Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU9191

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
119935 / HA ZA 11-339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op verrekening; artikel 6:127 lid 2 BW en 6:136 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 119935 / HA ZA 11-339

datum vonnis: 14 december 2011 (P.L.)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Indes Holding B.V.,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

verder te noemen Indes,

procesadvocaat: mr. J.A. Holsbrink te Enschede,

behandelend advocaat: mr. A.J. van der Vegt te Eindhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Arion Retail International B.V.,

gevestigd te Geleen,

gedaagde,

verder te noemen Arion,

advocaat: mr. E.M.M. van de Loo te Enschede.

Het procesverloop

1.1. Bij vonnis van 29 juni 2011 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

1.2. De comparitie van partijen heeft op 29 september 2011 plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

1.3. Het vonnis is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 29 juni 2011 over de feiten, de vordering en de onderbouwing daarvan is overwogen en beslist.

2.2. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkens uit niet-betwiste producties, het volgende vast.

2.3. Tussen partijen is op 19 januari 2006 een distributieovereenkomst gesloten waarbij Indes Arion tot distributeur heeft benoemd van de “Spinny”. De Spinny is een deelbare infuusstandaard.

2.4. Indes heeft aan Arion onderdelen voor de Spinny geleverd. Ter zake heeft Indes een vordering op Arion ter grootte van aanvankelijk € 62.591,27. Nadat op 17 februari 2011 is vastgesteld dat de Spinny vrij is van gebreken, heeft Arion een deel, zijnde € 27.795, 92, aan Indes betaald. Ter zake resteert nog een vordering op Arion van € 34.795,35. Arion beroept zich op verrekening wegens gebreken aan de nader te noemen Sprizer.

2.5. Tussen partijen is op 4 juli 2006 een Samenwerkings- en investeringsovereenkomst gesloten met betrekking tot de (verdere) ontwikkeling en verkoop van de “Cairlift”, waarvan de naam later is gewijzigd in “Sprizer”. De Sprizer is een elektrische matraslift.

2.6. In 2008 hebben partijen als aanvulling (‘addendum’) op de onder 2.5. genoemde overeenkomst ter zake van de Sprizer nadere afspraken gemaakt, onder meer een royalty- en margeregeling op grond waarvan Indes van Arion betaling vordert van € 26.653,28. Arion heeft niet betaald.

De verdere beoordeling en de motivering

3.1. Met betrekking tot de vordering ter zake van de Spinny oordeelt de rechtbank dat, nu onbetwist tussen partijen vast is komen te staan dat de betreffende Spinny vanaf

17 februari 2011 geen gebreken meer vertoont, Arion vanaf die datum geen beroep meer toekomt op haar opschortingsrecht.

De vordering ad € 62.591,27 bestaande uit het saldo van de facturen d.d. 1 september 2010 ad € 79.254,00, de creditfacturen d.d. 27 november 2010 ad € 13.548,15, respectievelijk d.d. 22 december 2010 ad € 696,15, respectievelijk d.d. 25 januari 2011 ad € 2.604,67 alsmede de factuur d.d. 28 januari 2011 ad € 186,24, was dan ook op die datum opeisbaar geworden. Van dit bedrag heeft Arion € 34.795,35 onbetaald gelaten. Daarbij beroept Arion zich op verrekening in verband met de door haar gestelde vordering van € 34.795,35 uit hoofde van de door haar buitengerechtelijk ingeroepen ontbinding van de Samenwerkings- en investeringsovereenkomst wegens tekortkomingen aan de door Indes aan Arion geleverde Sprizers.

Beroep op verrekening

3.2. Indes stelt dat Arion geen verrekening toekomt wegens vermeende gebreken aan de Sprizer. Daartoe voert zij aan dat wederkerigheid ontbreekt, nu de overeenkomsten ook wat betreft de inhoud verschillend zijn en de prestatie inzake de ene overeenkomst niet de schuld in de andere overeenkomst beantwoordt. Indes stelt bovendien dat de door Arion gestelde en door Indes betwiste vordering niet eenvoudig is vast te stellen, zodat ook op die grond geen ruimte is voor verrekening.

3.3. Arion stelt dat haar wel een beroep op verrekening toekomt nu sprake is van wederkerig schuldenaarschap: Indes had een schuld aan Arion uit hoofde van de ontbinding van de ‘Sprizer overeenkomst’ en Arion had een schuld aan Indes uit hoofde van de distributieovereenkomst. De vordering van Arion op Indes ter zake van de Sprizers is eenvoudig vast te stellen en is gelijk aan de inkoopwaarde van de Sprizers en de onderdelen.

3.4. Met betrekking tot het beroep van Arion op verrekening, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 6:127 lid 2 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) bepaalt dat een schuldenaar de bevoegdheid heeft tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu voldaan aan de eis van wederkerigheid, nu Indes en Arion over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn. Voor verrekening is voorts vereist dat de prestaties die partijen van elkaar te vorderen hebben, gelijksoortig zijn, dat wil zeggen dat de schuldenaar die zich op verrekening beroept (Arion) een prestatie heeft te vorderen die beantwoordt aan zijn schuld. Naast identiteit van partijen is derhalve identiteit van prestaties vereist. Daarvan is sprake indien de schuldenaar (Arion) bevoegd is het verschuldigde te betalen met hetgeen hij van zijn wederpartij (Indes) te vorderen heeft. De over en weer verschuldigde prestaties zijn alleen dan gelijksoortig indien de wederpartij (Indes) de door de schuldenaar (Arion) te verrichten prestatie, bestaande uit hetgeen de schuldenaar (Arion) op haar beurt van de wederpartij (Indes) te vorderen heeft, niet zou kunnen weigeren zonder in schuldeisersverzuim te geraken (vgl. ‘Verrekening’, mr. dr. N.E.D. Faber, Kluwer 2005). Naar het oordeel van de rechtbank staat voorts voldoende vast dat de schuldenaar (Arion) bevoegd is tot bevrijdende betaling van zijn schuld aan de schuldeiser (Indes). Tenslotte is er ook geen beletsel aan te nemen dat de schuldenaar (Arion) in haar hoedanigheid van schuldeiser bevoegd is om het bedrag ter zake waarvan zij verrekening verlangd, van Indes af te dwingen. Aldus wordt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aan de vereisten voor een beroep op verrekening voldaan. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om het gedane beroep op verrekening op de voet van artikel 6:136 BW te passeren, aangezien de vordering van Arion naar het oordeel van de rechtbank zowel materieel als processueel niet liquide is nu – zoals hierna zal worden overwogen - de hoegrootheid daarvan nog (nader) zal moeten worden vastgesteld. De rechtbank zal de vordering van Indes ter grootte van € 34.795,35 dan ook bij het nog te wijzen eindvonnis toewijzen, te vermeerderen met rente en kosten.

De Sprizer

3.5. Arion stelt dat de Sprizer structurele gebreken vertoont. Daartoe voert Arion ondermeer aan dat er problemen zijn met de behuizing van de Sprizer. Zij beroept zich daarbij op een in haar opdracht door Indes Consultancy Management te Enschede opgesteld rapport

d.d. 19 oktober 2010 getiteld ‘Sprizer QA rapport losbreken behuizing’. Daarin wordt geconstateerd dat Sprizers soms rammelen, er kleine kunststof onderdelen in de behuizing liggen, een enkele Sprizer compleet doormidden is gebroken en dat afgebroken schroefpotten zichtbaar zijn. De conclusie van het rapport luidt dat: de plastics van de behuizing niet conform CAD- files zijn gemaakt; de schroefpotten verlengd moeten worden, waarvoor de matrijs moet worden aangepast; de voorgeschreven schroeven (EJOT) moeten worden toegepast om de spanning in de kunststof te verlagen. Voorts stelt Arion onbetwist dat Indes bij e-mail van 21 oktober 2010 aan haar heeft bericht dat aan de behuizing een structureel probleem kleeft. Vaststaat dat er naar aanleiding van de door partijen vastgestelde tekortkomingen aan de behuizing door Indes een zogenaamde ‘soft-recall’ heeft plaatsgevonden, waarbij alle reeds geleverde of op voorraad aanwezige Sprizers zijn teruggeroepen. Volgens Indes is daarbij de behuizing verbeterd en kleven er thans geen tekortkomingen meer aan de Sprizers. Ter zitting heeft Arion evenwel verklaard dat er na de recall opnieuw tekortkomingen aan de Sprizer zijn ontstaan. De betreffende ‘batch’ heeft Arion aan Indes geretourneerd, doch bij terugzending aan Arion was er nog steeds sprake van tekortkomingen, zoals losse schroeven in de behuizing en het in voorkomende gevallen niet volledig oppompen van de matras. Voorts heeft Arion gesteld dat haar beroep op ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst met Indes voorts is ingegeven door de uitspraak van de heer[X] van Indes dat de kwaliteit van het door Indes geproduceerde product niet naar behoren is en ook niet meer op niveau te brengen is, welke uitspraak de heer [X] betwist. Ter zitting heeft de heer [X] verklaard dat de kwaliteit van de Sprizers zou toenemen naar mate er meer van zouden worden geproduceerd.

Bij die stand van zaken zal Arion, gelet op het door haar gedane bewijsaanbod, op de voet van artikel 1:150 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat de door Indes aan Arion geleverde voorraad van 120 totaalsets Sprizers en 55 pompen ook na de recall niet de eigenschappen bezit die Arion op grond van de met Indes gesloten overeenkomst daarvan mocht verwachten en dat Indes mitsdien tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen.

Royalty en marge

3.6. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vordering ter zake van royalty en marge ter grootte van € 26.653,28. Tussen partijen staat vast dat zij in punt 4.2. respectievelijk 6.6. van het addendum voor zover thans van belang het volgende zijn overeengekomen:

’4.2. De eerste 237 stuks Cairlift II (Sprizer) worden geleverd door Indes tegen kostprijs volgens Appendix I. De royalty (€ 100,-) komt 50-50 ten gunste van Indes en Arion. De gerealiseerde verkoopmarge, verminderd met € 547,- (voorraadwaarde Cairlift I) komt volgens de afgesproken verdeling (Indes/Arion: 1/ 2,7) ten gunste van Indes en Arion.’;

‘6.6. De in het Joint Venture model afgesproken Royalty, zijnde € 100,-, die gelijkelijk wordt verdeeld tussen Indes en Arion komt ten gunste aan een nieuw op te richten gezamenlijke B.V. op het moment van verkoop van de producten door Arion.’

Indes beroept zich voor de verschuldigdheid van de royalty en marge op hetgeen tussen partijen in de hiervoor geciteerde bepaling is overeengekomen. Tegen de inhoud daarvan en tegen de hoogte van de vordering als zodanig, heeft Arion zich niet verzet. Zij stelt evenwel dat naar aanleiding van de betreffende factuur er in 2009 een bespreking is geweest, waarbij de heer [Y] van de kant van Arion en de heer [X] en mevrouw [Z]namens Indes aanwezig waren. De uitkomst van die bespreking was volgens Arion, dat de factuur ter zijde zou worden geschoven, omdat de berekening van royalty en marge tot gevolg zou hebben dat juist Indes aan Arion zou moeten betalen. Daarbij beroept Arion zich op productie 3 bij conclusie van antwoord, waaruit zou blijken dat Indes aan Arion een bedrag van € 3.583,25 verschuldigd zou zijn. Indes betwist de stellingen van Arion op dit onderdeel.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank Arion belasten met het bewijs dat tussen partijen is overeengekomen dat genoemde factuur ter zijde is geschoven en dat aldus Arion aan Indes ter zake van royalty en marge niets verschuldigd is. Slaagt Arion niet in dit bewijs, dan komt de vordering op dit onderdeel voor toewijzing in aanmerking.

Patent aanvraag

3.7. De rechtbank komt vervolgens toe aan de vordering van Indes met betrekking tot de kosten van het aanvragen van patent ter grootte van € 2.103.33. Daartoe stelt zij dat zij voor een onderdeel van de Sprizer patent heeft aangevraagd en dat met Arion is overeengekomen dat de kosten daarvan bij helfte tussen partijen worden gedeeld. Arion heeft het bestaan van een dergelijke overeenkomst gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt dat Indes voor het bestaan van de afspraak, dat Arion de helft van de kosten van het aanvragen van patent voor haar rekening zou nemen, niet anders heeft overgelegd dan aan Arion gerichte facturen, die door laatstgenoemde zijn betwist. Andere schriftelijke bescheiden die steun bieden voor het bestaan van de gestelde afspraak, heeft Indes niet overgelegd. Evenmin heeft Indes ter zake een concreet bewijsaanbod gedaan. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat Indes op dit punt onvoldoende heeft gesteld c.q. haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de rechtbank dit onderdeel van de vordering bij het nog te wijzen eindvonnis zal afwijzen.

4. De beslissing

De rechtbank:

I. Draagt Arion op te bewijzen als overwogen in rechtsoverwegingen 3.5. en 3.6.

II. Bepaalt dat indien Arion het bewijs wenst te leveren door getuigen deze

zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Almelo door mr. P.L. Alers.

III. Verwijst de zaak naar de civiele rol van deze rechtbank van woensdag

28 december 2011 voor dagbepaling enquête en draagt Arion op ervoor zorg te dragen

dat uiterlijk vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de

verhinderdata van beide partijen en hun raadslieden alsmede het aantal te horen

getuigen.

IV. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. P.L. Alers en op 14 december 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.