] door Cogas heeft niet plaatsgevonden. [X] heeft het rapport op 20 maart 2006 aan C1000 [Y] gestuurd.

1. Kunt u vanuit uw specifieke deskundigheid in de branche aangeven of en zo ja in hoeverre de onder A. hiervoor geciteerde bevindingen door Cogas dienen te worden aangemerkt als

“gebreken in de installatie, waardoor gevaar bestaat”, als bedoeld in artikel 4.3.109 van NEN 3140 en/of als “gebreken die een onmiddellijk gevaar vormen”, als bedoeld in artikel 5.3.3.4 van NEN-EN 50110?

Wilt u daarbij aandacht besteden aan de vraag of de term ‘gevaar’ van de NEN 3140 op dezelfde of op andere wijze dient te worden geïnterpreteerd als de term ‘onmiddellijk gevaar’ van de NEN 50110?

A.1.a. Antwoord op vraag 1.a

Uit het bovenstaande blijkt dat het volgende gebrek in de installatie in de hoofdverdeelinrichting aanwezig was ten tijde van de inspectie:

a. Het begrip spanning en stroom worden hier door elkaar gehaald. De ader stond wel degelijk onder spanning maar één van de aders van de twee voedingskabels voerde geen stroom waardoor de totale belastingstroom van fase L1 door slechts één ader vloeit. Ten gevolge hiervan kan er een overbelasting optreden in de nog functionerende ader. In bijlage 1 is uitgebreid ingegaan op overbelastbaarheid van kabels. Het gebrek dat hier is geconstateerd betreft de fase die geen stroom voerde.

b. De tweede opmerking is de constatering dat de temperatuur van de nog functionerende ader 74,9 °C bedroeg. Deze constatering is op zich geen gebrek maar een gevolg van het onder a genoemde gebrek.

c. Het niet afmonteren van de aardlitzen van de voedingskabels is geen relevant gebrek met betrekking tot deze situatie omdat de aardlitzen van dit soort kabels veelal alleen aan de voedende zijde met aarde worden verbonden. De voedingskabels bestonden uit 2 parallelle kabels van 4x95mm2. De fasen L1, L2 en L3 bestaan uit 2 aders en daarnaast heeft men nog een nulleider en een beschermingsleiding aangesloten. De installatie was op deze wijze verzekerd van een goede aarding, hetgeen ook blijkt uit de gemeten waarde op blad 5; de gemeten circuitimpedantie bedroeg 0,01O.

Ten gevolge van het onder a genoemde gebrek is er gevaar aanwezig dat er een situatie ontstaat als overbelasting of een onvolkomen sluiting. De temperatuur van de isolatie van de ader van de kabel zal hierdoor sterk toenemen. Indien de kabel op een juiste wijze is beveiligd, zal de beveiliging tijdig aanspreken en de gevaarlijke situatie zal worden afgeschakeld.

Op basis van de verstrekte tekening E3P10336 nr. IS-OO van 16-04-2004 blijkt dat geen beveiliging aan het begin van kabel is toegepast. Zie tevens bijlage 4 “Overzicht situatie”.

In het rapport van Cogas met certificatienummer KC03.497 en projectnummer NEN2006.15 versie november 2005 is op bladzijde 3 onder “2. Installatiegegevens” aangegeven dat de waarde van de hoofdbeveiliging niet bekend is en tevens is de eerder genoemde tekening vermeld.

Op basis van het geconstateerde gebrek, de aanwezige gegevens in de vorm van een tekening, kan worden geconstateerd dat geen beveiliging aan het begin van de kabel is toegepast of de waarde van de hoofdbeveiliging niet kan worden vastgesteld voor de secundaire zijde van de transformator (ofwel het begin van de voedingsleiding).

Hierdoor kan met zekerheid worden vastgesteld dat deze situatie (het gebrek) een onmiddellijk gevaar vormt.

Door de temperatuurverhoging kan er een onvolledige sluiting ontstaan. Hierdoor kan het vermogen van de transformator door slechts één ader gaan vloeien. Voordat de beveiliging aan de primaire zijde van de transformator aan zal spreken zal er een zeer grote stroom moeten vloeien.

In bijlage 3 is een onderbouwing gegeven van de temperatuur die de kabel kan bereiken. De zelfontbrandingstemperatuur van de gebruikte kabel is = 350 °C.

(…)

A.1.b Antwoord op vraag 1.b

De normen NEN-EN 50110 en de NEN 3140 zijn onder andere gebaseerd op de beleidsregels arbeidsomstandigheden wetgeving, hoofdstuk 2 beleidsregels Arbeidsomstandighedenbesluit. In het besluit en bijbehorende beleidsregels wordt in de artikelen 3.4 en 3.5 ingegaan op de elektrotechnische installaties en elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden aan of nabij elektrische installaties. Vanuit de beleidsregels Arbeidsomstandighedenbesluit, zie hiervoor bijlage 8, wordt naar de desbetreffende normen verwezen.

De inspectie is uitgevoerd aan de hand van de NEN-EN 50110 en de NEN 3140. De installatie daarentegen moet aan de veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties vervat in de NEN 1010 voldoen. Daarom wordt gecontroleerd of de installatie dan ook voldoet aan de NEN 1010.

(…)

Het kenmerk van “onmiddellijk gevaar” volgens bovengenoemde normen is dus gelegen in levens- of brandgevaarlijke situaties die direct moeten worden verholpen.

Indien dit soort risicovolle situaties niet direct worden verholpen kunnen ten gevolge van deze gebreken gewonden en/of doden vallen en/of brand ontstaan. In dit soort risicovolle situaties zal men besluiten het betreffende deel van de elektrische installatie direct af te koppelen en de gebreken te verhelpen. In deze situatie dus de gehele installatie.

Afhankelijk van de ernst van de geconstateerde gebreken en het gevolg daarvan zal men besluiten “direct” dan wel “op korte termijn” de gebreken te verhelpen. Op basis van de verplichtingen van de werknemer, artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet lid e, is iedere werknemer verplicht de opgemerkte gevaren voor veiligheid of gezondheid terstond ter kennis te brengen aan de werkgever of degenen die namens de werkgever met de leiding is belast. Gezien de aanwezige vakkennis op dit gebied is voorbijgegaan aan de urgentie van het gevaar.

Het gebrek zoals geconstateerd in het rapport van Cogas dient te worden beschouwd als een “onmiddellijk gevaar”.

2. Welk voorschrift/welke norm heeft Cogas, in acht genomen uw antwoord op vraag 1. hiervoor en gezien de omstandigheden van het geval, met de door haar gemaakte opmerking in haar rapport van 24 februari 2006 -zoals hiervoor onder A. geciteerd- en de daarop gevolgde handelwijze -zoals hiervoor weergegeven onder B.- geschonden?

A.2 Antwoord op vraag 2

De geconstateerde situatie was van dien aard, hetgeen ook uit de verdere rapportage blijkt namelijk verkleuring van de ader en een aanwezige temperatuur van 74,9 °C, dat ter stond melding aan de installatieverantwoordelijke had moeten plaatsvinden zodat deze gericht actie had kunnen ondernemen.

(…)

3. Indien het antwoord op vraag 2. luidt dat u van mening bent dat sprake is geweest van schending van een voorschrift/norm door Cogas, welke maatregelen had zij dan naar uw deskundig oordeel kunnen en redelijkerwijs dienen te nemen?

A.3 Antwoord op vraag 3

De inspecteur van Cogas had direct dan wel direct na uitvoering van de inspectie van de elektrische installatie de installatieverantwoordelijke mondeling (telefonisch) moeten inlichten omtrent het geconstateerde ernstige gebrek. Indien de installatieverantwoordelijke niet bereikbaar zou zijn geweest had de bedrijfsleider van de C1000 direct moeten worden geïnformeerd, omtrent het geconstateerde ernstige gebrek, zodat deze adequate maatregelen had kunnen treffen.

4. Heeft u overigens nog opmerkingen op het terrein van uw deskundigheid die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?

A.4 Antwoord op vraag 4

Onafhankelijk of er sprake is van een schending van voorschrift/norm zal afhankelijk van de informatie die in de vorm van tekeningen al dan niet aanwezig zijn, de volgende maatregel moeten worden genomen:

a. Indien men de beschikking heeft over gegevens in de vorm van tekeningen:

Indien de inspecteur over de nodige gegevens beschikte, zoals tekeningen, hetgeen volgens de NEN 3140 bepaling 4.7 verplicht was, was er voldoende informatie voorhanden welk “onmiddellijk gevaar” met name brandgevaar er aanwezig was. In bijlage 4 is te zien dat de compact trafo aan de secundaire zijde, begin van de voedingskabel niet is voorzien van beveiligingen. Ten gevolge van het ontbreken van beveiligingen aan het begin van de kabel, kunnen namelijk hele grote stromen gaan vloeien alvorens de beveiliging aan de primaire zijde zal doen aanspreken als gevolg van een fout in het deel van de elektrische installaties tussen de secundaire zijde van de compact transformator en de hoofdautomaat van de hoofdverdeelinrichting. Met deze kennis en daarbij het geconstateerde gebrek zou men de ernst van de situatie moeten inzien.

b. Indien men geen gegevens in de vorm van tekeningen ter beschikking heeft:

Indien geen informatie ter beschikking zou zijn geweest, hetgeen niet voorstelbaar is omdat op bladzijde 3 van het inspectierapport onder 2 installatiegegevens de desbetreffende tekening wordt genoemd, dient men eveneens de ernst van de situatie in te zien.

Zowel onder a als onder b dient in het eindgesprek met de installatieverantwoordelijke de geconstateerde gebreken van de installatie te worden doorgenomen.

Direct na afloop van de inspectie dienen de geconstateerde gebreken met de installatieverantwoordelijke te worden doorgenomen zodat er indien noodzakelijk treffende maatregelen kunnen worden genomen. Uit de rapportage blijkt niet dat de bevindingen (mondeling/telefonisch) zijn doorgenomen met de installatieverantwoordelijke.

De installatieverantwoordelijke krijgt meestal na een aantal dagen (weken) het definitieve inspectierapport waardoor er onnodig tijd voor het treffen van doeltreffende herstelmaatregelen verloren gaat.

(...)"

4. Aegon heeft bij conclusie na deskundigenbericht gesteld zich geheel te kunnen vinden in de bevindingen van [K]. Zij heeft geconcludeerd dat na het deskundigenrapport van [B] en het nadien door de rechtbank gewezen tussenvonnis in deze procedure vaststaat dat de schade is ontstaan door een gebrek in de schakelinstallatie, dat [K] vervolgens heeft geconcludeerd dat sprake was van een onmiddellijk gevaar en dat Cogas niet adequaat heeft gereageerd op het geconstateerde gebrek en dat zij heeft gehandeld in strijd met de toepasselijke NEN-normen. Verder heeft zij gesteld dat de deskundige heeft opgemerkt dat Cogas de ernst van het gebrek had moeten zien, ongeacht de vraag of zij ten tijde van de keuring over tekeningen van de installatie beschikte en dat [K] ten overvloede nog eens duidelijk heeft gemaakt wat het belang is van het direct informeren van de installatieverantwoordelijke. Aegon heeft gesteld dat, los van het tijdsverloop tussen de keuring en de brand, blijft vast staan dat Cogas niet mocht volstaan met het enkele versturen van het rapport en dat op grond van het deskundigenbericht het causaal verband tussen het tekortschieten van Cogas en de schade moet worden aangenomen, waarbij Aegon zich reeds bij repliek heeft beroepen op toepasselijkheid van de omkeringsregel. Met het rapport van [K] is gegeven dat sprake is geweest van schending van specifieke normen, die juist bescherming beogen te bieden tegen brandgevaar. Door die schending is het risico op brand aanmerkelijk vergroot, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt.

5. Cogas heeft bij antwoordconclusie na deskundigenbericht, onder overlegging van de reactie van een expert van Cogas, de heer [G], bezwaar gemaakt tegen het deskundigenbericht van [K]. Cogas is primair van mening dat het uitgangpunt van [K], dat er geen sprake was van secundaire beveiliging of dat de waarde van de hoofdbeveiliging niet kon worden vastgesteld, onjuist is. De redenering van [K] volgend was er dus juist géén sprake van onmiddellijk gevaar. Subsidiair en voor zover de beveiliging wel afwezig zou zijn geweest, heeft Cogas betwist dat de Cogas inspecteur op de hoogte had moeten zijn van het ontbreken van de beveiliging. Terzijde heeft zij opgemerkt dat de verhoogde temperatuur van 74,9 °C op zichzelf geen indicatie is van onmiddellijk gevaar, nu deze temperatuur ruim onder de door [K] aangegeven ontbrandingstemperatuur van de kabel (meer dan 350 °C) ligt.

Voor zover al sprake was van onmiddellijk gevaar is dit onmiddellijke gevaar niet opgemerkt door de Cogas-inspecteur en had hij dit ook niet behoeven op te merken. Ook huisinstallateur [L] heeft, ondanks een geroken brandlucht, geen 'onmiddellijk gevaar' gezien in de wijze waarop de installatie (door hem?) was gerealiseerd en/of functioneerde. [L] heeft deze niet buiten gebruik laten stellen of maatregelen ter aanpassing genomen. Voorts heeft Cogas gesteld dat een inspectie, ook een minder optimale inspectie, geen brand veroorzaakt. Hooguit had een (nog) betere inspectie de kans op het voorkomen van brand nog verder vergroot. De oorzaak van de brand is en blijft volgens Cogas een eigen gebrek aan de installatie, waarvoor Cogas nimmer aansprakelijk is.

Verder heeft Cogas alle eerder genoemde verweren ten aanzien van het causaal verband gehandhaafd. Centraal punt daarin is volgens haar dat een directere waarschuwing van Cogas niet tot meer zou hebben geleid dan thans daags voor de brand door de rook gebeurde: namelijk het inschakelen van de huisinstallateur. Aldus heeft Cogas het causaal verband tussen haar vermeende tekortkoming en de schade betwist en heeft zij gesteld dat, als haar al een verwijt valt te maken dat zij niet heeft onderkend dat er sprake was van een onmiddellijk gevaar en dit niet direct heeft gemeld, dit verwijt evengoed aan huisinstallateur [L] valt te maken. Blijkbaar vond ook [L], die daags voor de brand aanwezig was in de hoofdverdeelinrichting van C1000 [Y], dat er geen sprake was van een onmiddellijk gevaar.

6. Bij pleidooi heeft Cogas haar stellingen nader toegelicht. Zo heeft zij haar bemerkingen ten aanzien van het rapport van [B] herhaald, heeft zij verwezen naar haar bij antwoordakte gemaakte bezwaren tegen het rapport van [K] en is zij nader ingegaan op het causaal verband tussen de tekortkoming en de schade, waarbij zij wederom heeft betoogd dat dit causaal verband ontbreekt. Zij heeft gesteld dat 'wat’ wonderlijk is dat Aegon nu de vruchten zou kunnen plukken van een niet positief vastgestelde oorzaak van de schade, hetgeen temeer klemt omdat Cogas door het ontbreken van de elektraverdeelinstallatie onmogelijk kan aantonen wat de huisinstallateur heeft gedaan en meer in het bijzonder wat deze verkeerd heeft gedaan. De verzekeringnemer van Aegon heeft daar, als opdrachtgever van de installateur, veel meer zicht op. Een niet opgehelderde brandoorzaak is overigens bij uitstek het nut van een eigen brandverzekering en voor dat risicio heeft Aegon juist premie ontvangen.’

7. Aegon heeft met betrekking tot de door Cogas geuite bezwaren betoogd dat de rapportage van [K] duidelijk en deugdelijk is en dat er geen enkele reden is om het rapport en de conclusies daarbij buiten beschouwing te laten. Aegon heeft, na de door haar gemaakte bezwaren tegen het houden van een pleidooi, ter gelegenheid van bedoeld pleidooi eveneens haar stellingen nader toegelicht. Zij heeft daarbij geconcludeerd dat uit de rapporten van [B] en [K] ondubbelzinnig blijkt wat de plaats en de oorzaak van de schade was, dat er sprake was van een gebrek dat een onmiddellijk gevaar vormde, dat Cogas normen schond en dat als Cogas de normen zou hebben nageleefd, de brand naar alle waarschijnlijkheid niet zou zijn ontstaan. Cogas heeft op geen enkele wijze aangetoond dat er een andere oorzaak zou zijn geweest van de schade. Daarmee staat vast dat Cogas een onrechtmatige daad heeft gepleegd waardoor schade is ontstaan, aldus Aegon.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1 In rechtsoverweging 6. van het tussenvonnis van 17 november 2010 heeft de rechtbank overwogen dat zij het op 18 juni 2010 ter griffie ingekomen deskundigenbericht van de heer [B] begrijpelijk en voldoende onderbouwd acht en dat uit de in rechtsoverweging 3. van dat vonnis geciteerde antwoorden op de aan de deskundige ter beantwoording voorgelegde vragen, naar het oordeel van de rechtbank, volgt dat naar zijn oordeel de brand is ontstaan in de hoofdverdeelinrichting en wel op de locatie waar de verschillende aders van de hoofdstroomkabels op de verdeelinrichting waren aangesloten en dat hieruit tevens volgt dat het naar zijn oordeel zeer waarschijnlijk is dat een verhoogde temperatuur, in tenminste één ader van deze hoofdstroomkabel, tot een isolatiedefect heeft geleid, met onderhavige brand als resultaat.

De rechtbank heeft zich daarmee voldoende voorgelicht geacht omtrent het ontstaan en de oorzaak van de brand. Zij heeft het oordeel van de deskundige en de motivering daarvan, zoals weergegeven in het deskundigenbericht van 18 juni 2010, overgenomen.

In hetgeen Cogas heeft gesteld bij antwoordakte na deskundigenbericht van 1 juni 2011 en hetgeen Cogas ter gelegenheid van het op 18 november 2011 gehouden pleidooi heeft gesteld, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien terug te komen op haar bindende eindbeslissing, als bedoeld in deze rechtsoverweging.

8.2 In rechtsoverweging 7. van genoemd tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat, nu is komen vast te staan dat de brand in C1000 [Y] is ontstaan in de door Cogas beoordeelde hoofdverdeelinrichting, nader onderzoek zou dienen plaats te vinden naar de handelwijze van Cogas, waarna de rechtbank de vraag zou dienen te beantwoorden of Cogas bij het verrichten van de keuring bij C1000 [Y] al dan niet in strijd met de zorgvuldigheid, die zij in het maatschappelijk verkeer jegens C1000 [Y] in acht had dienen te nemen, heeft gehandeld.

8.3 In dit kader is deskundige [K] benoemd, die vervolgens heeft gerapporteerd, zoals verkort weergegeven in rechtsoverweging 3. van het onderhavige vonnis.

Met betrekking tot de door Cogas tegen dit rapport geuite bezwaren, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de rapportage van [K] volgt dat Cogas, nadat [K] zijn concept-rapport aan partijen had gezonden, een lijst met vragen en opmerkingen heeft toegezonden aan [K], die deze vragen en opmerkingen heeft opgenomen in zijn definitieve rapport (pagina's 15 en 16 van het rapport), evenals zijn reactie op deze vragen en opmerkingen (pagina's 16 en 17 van het rapport). De door Cogas gestelde vragen en gemaakte opmerkingen van Cogas zijn voor [K] geen reden geweest tot herziening van zijn conclusies, zoals verkort weergegeven in rechtsoverweging 3. van dit vonnis.

Eerst na het verschijnen van het definitieve rapport van [K] heeft Cogas bij antwoordakte na deskundigenbericht een reactie van haar medewerker de heer [G] overgelegd, waaruit wederom blijkt van bezwaren tegen het deskundigenbericht. De rechtbank overweegt dat, voor zover deze bezwaren nog niet aan de deskundige waren voorgelegd en door deze besproken, de bezwaren thans tardief zijn opgeworpen. Bovendien betreft het oordeel van [G] het oordeel van een partij-deskundige, nu tussen partijen vaststaat dat [G] een medewerker van Cogas is. Hoewel Cogas geen verhoor van de deskundige, als bedoeld in artikel 194 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) heeft verzocht, heeft zij bij pleidooi voorgesteld om eventuele nadere kosten van bijvoorbeeld [K], om zich alsnog over de nagekomen reactie van Cogas te buigen, voor haar rekening te nemen, nu zij zelf ook erkent dat de door haar gehanteerde volgorde uit een oogpunt van proceseconomie niet optimaal is. Afgezien van het late tijdstip van indiening van de bezwaren, heeft de rechtbank ook inhoudelijk geen reden gezien om [K] aanvullende vragen voor te leggen. Met betrekking tot de primaire stelling van Cogas, zoals weergegeven in rechtsoverweging 5. van dit vonnis, overweegt de rechtbank dat [K] uitvoerig is ingegaan op de beveiliging van de installatie en hij onder meer in paragraaf 6.2.3 onder 4. op pagina 16 heeft gesteld 'In samenspraak met de netbeheerder wordt voor een beveiliging gekozen. In deze situatie is gekozen om de beveiliging aan de primaire zijde van de transformator aan te brengen. Deze beveiliging is dan een kortsluitbeveiliging. De beveiliging aan de secundaire zijde is in de hoofdverdeelinrichting opgenomen als zijnde een vermogensautomaat NS 630 STR23SE. De kabels zijn op deze aansluiting, voor de vermogensautomaat, gerealiseerd en de temperatuurverhoging heeft zich voorgedaan op deze aansluiting een en ander volgens het inspectierapport bladzijde 6.'

Met betrekking tot de subsidiaire stelling van Cogas, dat de inspecteur niet op de hoogte had moeten zijn van het ontbreken van de beveiliging, overweegt de rechtbank dat [K] daarop uitvoerig is ingegaan bij de beantwoording van vraag 4. op pagina 14 van het rapport.

Met betrekking tot de opmerking van Cogas dat de verhoogde temperatuur van 74,9 °C op zichzelf geen indicatie is van onmiddellijk gevaar, overweegt de rechtbank dat uit onder meer de beantwoording van vraag 2. door [K] volgt dat 'de geconstateerde situatie van dien aard was, hetgeen uit ook de verdere rapportage blijkt namelijk verkleuring van de ader en een aanwezige temperatuur van 74,9 °C, dat ter stond melding aan de installatieverantwoordelijke had moeten plaatsvinden zodat deze gericht actie had kunnen ondernemen.' Tenslotte heeft de deskundige ook de stelling van Cogas dat sprake was van een gebrek aan de installatie bestreden (paragraaf 6.2.3 onder 4. op pagina 16 van het rapport).

Waar de door Cogas geuite bezwaren tegen het rapport van deskundige [K] voor de rechtbank geen aanleiding vormen, tot het stellen van aanvullende vragen aan de deskundige, zijn deze bezwaren, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zeker niet aan te merken als zodanig zwaarwegend en steekhoudend, dat zij voor de rechtbank aanleiding zijn om het rapport van [K] geheel of ten dele naast zich neer te leggen.

8.4 De rechtbank acht het op 12 april 2011 ter griffie ingekomen deskundigenbericht van de heer [K] begrijpelijk en voldoende onderbouwd. Uit de in rechtsoverweging 3. geciteerde antwoorden op de aan de deskundige ter beantwoording voorgelegde vragen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat naar zijn oordeel sprake was van een gebrek in de installatie in de hoofdverdeelinrichting ten tijde van de inspectie, betreffende de fase die geen stroom voerde, dat dit gebrek een onmiddellijk gevaar vormde, gelegen in levens- of brandgevaarlijke situaties die direct moeten worden verholpen, er sprake was van schending door Cogas van de normen, neergelegd in artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet en de normen van NEN-EN 50110 en NEN 3140 en de inspecteur van Cogas direct dan wel direct na uitvoering van de inspectie van de elektrische installatie de installatieverantwoordelijke mondeling (telefonisch) had moeten inlichten omtrent het geconstateerde ernstige gebrek, zodat deze adequate maatregelen had kunnen treffen, waarbij door de deskundige is opgemerkt dat men in dit soort risicovolle situaties zal besluiten het betreffende deel van de elektrische installatie direct af te koppelen en de gebreken te verhelpen.

8.5 Ingevolge het voorgaande acht de rechtbank Aegon geslaagd in het bewijs van haar stelling dat de brand in C1000 [Y] is ontstaan in de door Cogas beoordeelde elektraverdeelinstallatie (rechtsoverweging 4.4. van het tussenvonnis van 15 april 2009) en in het bewijs van haar stellingen dat Cogas bij het verrichten van de keuring bij C1000 [Y] in strijd met de zorgvuldigheid, die zij in het maatschappelijk verkeer jegens C1000 [Y] in acht had dienen te nemen, heeft gehandeld, onder meer doordat zij zich niet heeft gehouden aan de van toepassing zijnde NEN-normen en niet adequaat heeft gereageerd (rechtsoverweging 4.5. van het tussenvonnis van 15 april 2009).

8.6 Hoewel ten tijde van het wijzen van het tussenvonnis van 15 april 2009 nog geen sprake kon zijn van toepassing van de door de Hoge Raad (onder ander in haar arresten van 29 november 2002, RvdW 2002/190 en 191) geformuleerde omkeringsregel, inhoudende een uitzondering op de hoofdregel van artikel 150 Rv, omdat op dat moment noch de schadeoorzaak, noch de normschending door Cogas vaststond, is de rechtbank thans, in acht genomen de vorige rechtsoverweging, van oordeel dat deze omkeringsregel wel van toepassing is. Vorenbedoelde uitzondering op de hoofdregel van artikel 150 Rv behelst dat het bestaan van causaal verband (in de zin van conditio sine qua non-verband) tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst -waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt- dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. De Hoge Raad heeft de regel aangescherpt, in die zin dat voor het maken van de hiervoor bedoelde uitzondering alleen plaats is als het gaat om schending van een norm, die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot. De Hoge Raad heeft overwogen dat in dat geval het immers, gelet op de bescherming die een dergelijke norm beoogt te bieden, redelijk is, behoudens tegenbewijs, ervan uit te gaan dat, als het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen, zich heeft verwezenlijkt, zulks een gevolg moet zijn geweest van deze normschending.

De rechtbank overweegt dat de NEN-normen, die Cogas heeft geschonden, blijkens de door deskundige [K] geciteerde bepaling 131.1 van hoofdstuk 13 van de NEN 1010, specifiek strekken ter voorkoming van brandgevaar, dat het brandgevaar door bedoelde normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot en dat het brandgevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, waarmee het causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging door Cogas jegens C1000 [Y] en het ontstaan van de schade moet worden aangenomen, behoudens door Cogas te leveren tegenbewijs.

8.7 De rechtbank is van oordeel dat Cogas er niet in is geslaagd dit tegenbewijs te leveren, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat bedoelde schade (de brand) ook zonder de tekortkoming van Cogas zou zijn ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank had Cogas de brand kunnen voorkomen door meteen groot alarm te slaan en de installatieverantwoordelijke ertoe te bewegen het betreffende deel van de elektrische installatie direct af te koppelen en de gebreken te verhelpen. De rechtbank acht het aannemelijk dat tengevolge van het feit dat Cogas heeft volstaan met schriftelijke rapportage, welke zij pas na ommekomst van twee weken aan haar opdrachtgever [X] (en niet (ook) C1000) heeft verzonden en zonder daarbij te wijzen op onmiddellijk gevaar, [X] niet alert was op het in dat rapport vermelde gebrek en evenmin op snelle doorzending aan C1000 [Y]. C1000 [Y], die het rapport pas anderhalve maand na de inspectie door Cogas van [X] ontving, was naar waarschijnlijkheid evenmin alert, toen ze enkele dagen na ontvangst van het rapport een brandlucht rook en [L], die blijkens de als productie 16 bij repliek overgelegde werkbon, naar de oorzaak van de brandlucht moest gaan zoeken, evenmin. Na adequate melding door Cogas van het gebrek, inclusief melding van het hieruit voortvloeiende brandgevaar -welke melding achterwege is gebleven- had ofwel [L] tijdiger en gerichter kunnen zoeken en de gebreken kunnen verhelpen, ofwel had C1000 [Y] een ander dan [L] kunnen inschakelen en wellicht zelfs hulp en bijstand van Cogas kunnen vragen. De rechtbank ziet evenwel -gelet op het eigen schuld verweer van Cogas- aanleiding tot een vermindering van de vergoedingsplicht van Cogas, zoals hierna te bepalen.

8.8 De stelling van Cogas dat de causale keten tussen de keuring en de brand wordt doorbroken door inmenging van [L], één dag voor de brand, nu ook [L] de installatie, ondanks de geroken brandlucht, niet buiten werking heeft gesteld en op de werkbon slechts heeft vermeld dat maandag 27 maart iemand met spoed moest worden langs gestuurd, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, nu een eventuele fout van [L] de aansprakelijkheid van Cogas niet opheft. In geval sprake zou zijn van een fout van [L], hetgeen in deze procedure niet ter beoordeling van de rechtbank voorligt, zou dit hooguit kunnen leiden tot hoofdelijke aansprakelijkheid van Cogas en [L] jegens Aegon, die als gesubrogeerde partij (in de rechten van C1000 [Y]) alsdan, zowel Cogas als [L], op voet van het bepaalde in artikel 6:102 BW, hoofdelijk voor het geheel zou kunnen aanspreken. In het geval van hoofdelijke aansprakelijkheid zou -voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar zouden moeten bijdragen- de schade over hen worden verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Nu Aegon slechts Cogas en niet ook [L] in rechte heeft betrokken en Cogas [L] niet in vrijwaring heeft opgeroepen, kan deze bepaling niet in het kader van de onderhavige procedure plaatsvinden.

8.9 Het tijdsverloop tussen de keuring en de brand acht de rechtbank bovendien niet dusdanig dat dit tot een doorbreking van het causaal verband zou moeten leiden, nu naar het oordeel van de rechtbank op basis van voornoemde deskundigenberichten moet worden aangenomen dat de brand is ontstaan ten gevolge van het gebrek.

8.10 De stelling van Cogas, dat sprake is van eigen schuld van C1000 [Y], omdat C1000 [Y] ook geen enkele maatregel heeft getroffen naar aanleiding van het rapport van Cogas en evenmin na het bezoek van [L] naar aanleiding van de geroken brandlucht, treft gedeeltelijk doel. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd kan worden dat C1000 [Y] geen enkele maatregel heeft getroffen, nu zij immers [L] heeft ingeschakeld naar aanleiding van de door haar geroken brandlucht, had van C1000 [Y] mogen worden verwacht dat zij op het moment van het ruiken van de brandlucht, zich zou hebben gerealiseerd dat anderhalve maand daarvoor een keuring door Cogas had plaatsgevonden en had van haar mogen worden verwacht dat zij het rapport van Cogas, dat zij op dat moment reeds enkele dagen in haar bezit had, ter hand zou hebben gesteld aan [L], dit ondanks het feit dat C1000 [Y] door de wijze van rapporteren van Cogas -naar de rechtbank aannneemt- niet alert was op de brandgevaarlijkheid van de situatie. Aldus zou [L] gerichter hebben kunnen zoeken naar de oorzaak en het ontstaan van de brandlucht. Nu, naar het oordeel van de rechtbank, de schade -zij het voor een relatief gering gedeelte- mede het gevolg is van bovengenoemde omstandigheid, die aan C1000 [Y] kan worden toegerekend, ziet zij aanleiding de vergoedingsplicht van Cogas met 10% te verminderen.

8.11 De rechtbank houdt Cogas, ingevolge het voorgaande, aansprakelijk voor 90% van de door C1000 [Y] geleden schade, waarvan Aegon in deze procedure vergoeding vordert. In rechtsoverweging 10. van het tussenvonnis van 17 november 2010 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat het door Aegon op grond van de Bedrijfsregeling Brandregres 2000 gestelde regresrecht door Cogas als zodanig niet is betwist.

8.12 De omkeringsregel, als omschreven in rechtsoverweging 8.6 van dit vonnis, strekt zich niet uit tot de omvang van de schade, die in beginsel door de benadeelde moet worden aangetoond of aannemelijk gemaakt.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat Aegon in haar inleidende dagvaarding de volgende schadeposten heeft gevorderd:

- € 150.000,-- ter zake door haar op 26 april 2006 betaald voorschot;

- € 144.347,84 ter zake door haar op 11 oktober 2006 gedane slotbetaling.

Zij heeft dienaangaande gesteld dat de schade is vastgesteld in onderling overleg tussen schade-experts van Aegon ([E]) en C1000 [Y] (T) en is vastgelegd in de als productie 17 bij repliek overgelegde akte van taxatie.

Daaruit volgt dat de schade aan goederen is vastgesteld op € 98.758,-- aan inventaris op € 125.826,-- en de bedrijfsschade op € 30.721,--, in totaal derhalve op een bedrag van € 255.305,--. Aegon heeft gesteld dat zij boven de door de experts vastgestelde schade ook nog 10% aanvullende dekking heeft uitgekeerd (voor extra ongespecificeerde kosten vanwege de brand), terwijl in de slotuitkering ook de expertisekosten waren begrepen. Uit het als productie 9 bij dagvaarding overgelegde faxbericht van [W] Assurantiemakelaars B.V. is de rechtbank gebleken dat in de slotuitkering zijn begrepen de expertisekosten [E] ad € 7.912,31 en de kosten contra-expert ad € 6.450,--, welke kosten Aegon, blijkens rechtsoverweging 8.14 van dit vonnis, ook separaat van Cogas heeft gevorderd.

De rechtbank overweegt dat zij in deze procedure zal toewijzen 90% van het door de schade-experts van Aegon en C1000 [Y] vastgestelde bedrag ad € 255.305,--. Nu sprake is geweest van een tweezijdige vaststelling van schade door of namens zowel verzekeraar en verzekerde, heeft Cogas haar stelling, dat geen sprake is geweest van objectieve vaststelling van de schade, onvoldoende feitelijk onderbouwd, meer in het bijzonder gelet op de door de expert van [E] in de laatste alinea van pagina 5 van het rapport van [E] van 6 oktober 2006 gememoreerde werkwijze. Wel heeft Cogas, naar het oordeel van de rechtbank terecht, gesteld dat Cogas niet behoeft te vergoeden door Aegon aan C1000 [Y] uitgekeerde bedragen, die louter voortvloeien uit de door Aegon en C1000 [Y] gesloten verzekeringsovereenkomst. De 10% aanvullende uitkering zal de rechtbank om die reden in deze procedure niet toewijzen. De, als onderdeel van de slotuitkering, gevorderde expertisekosten zal de rechtbank in rechtsoverweging 8.14 hierna bespreken.

8.13 Aegon heeft voorts vergoeding van door haar gemaakte salvagekosten, ten bedrage van € 702,10, gevorderd, waarbij zij onbetwist heeft gesteld dat deze kosten zien op noodafdichting van het dak. Zij heeft gesteld dat de brandweer via de verzekeraarshulpdienst de dienstdoende salvagecoördinator heeft ingeschakeld, waarbij de kosten rechtstreeks aan haar in rekening zijn gebracht en ook door haar zijn voldaan. Cogas heeft gesteld dat bedoelde salvagekosten geen schade van C1000 [Y] is, nu Aegon die kosten heeft gedragen, weshalve Aegon voor dit deel van de vorderingen niet is gesubrogeerd.

De rechtbank overweegt dat kosten voor het maken van een noodafdichting van het dak wel degelijk zijn aan te merken als schade van C 1000 [Y]. Dat Aegon deze kosten rechtstreeks heeft voldaan voor C1000 [Y], kan daaraan niet afdoen.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 702,10 dan ook voor 90% toewijsbaar.

8.14 Onder punt 26 van de dagvaarding heeft Aegon voorts vergoeding gevorderd van de volgende bedragen:

- € 6.450,-- zijnde de op 8 september 2006 door haar betaalde kosten van de contra-expertise door [T];

- € 7.912,31 zijnde de op 8 oktober 2006 door haar betaalde kosten van [E];

- € 276,08, zijnde de op 27 oktober 2006 door haar betaalde kosten van [ER].

Aegon heeft gesteld dat het onderzoekskosten betreffen die zij heeft moeten maken ter vaststelling van de schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW, terwijl Cogas heeft gesteld dat de gevorderde expertisekosten zijn ontstaan op basis van de verplichtingen van Aegon ten opzichte van C1000 [Y], gebaseerd op de afgesloten verzekeringsovereenkomst. Van kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid is dan (tenminste gedeeltelijk) geen sprake.

De rechtbank overweegt dat de kosten van [T], ten bedrage van € 6.450,--, kosten van C1000 [Y] betreffen, welke (door middel van de slotuitkering) door Aegon zijn vergoed aan C1000 [Y]. Dit bedrag acht de rechtbank dan ook voor 90% toewijsbaar.

De door Aegon in deze procedure gevorderde kosten van haar eigen experts, betreffen naar het oordeel van de rechtbank, geen schadeposten van C1000 [Y], waarin Aegon is gesubrogeerd. Het betreffen weliswaar kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW, maar niet in de verhouding tot Cogas, zodat de rechtbank deze kostenposten niet zal toewijzen.

8.15 Nu Cogas zich ten aanzien van de door Aegon gevorderde wettelijke rente heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de dag der dagvaarding.

8.16 Zoals uit het voorgaande volgt, worden de vorderingen van Aegon grotendeels toegewezen, zodat Cogas, als overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten moet worden verwezen, waarbij de rechtbank, inachtgenomen het voorgaande, aanleiding ziet ook de proceskostenveroordeling te beperken tot 90%. De proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van Aegon worden begroot op 90% van € 18.243,30 wegens verschotten (€ 71,80 kosten dagvaarding, € 9.817,50 kosten [B], € 3.570,-- kosten [K] en € 4.784,-- griffierecht), zijnde € 16.418,97 en op 90% van € 12.000,-- wegens salaris van haar advocaat (6 punten x tarief VI), zijnde € 10.800,--. Het resterende deel van de proceskosten dient voor rekening van Aegon te blijven.

De beslissing

De rechtbank:

I. Veroordeelt Cogas om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Aegon te betalen het bedrag van (€ 255.305,-- + € 702,10 + € 6.450,--) x 90% = € 236.211,39 (zegge: tweehonderdzesendertigduizend tweehonderdelf euro en negenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

II. Veroordeelt Cogas in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 16.418,97 wegens verschotten en op € 10.800,-- wegens salaris van haar advocaat.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Lorist, Verhoeven en Vermeulen en is op 21 december 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.