Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU8431

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
125184 / KG ZA 11-259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod openbare verkoop afgewezen ondanks onderhands bod op te executeren goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 125184 / KG ZA 11-259

datum vonnis: 13 december 2011

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. G.J. Hollema te Almelo,

tegen

De Ontvanger van de Belastingdienst Oost,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen de Ontvanger,

vertegenwoordigd door mr. J.G.L. Rerink.

1. Het procesverloop

[Eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 12 december 2011. Ter zitting zijn verschenen: [eiser], bijgestaan door mr. Hollema en namens de Ontvanger mr. Rerink en

[X]. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

2.1 In deze zaak staat het navolgende vast.

De Ontvanger heeft op 27 oktober 2011 ter zake een aantal belastingschulden executoriaal beslag doen leggen op enkele roerende zaken, waaronder een tweetal auto’s, die in eigendom toebehoren aan [eiser]. De datum van de executoriale verkoop is bepaald op

14 december 2011.

3. Het geschil

3.1 [Eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verbod voor de Ontvanger om de door hem aangekondigde openbare verkoop bij executie te laten plaatsvinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans een andere zodanige in goede justitie te treffen voorziening, met veroordeling van de Ontvanger in de kosten van dit geding.

3.2. De Ontvanger voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

4.2 Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of voortzetting van de geplande executoriale verkoop misbruik van bevoegdheid oplevert, omdat het door de vader van [eiser] onderhandse bod op de te executeren goederen bij voorbaat meer oplevert dan de opbrengst van de executoriale verkoop, zodat het belang van de Ontvanger bij voortzetting niet opweegt tegen het belang van [eiser] bij een verbod op de executie.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] belastingschulden heeft. Voorts heeft [eiser] niet betwist dat aan de Ontvanger de bevoegdheid toekomt om executoriaal beslag te leggen vanwege het tekortschieten in de nakoming van zijn betalingsverplichting jegens de Ontvanger. [Eiser] stelt evenwel dat de Ontvanger die bevoegdheid niet kan inroepen vanwege de onevenredigheid tussen de over en weer spelende belangen, hetgeen volgens hem misbruik van bevoegdheid oplevert.

4.4 [Eiser] stelt, meer in het bijzonder, dat hoewel de belastingschulden een onherroepelijk karakter hebben en deze schulden zijn vastgesteld naar aanleiding van zijn administratieve wanorde, de Ontvanger in de praktijk genegen lijkt om - na hernieuwd onderzoek door een accountant - de hoogte van de opgelegde aanslagen alsnog te herzien, zodat het onderzoek van de door hem ingeschakelde accountant dient te worden afgewacht. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat, nu [eiser] heeft nagelaten (tijdig) bezwaar te maken tegen de hem opgelegde aanslagen, de rechtbank uit moet gaan van de juistheid van die aanslagen dient uit te gaan.

4.5 Het belang van [eiser] bij toewijzing van het gevorderde kan voorts gelegen zijn in het feit dat de goederen die bij openbare verkoop zullen worden verkocht voor hem en zijn gezin aanzienlijk meer waarde hebben dan zij bij openbare verkoop waarschijnlijk zullen opleveren. De te verwachten opbrengst zal, gelet op het overgelegde taxatierapport en de executiekosten, bovendien lager zijn dan het onderhandse bod van € 5.000,- (hetgeen ter zitting is verhoogd naar € 7.500,-) dat de vader van [eiser] voor de goederen heeft geboden. Nu het geld niet afkomstig is uit het vermogen van de belastingplichtige (maar dat van diens vader), het aangeboden bedrag aanzienlijk hoger is dan de opbrengst die naar verwachting kan worden verkregen bij een verkoop en de belangen van de staat niet door de onderhandse verkoop worden geschaad, dient de openbare verkoop - mede gelet op artikel 14.1.10 van de Leidraad Invordering 2008 - voorkomen te worden.

4.6 Vooropgesteld dient te worden dat de bij de wet aan de Ontvanger gegeven bevoegdheid om tot uitwinning over te gaan voor hem een onmisbaar instrument is tot invordering - ten behoeve van de schatkist en daarmee van het algemeen belang - van op andere wijze niet te innen premies en belastinggelden. Dit vertegenwoordigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zodanig zwaarwegend belang dat het indien tot executie wordt overgegaan, slechts in uitzonderingsgevallen zal moeten wijken voor de op zich zelf mogelijk zeer aanzienlijke belangen van de belastingschuldige.

4.7 De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het belang van [eiser] bij een verbod op de executie opweegt tegen het algemeen belang van de Ontvanger bij voortzetting van de executie. Hij neemt daarbij in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat [eiser] tot tweemaal toe uitstel is verleend, nader gemaakte afspraken over de afbetaling van zijn belastingschulden niet is nagekomen jegens de Ontvanger en voorts dat hij zijn gelden wel beschikbaar stelt (in de vorm van een lening) aan familieleden en er schijnbaar voor kiest om zijn betalingsverplichting jegens de Ontvanger als preferent schuldeiser niet na te komen. Niet weersproken is voorts, dat aan de lopende verplichtingen door [eiser] niet wordt voldaan, zodat de totale schuld aan de Ontvanger verder oploopt. Genoegzaam is gebleken dat de Ontvanger, met een beroep op de voorgeschiedenis van deze zaak en met inachtneming van het beleid zoals neergelegd in de Leidraad Invordering 2008, in redelijkheid heeft mogen beslissen om op deze wijze tot inning van de belastingschulden over te gaan. De vader van [eiser] heeft weliswaar een onderhands bod ter voorkoming van de openbare verkoop gedaan, doch het is aan de Ontvanger om al dan niet op dat aanbod in te gaan. De enkele omstandigheid dat bij executie minder opbrengst gegenereerd zal (kunnen) worden, maakt de executie op zich niet onrechtmatig. Pressie is, tot slot, een aanvaardbaar (neven)effect van uitoefening/toepassing van het beslag- en executierecht, zij het binnen zekere grenzen, die hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zijn overschreden. Daarenboven geldt, dat niet aannemelijk is gemaakt, dat de vader van [eiser] een aanzienlijk hoger bedrag heeft geboden voor de te executeren goederen.

4.8 Het bovenstaande leidt tot het voorlopige oordeel dat niet gezegd kan worden dat de Ontvanger misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid executoriaal beslag te leggen.

De Ontvanger heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser], zodat zijn vorderingen dienen te worden afgewezen.

4.9 [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- vast recht € 560,00

- salaris advocaat € 0,00

Totaal € 560,00

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst af het gevorderde.

II. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 560,- aan verschotten.

III. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.