Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU9196

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
70443 HA ZA 05-363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deskundigenbericht; omzetverantwoording; waardering onderhanden werk; waarde aandelen; 2:207 lid 2 en 2:207a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 70443 HA ZA 05-363

datum vonnis: 14 december 2011 (AL)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

hierna te noemen: [X],

advocaat: mr. J.D. Veltman te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bilanx Holding B.V.,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen: Bilanx,

advocaat: mr. R.J. Leijssen te Enschede.

Het procesverloop

De rechtbank neemt hier over hetgeen met betrekking tot het procesverloop in het tussenvonnis van 14 juli 2010 is weergegeven.

Bij akte van 11 augustus 2010 heeft Bilanx haar reconventionele vordering opnieuw geformuleerd.

Op 8 september 2010 heeft [X] een akte genomen.

Op 18 mei 2011 heeft [X] een akte genomen.

Bilanx heeft op 15 juni 2011 een antwoordakte genomen.

[X] heeft op 27 juli 2011 een antwoordakte genomen.

Op 24 augustus 2011 heeft Bilanx een akte genomen.

Het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil, de motivering en de beslissing

1.

De rechtbank neemt hier over hetgeen zij in haar tussenvonnis van 14 juli 2010 heeft overwogen en beslist.

In reconventie

Wijziging eis in reconventie

2.

Bij voormeld tussenvonnis van 14 juli 2010, heeft de rechtbank Bilanx opgedragen haar eis in reconventie opnieuw te formuleren.

Bilanx heeft haar vordering in reconventie bij akte 11 augustus 2010 opnieuw gewijzigd.

Bilanx vordert thans, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [X] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het eindvonnis te verschijnen voor notaris mr. E.R. Willems, kantoorhoudende aan de Adastraat 1 te Almelo, op het door Bilanx genoemde tijdstip, nadat laatstgemeld tijdstip (hierna vermeld als overdrachtsdag) ten minste drie dagen voordien door Bilanx na betekening van het vonnis is aangegeven aan [X] en de 73.400 gewone aandelen en 20.000 cumulatief-preferente aandelen, die [X] houdt in Bilanx, aan Bilanx te verkopen en te leveren tegen betaling van een bedrag van € 218.521,--, zulks onder verrekening van de rekening-courantschuld groot € 157.257,--, aldus tegen een bedrag, na verrekening, van € 61.264,--. Het een en ander overeenkomstig de aan de akte van Bilanx van 11 augustus 2010 gehechte notariële conceptakte van notaris mr. E.R. Willems, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- voor elke dag dat [X] nalaat de aandelen te leveren, te rekenen vanaf de, na bovengemelde procedure, vastgestelde overdrachtsdag;

2. bepaalt, dat, indien [X] niet binnen 30 dagen na de overeenkomstig hiervoor onder 1. genoemde tot stand gekomen overdrachtsdag (en nadat daaraan voorafgaand het vonnis is betekend), verschijnt voor de notaris mr. E.R. Willems en vorengemelde aandelen niet heeft verkocht en geleverd overeenkomstig de aan de akte van Bilanx van 11 augustus 2011 gehechte notariële conceptakte van notaris mr. E.R. Willems, het eindvonnis overeenstemt met de inhoud van de gemelde notariële akte en dezelfde kracht zal hebben als voormelde akte van verkoop en levering van aandelen overdracht (ex. artikel 3:300 BW), aldus dat de aandelen op basis van het vonnis als verkocht en overgedragen gelden op basis van de condities genoemd in de aan de akte van Bilanx van 11 augustus 2011 gehechte notariële conceptakte van notaris mr. E.R. Willems, waarbij als verkoopprijs in zijn totaliteit geldt

€ 218.121,--, zulks onder verrekening van de rekening-courantschuld groot

€ 157.257,--, aldus tegen een bedrag van € 61.264,-- (welk bedrag kan worden verrekend tegen de door [X] te betalen proceskosten op basis van dit vonnis);

3. bepaalt dat het op de onroerende zaak bedrijvenpark Twente 423 te Almelo door [X] gelegde conservatoir beslag wordt opgeheven, aldus dat dit beslag als opgeheven geldt, danwel is opgeheven, nadat de aandelen door [X] zijn geleverd en door Bilanx zijn betaald (desnodig onder verrekening), subsidiair [X] veroordeelt om binnen zeven dagen nadat de aandelen in Bilanx door [X] zijn verkocht en geleverd en deze zijn betaald door Bilanx, daaronder begrepen levering middels vorengemelde reële executie overeenkomstig artikel 3:300 BW, het beslag op te heffen. Zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat gedaagde, na verloop van zeven dagen na betekening, daaraan niet voldoet;

4. [X] veroordeelt in de proceskosten (op basis van het geliquideerd tarief aan griffierecht en salaris begroot op € 17.785,--) en in dit kader de deskundigenkosten groot € 97.412,25, voor zover [X] niet tot betaling van deze proceskosten in conventie wordt veroordeeld;

5. [X] veroordeelt tot betaling van vijf procent rente vanaf 30 april 2009 over de rekening-courantschuld van € 157.257,-- tot aan de dag der algehele betaling.

3.

[X] heeft zich tegen de wijziging van de vordering door Bilanx op zichzelf genomen niet verzet, zodat de rechtbank bij de verdere beoordeling van de zaak van de gewijzigde vordering uit zal gaan.

In conventie en in reconventie:

Deskundigenrapport

4.

Bij voormeld tussenvonnis van 14 juli 2010 is [X] in de gelegenheid gesteld om aan de deskundige Prins nadere vragen te stellen over het door hem uitgebrachte deskundigenrapport.

De vragen die [X] aan de deskundige heeft voorgelegd, heeft zij als productie 8 bij de akte van 8 september 2010 in het geding gebracht.

De deskundige heeft de vragen beantwoord in zijn brief van 10 mei 2011, die als

productie 11 bij de akte van [X] van 18 mei 2011 in het geding is gebracht.

Uit hetgeen door [X] in haar akte van 18 mei 2011 wordt gesteld, blijkt dat zij zich, ook na de beantwoording van de door haar aan de deskundige gestelde vragen, niet kan verenigen met de conclusies die door de deskundige in zijn rapport van 2 april 2009 zijn getrokken met betrekking tot de waardering van de debiteuren en de omzetverantwoording en de daarmee samenhangende waardering van het onderhandenwerk.

Debiteuren

5.

Op de vragen van [X] met betrekking tot de waardering van de debiteuren, heeft de deskundige in zijn brief van 10 mei 2011, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.

De methode aan de hand waarvan de waardering van de debiteuren plaats zou vinden is met partijen overeengekomen.

In verband daarmee was er voor de deskundige geen reden om naast die tussen partijen overeengekomen methode, nog zelfstandig nader onderzoek te verrichten naar de juistheid en volledigheid van de in de jaarrekeningen van Bilanx opgenomen waarde van de debiteurenportefeuille. Ter staving van zijn stelling dat hij zijn onderzoek heeft verricht op basis van met partijen gemaakte afspraken heeft de deskundige verwezen naar de “Berichten aan Partijen”, waarin die afspraken, volgens de deskundige, zijn vastgelegd.

6.

[X] heeft, in haar akten van 18 mei 2011 en 27 juli 2011, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.

[X] kan zich niet vinden in de reactie van de deskundige Prins op de vragen die zij aan hem heeft voorgelegd. In verband daarmee handhaaft zij haar eerdere bezwaren tegen het deskundigenbericht van 2 april 2009 (productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie).

Het grootste bezwaar van [X] ziet erop dat Prins in zijn brief van 10 mei 2011 geen, althans nauwelijks, antwoorden heeft gegeven op de door [X] gestelde vragen. Prins heeft ermee volstaan zich stelselmatig op het standpunt te stellen dat hij bij het opstellen van zijn deskundigenrapport heeft gewerkt volgens de afspraken die door hem met partijen zouden zijn gemaakt.

De oorspronkelijke werkzaamheden van Prins dienden er primair toe de juistheid te onderzoeken van de door Bilanx in haar jaarrekeningen verwerkte afschrijvingen en voorzieningen. Prins heeft de betreffende jaarrekeningen echter niet onderzocht.

Voorts heeft hij in zijn berekeningen een onjuiste systematiek gehanteerd en aan de hand van steekproeven geconstateerd dat de afschrijvingen en voorzieningen van Bilanx niet te hoog, maar juist te laag waren, zonder na te gaan of die conclusie strookt met de realiteit.

[X] heeft meerdere malen tegen de door Prins gevolgde methodiek geprotesteerd.

Zij deed dat onder meer bij brief van 27 februari 2009 (bijlage 5 bij het deskundigenrapport van 2 april 2009), bij brief van de heer [Y] van 16 september 2009 (productie 5 bij conclusie van repliek in conventie) en bij brief van [Y] september 2010 (gevoegd als bijlage bij productie 8 bij de akte van 8 september 2010). Al deze protesten waren tevergeefs.

De resultaten van het onderzoek van Prins zijn, gelet op het vorenstaande, onbruikbaar voor een objectieve waardebepaling van de aandelen.

7.

Met betrekking tot de stellingen van [X], overweegt de rechtbank het volgende.

Door de deskundige wordt, zowel in zijn rapport van 2 april 2009 als in zijn brief van

10 mei 2011, gesteld dat hij zijn berekeningen heeft gemaakt op basis van een methode waarover tussen partijen overeenstemming was bereikt. [X] heeft weliswaar gesteld dat zij tegen de door Prins gevolgde methodiek heeft geprotesteerd, maar verwijst ter staving van die stelling uitsluitend naar stukken die dateren van ná de datum waarop Prins zijn onderzoek had uitgevoerd.

De rechtbank komt op grond daarvan tot de conclusie dat [X] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de methode aan de hand waarvan de deskundige de waarde van de debiteurenportefeuille heeft vastgesteld, niet tussen partijen met de deskundige is overeengekomen. [X] heeft voorts niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld dat de deskundige die overeengekomen methodiek niet, dan wel onjuist, heeft toegepast.

Aangezien, gelet op het vorenstaande, moet worden aangenomen dat de door de deskundige gebruikte methode van waardering van de debiteuren tussen partijen is overeengekomen en die methode op zichzelf genomen door de deskundige juist is toegepast, kan [X] de resultaten van het door de deskundige verrichte onderzoek thans in redelijkheid niet meer ter discussie stellen met de stelling dat die resultaten niet zouden stroken met de realiteit.

De omzetverantwoording en waardering onderhanden werk

8.

Op de vragen die [X] met betrekking tot de omzetwaardering en de waardering van het onderhanden werk, aan de deskundige heeft voorgelegd, heeft deze in zijn brief van

10 mei 2011, zakelijk weergegeven, het volgende geantwoord.

Op 10 juli 2007 is in het overleg met partijen gebleken dat het onderhanden werk ultimo 2003 volgens Bilanx € 620.715,-- en volgens [X] € 841.866,-- bedroeg. Het dispuut tussen partijen bedroeg op dat moment derhalve € 221.151,--. Partijen zijn op

28 januari 2008 akkoord gegaan met een voorziening voor het onderhanden werk van

€ 5.975,-- voor posten kleiner dan € 100,--. Sindsdien resteerde een geschilpunt tussen partijen over het onderhanden werk van € 215.176,--. Teneinde dit resterende geschilpunt tussen partijen te kunnen beslechten, heeft de deskundige met partijen afgesproken de post van € 215.176,-- op basis van deelwaarnemingen te onderzoeken. De met partijen afgesproken procedure is op bladzijde 54 van het deskundigenrapport weergegeven. Aangezien het dispuut tussen partijen over een eventuele verschuiving van omzet in overleg met partijen is geconcretiseerd in een bedrag van € 215.176,-- inzake onderhanden werk, vervalt de noodzaak om aanvullend onderzoek te verrichten naar de volledigheid van de omzet in 2003. Bovendien is een accountantscontrole naar de volledigheid van de omzet zoveel jaren na dato geen optie meer.

In overleg met partijen is vastgesteld dat het geschilpunt met betrekking tot het onderhanden werk in 2003 € 215.176,-- bedroeg. De betwiste lijst met onderhanden werk is op basis van

a select gekozen deelwaarnemingen voor 24 posten (ruim 40% van € 215.176,--) in detail onderzocht. Per deelwaarneming heeft de deskundige in gezamenlijk overleg met partijen in detail overzichten bestudeerd inzake specificaties geboekte werkzaamheden, op- en afboekingen onderhanden werk, verzonden facturen en factuurspecificaties in de jaren na 2003. De boekingen na 2003 zijn met partijen besproken en hebben al dan niet geleid tot een correctie op het onderhanden werk ultimo 2003. Bovendien is bij het bepalen van de omvang van het onderhanden werk rekening gehouden met de eerste facturatieruns in 2004, de

creditnota's in deze eerste facturatieruns en het niet betwiste deel van het onderhanden werk.

Daarnaast heeft de deskundige in overleg met partijen op 12 december 2008 een aansluiting gemaakt tussen de omzet van de jaarrekening 2004 en de boekingen in Alure uren.

Partijen hebben op 3 maart 2008 vastgesteld dat het onderhanden werk ultimo 2002

€ 466.805,-- bedraagt, zijnde de onderhanden werk positie conform jaarrekening Bilanx 2002. Afboekingen op het onderhanden werk ultimo 2003 komen daarmee ten laste van het resultaat in 2003 en niet van eerdere jaren.

De deskundige heeft onderzocht in hoeverre het betwiste onderhanden werk ultimo 2003 ad

€ 215.176,-- alsnog opgenomen dient te worden op de balans per 31 december 2003. Per onderzochte post heeft de deskundige een verloopoverzicht opgesteld bestaande uit post onderhanden werk per 31 december 2003, productie in 2004, afboeking in 2004 en facturatie in 2004. Vervolgens is de facturatie in 2004 (en latere jaren) pro rata toegewezen aan 2003.

Het onderhanden werk in 2003 is verhoogd op basis van de formule:

facturatie 2004 x ohw 31-12-2003 / (ohw 31-12-2003 + productie 2004).

Deze formule is toegepast per afzonderlijk cliëntenboekjaar van de betreffende post onderhanden werk ultimo 2003. Hierbij is niet meer onderzocht in welk jaar de productie van het betwiste onderhanden werk heeft plaatsgevonden, omdat tussen partijen over de stand van het onderhanden werk ultimo 2002 al overeenstemming was bereikt.

De deskundige heeft aan de hand van het vooraanstaande de waarde van dat deel van het onderhanden werk waarover tussen partijen verschil van mening bestond (€ 215.176,--) per ultimo 2003 vastgesteld op € 30.490,--.

Indien de afboeking van € 184.686,-- niet ten laste van het resultaat over 2002 of 2003 zou worden gebracht, dan zou de waarde van de gewone aandelen Bilanx Holding per

31 december 2003 € 434.512,-- zijn.

De hiervoor beschreven procedure met betrekking tot de waardering van het onderhanden werk ultimo 2003 is door de deskundige met partijen afgesproken.

Er heeft een stijging van de omzet in 2004 plaatsgevonden. Die stijging bedroeg 8,4% per medewerker. Een dergelijke omzetstijging is niet a priori een bewijs voor de stelling van [X] dat er een omzetverschuiving van 2003 naar 2004 heeft plaatsgevonden. Bilanx heeft op 24 december 2008 op verzoek van de deskundige opnieuw een aansluiting gemaakt tussen cliëntentotalen en de jaarrekening van 2003. De aansluitingen voor 2003 en 2004 zijn door de deskundige verwerkt in een overzicht in “Berichten aan Partijen” nummer 22 van 14 januari 2009, dat ook aan [X] ter beschikking is gesteld. De vragen die de deskundige op dat moment nog heeft gesteld aan Bilanx zijn op 22 januari 2009 door Bilanx afdoende beantwoord.

9.

[X] heeft, in haar akten van 18 mei 2011 en 27 juli 2011, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.

De door Bilanx gerealiseerde omzet bestaat globaal uit “uren x tarief”. De medewerkers van Bilanx boeken hun declarabele uren met behulp van het computerprogramma “Alure”. Dat systeem heeft geen koppeling met de boekhouding. Het is daarom mogelijk dat gewerkte uren buiten de boekhouding blijven of daarin pas op een later tijdstip worden verwerkt.

Bilanx is in de jaren 2003 en 2004 niet significant gegroeid of gekrompen. Bilanx heeft aangegeven dat haar omzet over 2003 € 3.050.000,-- bedraagt en over 2004 € 3.493.000,--.

De personeelsbezetting over die twee jaren was gelijk. Uit het totaaloverzicht uit Alure over het jaar 2003, blijkt dat in dat jaar bijna 106.000 uren zijn gewerkt en verantwoord. Uit het totaaloverzicht over het jaar 2004, blijkt dat in dat jaar 58.000 uren zijn verantwoord. Aangezien er geen aansluiting bestaat tussen Alure en de boekhouding, heeft [X] gevraagd om de achterliggende specificaties bij de lijsten uit Alure, zodat een verklaring kan worden gezocht voor de grote afwijking van het aantal uren in 2003 (circa 106.000) en in 2004 (circa 58.000) tegenover een omzet die in 2004 juist € 450.000,-- hoger was dan in 2003. Zonder die achterliggende specificatie ontbreekt de aansluiting en kan niet worden aangenomen dat er geen sprake is geweest van verschuiving van omzet (en daarmee van resultaat) ten laste van 2003 en ten gunste van 2004.

Bilanx heeft de specificaties steeds geweigerd en de deskundige heeft daar, ondanks herhaald aandringen van [X], niet of nauwelijks om gevraagd. Prins heeft slechts aan de hand van de stellingen van partijen vastgesteld dat de omvang van een eventuele omzet verschuiving ten hoogste € 215.176,-- kan bedragen. Hij heeft daaruit vervolgens de conclusie getrokken dat daardoor de noodzaak naar (het door [X] gevraagde) aanvullend onderzoek naar de volledigheid van de omzet is vervallen. Hij heeft die conclusie echter getrokken zonder dat er sprake is van een deugdelijke aansluiting tussen de in de jaarrekeningen 2003 en 2004 verantwoorde omzet en de urenadministratie in Alure.

10.

Met betrekking tot de stellingen van [X], overweegt de rechtbank het volgende.

Door de deskundige wordt zowel in zijn rapport als in zijn brief van 10 mei 2011 gesteld dat hij zijn berekeningen met betrekking tot de waarde van het onderhanden werk heeft gemaakt op basis van een methode waarover tussen partijen overeenstemming was bereikt.

Dit is door [X] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. [X] heeft voorts niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gesteld dat de deskundige die overeengekomen methodiek niet, dan wel onjuist, heeft toegepast.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat voor wat betreft de bepaling van de waarde van de aandelen van Bilanx, uitgegaan moet worden van de waardering van het onderhanden werk zoals die door de deskundige in zijn rapport van

2 april 2009 is vastgesteld.

[X] heeft gesteld dat het door Bilanx gebruikte computerprogramma “Alure” het mogelijk maakt dat gewerkte uren buiten de boekhouding blijven of daarin pas op een later tijdstip worden verwerkt. [X] heeft echter niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, gesteld dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd. Voorts heeft [X] niet, althans niet voldoende gemotiveerd dàt er een omzetverschuiving van 2003 naar 2004 heeft plaatsgevonden. Zij heeft slechts gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat een dergelijke verschuiving heeft plaatsgevonden.

Uit het rapport van de deskundige en de antwoorden die hij in zijn brief van 10 mei 2011 heeft gegeven, blijkt dat hij een onderzoek heeft verricht naar het door [X] gestelde verschuivingsgevaar met betrekking tot de omzet. De uitkomst van dat onderzoek vormde voor de deskundige kennelijk geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is geweest van een omzetverschuiving van 2003 naar 2004.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de, niet voldoende onderbouwde stelling van [X] dat er verschuiving van de omzet kàn hebben plaatsgevonden, niet voldoende is om de uitkomsten van het deskundigenrapport op dit punt opnieuw ter discussie te stellen.

Artikel 2:207 lid 2 BW

11.

In haar akte van 8 september 2010 heeft [X], zakelijk weergegeven, met betrekking tot het bepaalde in artikel 2:207 lid 2 Burgerlijk Wetboek (verder: BW), het volgende gesteld. Op grond van het bepaalde in het vorengenoemde artikel is het Bilanx slechts toegestaan eigen (volgestorte) aandelen in te kopen indien haar eigen vermogen, verminderd met de verkrijgingsprijs niet kleiner is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. De vrije reserves van Bilanx moeten derhalve hoger zijn dan de koopprijs.

Bilanx had evenwel in maart 2006 – en zij heeft sindsdien onafgebroken – geen enkele vrije besteedbare reserve. Artikel 2:207a BW bepaalt dat verkrijging van aandelen in strijd met het tweede lid van artikel 2:207 BW nietig is.

De deskundige is op verzoek van Bilanx ingeschakeld. Aangezien Bilanx, gelet op het bepaalde in artikel 2:207 lid 2 BW, de aandelen niet van [X] kan kopen, is de deskundige nodeloos ingeschakeld, zodat de daaraan verbonden kosten voor rekening van Bilanx dienen te blijven.

12.

Met betrekking tot dit verweer van [X], overweegt de rechtbank het volgende.

Onder I van het petitum van haar dagvaarding van 22 september 2004 heeft [X], zakelijk weergegeven, gevorderd dat Bilanx zal worden veroordeeld om tegen betaling van een bedrag van € 1.100.000,--, althans tegen een in goede justitie te bepalen bedrag, de aandelen die [X] in Bilanx houdt van [X] te kopen. [X] heeft haar vordering niet ingetrokken. Desalniettemin stelt zij thans dat het Bilanx niet zou zijn toegestaan om de aandelen van [X] te kopen. [X] vordert derhalve dat Bilanx wordt veroordeeld tot iets, waarvan [X] thans zelf stelt dat nakoming van die veroordeling in strijd zou zijn met de wet.

Voorts heeft [X] haar stelling dat Bilanx thans geen vrije reserves zou hebben, niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, onderbouwd, terwijl die stelling door Bilanx is betwist.

Tenslotte beschikt de rechtbank niet over de gegevens die noodzakelijk zijn om de stelling van [X] inhoudelijk te kunnen beoordelen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verweer van [X] passeren.

13.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende.

Aan hetgeen in rechtsoverweging 12. is overwogen, kan door partijen niet de conclusie worden verbonden dat de hierna in dit vonnis opgenomen veroordeling van [X] tot verkoop en levering van de aandelen aan Bilanx, met zich meebrengt dat die rechtshandelingen niet in strijd zouden zijn met het bepaalde in artikel 2:207 lid 2 BW.

Het verweer van Bilanx is immers op niet inhoudelijke gronden verworpen.

Waarde aandelen Bilanx

14.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor en in rechtsoverweging 4. van het tussenvonnis van 14 juli 2010 heeft overwogen, zal de rechtbank bij de bepaling van de waarde van de aandelen Bilanx uitgaan van de juistheid van het deskundigenrapport dat door Prins is opgesteld.

In zijn deskundigenrapport van 2 april 2009 heeft Prins aan de geplaatste gewone aandelen van Bilanx een gezamenlijke waarde toegekend van -/- € 49.292,-- . [X] houdt 25% van die aandelen, zodat aan de door hem gehouden gewone aandelen een waarde toekomt van

-/- € 12.323,--. Aangezien de aandelen van [X] een negatieve waarde vertegenwoordigen, is de verkoopwaarde van die aandelen in redelijkheid te stellen op nihil.

Uit het deskundigenrapport blijkt dat Prins tot de conclusie is gekomen dat de totale waarde van de cumulatief-preferente aandelen die [X] in Bilanx houdt, per 31 december 2003

€ 183.540,-- bedraagt.

Verkoop aandelen Bilanx

15.

Onder I van het petitum van haar dagvaarding van 22 september 2004 heeft [X], zakelijk weergegeven gevorderd, dat Bilanx zal worden veroordeeld om tegen betaling van een bedrag van € 1.100.000,--, althans tegen een in goede justitie te bepalen bedrag, de aandelen die [X] houdt in Bilanx van [X] te kopen.

Na de laatste wijziging van haar eis, heeft Bilanx in reconventie, zakelijk weergegeven, onder 1. gevorderd dat [X] wordt veroordeeld om de aandelen die zij in Bilanx houdt aan Bilanx te verkopen en te leveren tegen betaling van een bedrag van € 218.521,--.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat de verkoopwaarde van de gewone aandelen en de cumulatief-preferente aandelen in totaal € 183.540,-- bedraagt. Aangezien Bilanx bereid is om voor de aandelen samen € 218.521,-- te betalen, zal de rechtbank zowel het onder I in conventie als de onder 1. in reconventie gevorderde koop en verkoop van de aandelen toewijzen en daarbij de verkoopprijs van de gewone aandelen en de cumulatief-preferente aandelen samen vaststellen op € 218.521,--. Verkoop van de aandelen tegen een bedrag van € 183.540,--, zou immers impliceren dat de rechtbank in reconventie in feite meer zou toewijzen dan door Bilanx is gevorderd.

Vordering tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de aandelen

16.

Zowel [X] (in conventie) als Bilanx (in reconventie), hebben gevorderd dat hun wederpartij zal worden veroordeeld om, op straffe van een dwangsom, medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de koop en verkoop en de levering van de aandelen.

Partijen verschillen van mening over de termijn waarbinnen medewerking door de wederpartij aan de koop en levering moet worden verleend en over de hoogte van de dwangsom die aan het niet tijdig verlenen van die medewerking moet worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat de termijn waarbinnen door beide partijen aan de koop en levering van de aandelen moet worden meegewerkt in redelijkheid gesteld dient te worden op veertien dagen na betekening van dit vonnis. De bepaling van het overdrachtstijdstip dient naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid te worden vastgesteld conform de procedure die daarvoor door Bilanx in haar vordering onder 1. is omschreven.

[X] heeft zich niet verweerd tegen de vordering van Bilanx dat de verkoop en de levering plaats zal vinden ten overstaan van notaris E.R. Willems te Almelo. De rechtbank zal dit deel van de vordering van Bilanx derhalve toewijzen.

Bilanx heeft gevorderd dat de koop en de levering van de aandelen plaats zal vinden overeenkomstig de aan haar akte van 11 augustus 2011 gehechte conceptakte van notaris

E.R. Willems. [X] heeft zich tegen dat deel van de vordering van Bilanx niet, althans onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, verweerd, zodat de rechtbank dit deel van de vordering van Bilanx zal toewijzen.

De hoogte van de dwangsom dient naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het belang dat met de koop is gemoeid, in redelijkheid gesteld te worden op € 2.500,-- per dag voor iedere dag dat een partij in gebreke blijft om aan de voor haar uit dit vonnis voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank zowel het door [X] in haar dagvaarding onder I gevorderde, als het door Bilanx in reconventie onder 1. gevorderde, toewijzen.

Rekening-courant

17.

Bilanx heeft gesteld dat uit het deskundigenrapport blijkt dat de rekening-courantschuld van [X] aan Bilanx per 31 december 2008 € 157.527,-- bedroeg.

Zij doet een beroep op verrekening van dat bedrag met het bedrag dat Bilanx aan [X] dient te betalen in verband met de koop van de aandelen die [X] in Bilanx houdt.

[X] heeft de stelling van [X] dat de rekening-courantschuld van [X] aan Bilanx € 157.527,-- bedraagt, niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, betwist.

[X] heeft voorts tegen de gevorderde verrekening ook geen andere verweren gevoerd.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de door Bilanx gevorderde verrekening toewijzen.

Vonnis in de plaats van de akte van levering

18.

Beide partijen hebben, zakelijk weergegeven, gevorderd dat dit vonnis in de plaats zal treden van de akte van levering van de aandelen, indien de wederpartij niet binnen een bepaalde termijn aan de verkoop en levering van de aandelen haar medewerking heeft verleend. Partijen verschillen echter van mening over de vraag na welke termijn dit vonnis in dat geval in de plaats van de akte zou moeten treden.

De rechtbank is van oordeel dat die termijn in redelijkheid gesteld dient te worden op veertien dagen na het overdrachtstijdstip als bedoeld in rechtsoverweging 16.

19.

[X] heeft zich niet verweerd tegen de vordering van Bilanx dat de verkoop en de levering van de aandelen plaats zal vinden ten overstaan van notaris E.R. Willems te Almelo. Bilanx heeft gevorderd dat de koop en de levering van de aandelen plaats zal vinden overeenkomstig de aan haar akte van 11 augustus 2011 gehechte conceptakte van notaris E.R. Willems. [X] heeft zich tegen dat deel van de vordering van Bilanx niet, althans onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, verweerd.

20.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank het door Bilanx, na haar laatste eiswijziging, onder 2. gevorderde toewijzen.

De rechtbank constateert dat de in het petitum onder 2. genoemde verkoopprijs onjuist is. In plaats van € 218.121,--, dient te worden gelezen € 218.521,--.

Kosten deskundigenonderzoek

21.

Met betrekking tot de kosten die verbonden zijn aan het deskundigenonderzoek heeft Bilanx, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld. De kosten van de waardering van de aandelen komen voor rekening van Bilanx. In dit geval is echter niet volstaan met een eenvoudig onderzoek naar de waarde van de aandelen, maar is een onderzoek ingesteld naar de getrouwheid van de jaarrekening en zijn door de deskundige een groot aantal, door [X], gestelde vragen beantwoord. De kosten die daarmee samenhangen dienen voor rekening van [X] te blijven.

Bilanx is bereid de kosten van een deskundigenonderzoek voor wat betreft de zuivere vaststelling van de prijs van de aandelen volgens de waarderingsgrondslag neergelegd in artikel 5.4 van de intentieovereenkomst voor haar rekening te nemen. Die kosten bedragen niet meer dan € 25.000,00.

Voor zover de kosten van het deskundigenonderzoek hoger zijn dan dat bedrag, is dat veroorzaakt door het boekenonderzoek, het steeds verder graven in de boeken van Bilanx, omdat [X] de juistheid en getrouwheid van de jaarrekening betwijfelde.

In verband daarmee dienen de kosten van het deskundigenonderzoek, voor zover die het verdrag van € 25.000,-- te boven gaan voor rekening van [X] te blijven.

Bovendien kan, gelet op de uitkomst van het deskundigenonderzoek, slechts een klein deel van de vordering van [X] worden toegewezen, zodat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:237 BW, [X] in de kosten van de procedure, waaronder de kosten voor de deskundige, dient te worden veroordeeld.

22.

[X] heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten van de deskundige geheel voor rekening van Bilanx dienen te blijven. Ter staving van haar stelling heeft zij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Uit het bepaalde in artikel 14 lid 3 van de statuten van Bilanx, blijkt dat de kosten die verbonden zijn aan het door Prins ingestelde onderzoek, geheel of ten dele ten laste van de vennootschap kunnen worden gebracht, hetgeen ten aanzien van dergelijke kosten gebruikelijk is.

[X] biedt de aandelen niet vrijwillig aan, maar doet dat omdat zij daartoe op grond van de intentieovereenkomst door haar mede-aandeelhouders en door Bilanx is verplicht.

Bilanx heeft nooit een reëel bod op de aandelen uitgebracht, zodat een taxatie, zoals thans door Prins is uitgevoerd, in redelijkheid niet had kunnen worden vermeden. Bilanx heeft enkel op 23 februari 2007 voorgesteld om de nominale waarde te betalen voor de cumulatief-preferente aandelen en om de gewone aandelen van [X] te kopen voor een negatieve koopsom van € 107.970,--. De prijs die Bilanx voor de gewone aandelen wilde betalen, was derhalve ongeveer negen keer lager dan de door Prins berekende waarde van die aandelen.

23.

Zowel uit de stellingen van Bilanx als uit die van [X], blijkt dat beide partijen van mening zijn dat de kosten van de waardering van de aandelen, in beginsel, voor rekening van Bilanx dienen te komen. Bilanx heeft bijzondere omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan zij van mening is dat de kosten van de deskundige, voor zover die het bedrag van

€ 25.000,-- te boven gaan, in dit geval, in afwijking van het vorenstaande, toch voor rekening van [X] dienen te komen.

Met betrekking tot het standpunt van Bilanx overweegt de rechtbank het volgende.

Bilanx heeft de stelling van [X] dat Bilanx nooit bereid is geweest om voor de cumulatief-preferente aandelen meer te betalen dan de nominale waarde en voor de gewone aandelen meer dan een negatieve koopsom van € 107.970,--, niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, betwist, zodat de rechtbank van de juistheid van die stelling uit zal gaan. Daarmee staat vast dat Bilanx op de gewone aandelen een veel lager bod heeft uitgebracht dan de waarde die de aandelen volgens Prins hebben. Het is derhalve alleszins redelijk dat [X] dat aanbod heeft geweigerd en dat er een deskundige is ingeschakeld om de waarde van de aandelen te bepalen.

Uit het dictum van het vonnis van 30 augustus 2006 in de procedure met het zaaknummer 77166 HA RK 06-22, blijkt dat niet alleen [X], maar ook Bilanx een groot aantal vragen aan de deskundige heeft voorgelegd en dat door [X] en Bilanx aan de deskundige gestelde vragen elkaar voor een deel overlappen. Uit het deskundigenrapport blijkt niet dat Prins meer tijd heeft moeten besteden aan de beantwoording van de door [X] gestelde vragen dan aan de door Bilanx gestelde vragen.

Tenslotte staat vast dat het niet de vrije keus van [X] is geweest om de aandelen aan te bieden, maar dat zij daartoe, als gevolg een ongeval dat de heer [X] is overkomen, op grond van de intentieovereenkomst door zijn medeaandeelhouders en door Bilanx is verplicht.

Op grond van de vorengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat in dit geval de kosten van het deskundigenonderzoek, niet geheel voor rekening van Bilanx dienen te blijven.

De rechtbank zal Bilanx derhalve in de kosten van het deskundigenonderzoek veroordelen.

Beslagen

24.

Bilanx heeft gevorderd dat het door [X] gelegde conservatoire beslag op de onroerende zaak bedrijvenpark Twente 423 te Almelo, wordt opgeheven nadat de aandelen door [X] aan Bilanx zijn geleverd en deze door Bilanx zijn betaald.

25.

[X] heeft tegen deze vordering van Bilanx geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank die vordering zal toewijzen.

Rente

26.

Bilanx heeft gevorderd dat [X] wordt veroordeeld tot betaling van vijf procent rente vanaf 30 april 2009 over de rekening-courantschuld van € 157.257,-- tot aan de dag der algehele betaling.

27.

[X] heeft zich tegen deze vordering van Bilanx niet verweerd, zodat de rechtbank die vordering zal toewijzen.

Proceskosten

28.

[X] is aandeelhouder van Bilanx. Nadat de heer [X] ten gevolge van een ongeval arbeidsongeschikt is geworden, was [X] op grond van de intentie-overeenkomst en de statuten van Bilanx, gehouden haar aandelen te verkopen. Vast staat dat Bilanx buiten rechte een te laag bedrag voor de gewone aandelen die [X] in Bilanx houdt, heeft geboden. Daar staat tegenover dat [X] een te hoog bedrag voor die aandelen heeft gevraagd. Met betrekking tot de koop en de verkoop van de aandelen waren partijen, gelet op de inhoud van de intentieovereenkomst en de statuten, tot elkaar veroordeeld. Het feit dat het tot een gerechtelijke procedure tussen partijen is gekomen was, gelet op het vorenstaande, onvermijdelijk en aan de opstelling van beide partijen te wijten.

In de vorengenoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten, in conventie en in reconventie, met uitzondering van de kosten van deskundige, aldus tussen partijen te compenseren dat ieder partij de eigen kosten draagt.

De beslissing:

De rechtbank:

In conventie en in reconventie

I

veroordeelt [X] om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te verschijnen voor notaris mr. E.R. Willems, kantoorhoudende aan de Adastaat 1 te Almelo op het door Bilanx genoemde tijdstip, nadat laatstgemeld tijdstip (verder: de overdrachtsdag) tenminste drie dagen voordien door Bilanx na betekening van het vonnis is aangegeven aan [X] en de 73.400 gewone aandelen en 20.000 cumulatief-preferente aandelen, die [X] houdt in Bilanx, aan Bilanx te verkopen en te leveren tegen betaling van een bedrag van

€ 218.521,-- (tweehonderdachttienduizend vijfhonderd eenentwintig euro), zulks onder verrekening van de rekening-courantschuld van [X] aan Bilanx groot € 157.257,--

(honderdzevenenvijftigduizend tweehonderd zevenenvijftig euro), aldus tegen een bedrag, na verrekening van € 61.264,-- (eenenzestigduizend tweehonderd vierenzestig euro), zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro), voor elke dag dat [X] nalaat de aandelen te leveren, te rekenen vanaf de overdrachtsdag;

II

veroordeelt Bilanx, uitsluitend voor het geval zij er geen zorg voor draagt dat uitvoering kan worden gegeven aan het onder I bepaalde, om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan de levering door [X] aan Bilanx van de door [X] gehouden 73.400 gewone aandelen en 20.000 cumulatief-preferente aandelen in Bilanx, tegen betaling door Bilanx van een koopsom van € 218.521,-- (tweehonderdachttienduizend vijfhonderd eenentwintig euro), zulks onder verrekening van de rekening-courantschuld van [X] aan Bilanx groot € 157.257,-- (honderdzevenenvijftigduizend tweehonderd zevenenvijftig euro), aldus tegen een bedrag, na verrekening van € 61.264,-- (eenenzestigduizend tweehonderd vierenzestig euro), zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro), voor elke dag dat Bilanx na de vorengenoemde termijn van 14 dagen nalaat om haar medewerking aan de levering van de aandelen te verlenen;

III

bepaalt dat de verkoop en de levering plaats zal vinden overeenkomstig de als productie 33 aan de akte van Bilanx van 11 augustus 2010 gehechte notariële conceptakte;

IV

bepaalt dat indien de verkoop en levering van de aandelen die [X] in Bilanx houdt, niet binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van dit vonnis aan één van de partijen zal hebben plaatsgevonden, dit vonnis in de plaats zal treden van de, akte van verkoop en levering zoals die als productie 33 aan de akte van Bilanx van 11 augustus 2010 is gehecht, aldus dat de aandelen op basis van het vonnis als verkocht en overgedragen gelden op basis van de condities genoemd in die akte, waarbij als verkoopprijs van de aandelen die [X] in Bilanx houdt geldt een bedrag van in totaal € 218.521,-- (tweehonderdachttienduizend vijfhonderd eenentwintig euro), zulks onder verrekening van de rekening-courantschuld van [X] aan Bilanx groot € 157.257,-- (honderdzevenenvijftigduizend tweehonderd zevenenvijftig euro), aldus tegen een bedrag, na verrekening van € 61.264,-- (eenenzestigduizend tweehonderd vierenzestig euro);

V

heft het door [X] op de onroerende zaak bedrijvenpark Twente 423 gelegde conservatoire beslag op, met ingang van het moment dat de aandelen die [X] in Bilanx houdt, overeenkomstig het hiervoor onder I tot en met IV bepaalde door [X] aan Bilanx zijn geleverd en door Bilanx zijn betaald;

VI

veroordeelt [X] om aan Bilanx over de rekening-courantschuld van € 157.257,--

(honderdzevenenvijftigduizend euro), 5% rente te betalen vanaf 30 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

VII

bepaalt dat de kosten van het deskundigenonderzoek volledig voor rekening van Bilanx blijven;

VIII

compenseert de proceskosten, met uitzondering van de kosten van het deskundigen-onderzoek, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

IX

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

X

wijst het anders of meer door partijen gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. A.A.J. Lemain, G.G. Vermeulen en

J.H. van der Veer en op 14 december 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.