Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU7584

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
106993 HA ZA 09-1232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade na aanrijding die slechts zeer geringe impact kende; geen sprake van verlies aan verdienvermogen; vordering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 106993 HA ZA 09-1232

datum vonnis: 7 december 2011 (vdv)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

inzake:

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat mr. M.J.E.C. Camps te Enschede,

en

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

verder te noemen ASR,

procesadvocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

behandelend advocaat mr. K. Baetsen te Rotterdam.

Procesverloop

ASR heeft naar aanleiding van de haar bij tussenvonnis van 23 februari 2011 gegeven bewijsopdracht één getuige doen horen en [eiseres] in contra-enquête twee, waaronder zich zelf.

Nadien heeft aansluitend in de zin van de aan het slot van dat vonnis geopende mogelijkheid overleg tussen partijen in de vorm van een comparitie plaatsgevonden, waarvan bij gebreke van enig concreet resultaat geen proces-verbaal is opgemaakt.

Vervolgens hebben partijen wederom vonnis verzocht.

De verdere beoordeling van het geschil en de gronden van de beslissing

1. De rechtbank acht ASR niet geslaagd in het leveren van het haar opgedragen bewijs omtrent het bereiken van overeenstemming tussen de door haar ingeschakelde schaderegelaar en mr. [O].

2. Weliswaar blijkt uit de door schaderegelaar [V] afgelegde verklaring dat zijns inziens wel een regeling was bereikt, doch dit wordt niet door enig ander bewijs gesteund.

In contra-enquête wordt het bereiken van een regeling door mr. [O] niet bevestigd, terwijl [eiseres] verklaart van (het treffen van) enige regeling zelfs in het geheel niets te weten.

3. Dienvolgens dient de rechtbank thans te gaan beoordelen c.q. beslissen of aan [eiseres] -boven hetgeen reeds door ASR aan haar is voldaan- nog een schadevergoeding toekomt.

Verlies verdienvermogen

4. Uit de gewisselde processtukken blijkt het al of niet aangenomen moeten worden van (enig) verlies aan verdienvermogen voor [eiseres] als gevolg van de aanrijding

op 6 april 2005 het belangrijkste punt in deze zaak; dit blijkt ook uit de verklaring van schaderegelaar [V], die aangeeft dat naar zijn mening in de lumpsum betaling ad

€ 5.000,-- van ASR aan [eiseres] daarvoor geen vergoeding was begrepen en ASR zich op het standpunt stelt dat een dergelijk verlies voor [eiseres] niet aan de orde is.

5. [eiseres] blijft zich op het standpunt stellen, dat zij tengevolge van de aanrijding

op 6 april 2005, die slechts een zeer geringe impact kende, in de medische problemen is geraakt en arbeidsongeschikt is geworden, blijkende zulks uit het door haar overgelegde neuropsychologisch rapport van Brain Dynamics 2009, dat volgens haar aantoont dat er hersenproblemen zijn door en na het ongeval.

6. Dienaangaande is de rechtbank van oordeel dat van (verder) verlies aan arbeidsvermogen van [eiseres] door het ongeval op 6 april 2005 ten opzichte van de situatie (direct) voor dat ongeval niet kan worden gesproken.

Daartoe overweegt de rechtbank aan de hand van het door [eiseres] bij dagvaarding overgelegde omvangrijke (medisch) dossier, deels gerelateerd in het tussenvonnis

van 23 februari 2011:

a. Tot december 2002 is [eiseres] (laatstelijk) werkzaam geweest op uitzendbasis als intercedente bij [C] uitzendbureau, alstoen ontslagen en sedertdien heeft [eiseres] tot op heden -behoudens enkele maanden aan het einde van 2003- niet meer daadwerkelijk aan het arbeidsproces deelgenomen.

Omtrent het arbeidsverleden van [eiseres] voor december 2002 is niet veel meer bekend dan dat zij wisselend arbeid -meestal op uitzendbasis- verrichtte.

b. Tot en op het moment van het ongeval op 6 april 2005 was [eiseres] in ieder geval in eigen visie volledig arbeidsongeschikt.

Dr. [B] verrichtte in november 2004 en februari 2005 (1-80) een psychiatrische expertise en concludeerde dat [eiseres] lijdt aan een chronische aanpassingsstoornis (1-59 t/m 1-64) en maakt melding van concentratieklachten, een verstoord slaap-waakpatroon en initiatiefloosheid.

Op grond hiervan werd [eiseres] vervolgens door het UWV per 14 maart 2005 arbeidsgeschikt verklaard, waarmede zij het echter in het geheel niet eens was en -zij het te laat- beroep instelde en niet-ontvankelijkverklaring volgde.

[eiseres] is vervolgens niet tot het verrichten van werkzaamheden overgegaan.

c. Na de aanrijding op 6 april 2005, die -naar de rechtbank herhaalt- slechts een zeer geringe impact kende, heeft [eiseres] zich wederom per 11 april 2005 ziek gemeld en hebben wederom onderzoeken naar haar arbeids(on)geschiktheid plaatsgevonden, waaronder die van psychiater [T] d.d. 25 oktober 2005 (1-42) en deskundige van het bewegingsapparaat [S] d.d.23 december 2005 (1-33), waarvan de uitkomsten treffend worden samengevat in de rapportage d.d. 3 maart 2006 van [K], bezwaarverzekeringsarts, (1-27), onder:

Heroverweging

Op grond van alle nu bekende gegevens kan het volgende overwogen worden.

De bevindingen en conclusies van psychiater [T] en deskundige van het bewegingsapparaat [S] zijn duidelijk.

Mijn bevindingen (oriënterend psychiatrisch onderzoek en lichamelijk onderzoek) laten geen ander beeld zien dan deze onderzoeken hebben opgeleverd.

Belanghebbende claimt weliswaar meer psychische klachten(overigens pas ontstaan na de in geding zijnde datum als reactie op het zich niet serieus genomen voelen) en cognitieve klachten, maar tijdens expertisen onderzoeken en tijdens de hoorzitting kunnen deze klachten niet geobjectiveerd worden

Ik zie geen reden om geobjectiveerde (psychische en/of cognitieve) beperkingen aan te nemen, die belanghebbende zouden belemmeren tot het uitvoeren van de laatst verrichte functie van intercedent.

De lichamelijke (pijn)klachten wijzen gezien de aanwezige informatie (neuroloog en mevrouw [S]) en mijn eigen onderzoek op een gering myogeen bepaald beeld zonder aanwijzingen voor een evident neurologisch of orthopedisch substraat.

d. Het voorgaande tezamen genomen brengt de rechtbank tot het oordeel, dat er wat betreft de (mate van) arbeids(on)geschiktheid van [eiseres] vóór en na de aanrijding op 6 april 2005 geen relevant verschil is te duiden.

Het maakt in dat kader niet uit of daarbij wordt uitgegaan van het standpunt van het UWV, dat arbeidsgeschiktheid van [eiseres] voor haar “oude” functie van intercedente dient te worden aangenomen, dan wel het standpunt van [eiseres] wordt gevolgd, inhoudende dat zij vóór en na de aanrijding als zodanig arbeidsongeschikt is geweest.

Geen van beide standpunten leidt tot de conclusie dat door [eiseres] een (verder) verlies aan verdienvermogen, dat in causaal verband met de aanrijding op 6 april 2005 staat, is geleden.

Overigens blijft het in de stellingen en daarop gestoelde betogen van [eiseres] geheel onverklaard hoe het mogelijk is dat de klachten en beperkingen die zij ondervond vanaf 2002 en waardoor zij tot datum ongeval geheel arbeidsongeschikt was geweest, nadien zonder enige verklaring allen verdwenen zouden zijn (als de spreekwoordelijke sneeuw voor de zon, waar op zich nog wel een logische verklaring voor is) en na het ongeval haar arbeidsongeschiktheid nadien nog uitsluitend aan de gevolgen van die (op zich zeer lichte) aanrijding van 6 april 2005 te wijten zou zijn.

Gezien het uitvoerige (medisch) dossier dat deel uitmaakt van deze procedure en het grote aantal deskundigenonderzoeken, dat daarvan deel uitmaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding op het verzoek van [eiseres] om nog nader deskundigenonderzoek te gelasten, in te gaan en zal zonderdien verder beslissen.

e. De conclusie van het vorenstaande is dat van verlies aan verdienvermogen voor [eiseres] als gevolg van de aanrijding op 6 april 2005 geen sprake is.

Waar de vordering van [eiseres] strekt tot een schadestaatprocedure, dient de rechtbank thans de vraag te beantwoorden in hoeverre de reeds door ASR aan [eiseres] betaalde vergoeding van € 5.000,-- (buiten de vergoede buitengerechtelijke kosten) haar overige schade dekt.

f. De door [eiseres] als productie 4 bij dagvaarding overgelegde schadestaat tegen het licht van vorengaande overwegingen beziende, brengt de rechtbank op het punt van mogelijke rechtens relevante verdere schade tot het oordeel, dat die er amper is.

In ieder geval maakt die schade zo’n ondergeschikt deel uit van het aan [eiseres] reeds betaalde bedrag, dat het restant meer dan adequaat moet worden geacht om eventueel aan [eiseres] opgekomen immateriële schade vergoed te hebben.

Slotsom

7. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] tegen ASR afwijzen.

Omdat hiermede beide partijen (deels) in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af de vordering van [eiseres] op ASR.

II. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Van der Veer, Lorist en Margadant en op woensdag 7 december 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.