Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU7472

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
119150 / HA ZA 11-234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugbetaling PGB-voorschotten. Vanwege de formele rechtskracht van een besluit dd. 2 februari 2010 komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van voornoemd besluit echter niet toe. Vordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 119150 / HA ZA 11-234

Vonnis van 23 november 2011 (lm)

in de zaak van

de stichting

STICHTING ZORGKANTOOR MENZIS,

gevestigd te Wageningen,

eiseres,

advocaat mr. J.H. de Boer te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.B. Meijer te Enschede.

Partijen zullen hierna ‘Menzis’ en ‘[gedaagde]’ genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4

- de conclusie van antwoord met productie 5

- de conclusie van repliek met producties 5 tot en met 7

- de conclusie van dupliek.

1.2. Partijen hebben vonnis verzocht. Het vonnis is, na korte aanhouding, bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Menzis heeft, in haar hoedanigheid van zorgkantoor ingevolge de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ), aan [gedaagde] bij beschikking van 15 december 2009 een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend over de periode van 1 januari 2009 tot met

31 december 2009 ter hoogte van € 9.846,58.

2.2. [Gedaagde] heeft over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een PGB in voorschotten ontvangen ter hoogte van € 9.696,41.

2.3. Menzis heeft bij beschikking van 2 februari 2010 de eindafrekening van het PGB vastgesteld en [gedaagde] hierover geïnformeerd. Het door [gedaagde] terug te betalen bedrag bedraagt € 9.696,41.

2.4. [Gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikking van 2 februari 2010.

2.5. Bij beschikking van 13 oktober 2010 heeft Menzis beslist op het bezwaarschrift en [gedaagde] niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar, omdat zij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend.

2.6. Menzis heeft [gedaagde] aangemaand tot betaling van voornoemd bedrag van

€ 9.696,41.

3. Het geschil

3.1. Menzis vordert veroordeling van [gedaagde] om aan haar te betalen een bedrag van

€ 10.816,39, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.696,41 vanaf 10 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. Zij stelt daartoe dat [gedaagde], ondanks aanmaningen daartoe, in gebreke is gebleven verantwoording af te leggen over de besteding van het PGB. [Gedaagde] is daarom gehouden het - onverschuldigd betaalde - bedrag van € 9.696,41 terug te betalen. De rente vanaf de vervaldatum tot 10 februari 2011 bedraagt € 286,98 en de buitengerechtelijke incassokosten bedragen € 833,00, inclusief BTW.

3.3. [Gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat van de door haar ontvangen PGB-gelden een bedrag van € 3.100,00 is aangewend voor het inkopen van zorg. Dat bedrag dient in mindering te strekken op het bedrag van € 9.696,41. Voor het resterende bedrag van € 6.686,41 kan [gedaagde] geen verantwoording afleggen, zodat dit bedrag aan Menzis zal moeten worden terugbetaald. [Gedaagde] betwist voorts dat Menzis buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, nu Menzis niet heeft onderbouwd dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen staat vast dat Menzis bij besluit van 2 februari 2010 - waarop Menzis haar vordering baseert - heeft vastgesteld dat [gedaagde] de eerder aan haar toegekende PGB-voorschotten ter hoogte van € 9.696,41 aan Menzis dient terug te betalen. [Gedaagde] is in haar, tegen dat besluit gerichte, bezwaar niet ontvankelijk verklaard. [Gedaagde] heeft voorts geen gebruik gemaakt van de openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang, zodat het besluit van 2 februari 2010 formele rechtskracht heeft. Het besluit levert geen executoriale titel op, zodat Menzis belang heeft bij deze procedure.

4.2. Aan het besluit van 2 februari 2010 is ten grondslag gelegd dat [gedaagde] geen verantwoording heeft afgelegd over de besteding van de voorschotten in het jaar 2009. Het totaal aan onverantwoorde voorschotten bedraagt € 9.696,41. [Gedaagde] stelt dat van de door haar ontvangen PGB-gelden een bedrag van € 3.100,00 daadwerkelijk is aangewend voor het inkopen van zorg, hetgeen volgens haar blijkt uit de door haar bij antwoordakte als productie 5 overgelegd verantwoordingsformulier. Voornoemd bedrag dient volgens haar in mindering te strekken op het totaal van € 9.696,41. Voor het resterende bedrag van

€ 6.686,41 kan zij geen verantwoording afleggen, zodat dat bedrag volgens haar aan Menzis dient te worden terugbetaald. Vanwege de formele rechtskracht van het besluit van

2 februari 2010 komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van voornoemd besluit echter niet toe. Wanneer, zoals in het onderhavige geval, tegen een besluit de beroepsgang van de Algemene wet bestuursrecht heeft opengestaan, dient de civiele rechter - als die rechtsgang niet is gebruikt - ervan uit te gaan dat het besluit zowel wat betreft de totstandkoming als wat betreft de inhoud in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en de algemene rechtsbeginselen, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard. Dat laatste is evenwel gesteld noch gebleken.

4.3. Het voorgaande brengt mee dat vast staat dat Menzis in totaal een bedrag van

€ 9.696,41 onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde]. De vordering is in zoverre toewijsbaar. Ook de daarover gevorderde rente is, als niet afzonderlijk betwist, toewijsbaar. Menzis heeft ombetwist gesteld dat de wettelijke rente tot 10 februari 2011 € 286,96 bedraagt, zodat daarvan wordt uitgegaan.

4.4. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Menzis heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.5. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van Menzis worden begroot op:

- dagvaarding € 94,32

- griffierecht 568,00

- salaris advocaat 768,00 (2 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.430,32

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag van

€ 9.983,37 (negenduizend negenhonderd drieëntachtig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.696,41 vanaf 10 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Menzis begroot op € 1.430,32, waarvan € 94,32 aan kosten dagvaarding, € 568,00 aan griffierecht en € 768,00 aan salaris advocaat,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op

23 november 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.?