Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU7397

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
119155 / HA ZA 11-239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Formele rechtskracht van de eindafrekening persoonsgebonden budget. Niet gebleken van omstandigheden die afwijking van het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 119155 / HA ZA 11-239

datum vonnis: 23 november 2011 (P.L.)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

Stichting Zorgkantoor Menzis,

gevestigd te Wageningen,

eiseres,

verder te noemen Menzis,

advocaat: mr. J.H. de Boer te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr.drs. C. Verrillo te Oldenzaal.

Het procesverloop

1.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 31 augustus 2011 is een comparitie van partijen

gelast.

1.2. Ten behoeve van de comparitie heeft Menzis een nadere akte met producties in het

geding gebracht.

1.3. De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011, waarvan proces

verbaal is opgemaakt. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

1.4. Het vonnis is bepaald op heden.

De feiten

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 31 augustus 2011 over de feiten, de vordering en de onderbouwing daarvan is overwogen en beslist.

2.2. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet betwiste producties het navolgende vast.

2.3. Menzis is aangewezen als zorgkantoor in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (verder: AWBZ).

2.4. [X], de dochter van [gedaagde], is meervoudig lichamelijk en geestelijk gehandicapt. Menzis heeft aan [X], op 21 februari 2009 met terugwerkende kracht een ‘Persoonsgebonden budget’ toegekend (verder: PGB) voor de periode 1 januari 2009 t/m 31 december 2009 ter grootte van € 38.443,89. In het systeem van het PGB is [X] budgethouder. [gedaagde] treedt op als wettelijke vertegenwoordiger.

2.5. [gedaagde] en haar partner, [Y], hebben een ‘en/of’ bankrekening bij de Rabobank, nummer [nr.]. [gedaagde] heeft op 30 januari 2009 een ondertekend antwoordformulier aan Menzis gezonden met vermelding van voornoemd bankrekening-nummer. Op dit rekeningnummer heeft Menzis vervolgens ten behoeve van [X]voorschotten aan PGB overgemaakt tot een bedrag van € 35.178,80.

2.6. [gedaagde] heeft ondanks verzoeken van Menzis geen verantwoording afgelegd van de bestedingen van het PGB.

2.7. Menzis heeft bij brief van 9 november 2009 aan de budgethouder bericht dat een bedrag van € 35.178,80 moet worden terugbetaald. [gedaagde] heeft daaraan niet voldaan.

2.8. Menzis vordert de in 2009 betaalde bedragen aan PGB als onverschuldigd betaald terug, vermeerderd met rente en kosten.

De nadere standpunten van partijen

3.1. In haar nadere akte stelt Menzis dat de beschikking van 9 november 2009 formele rechtskracht heeft verkregen nu daartegen geen bezwaar is gemaakt. [gedaagde] had belang om gebruik te maken van die bestuursrechtelijke rechtsgang nu zij op eigen verzoek de PGB-gelden voor haar dochter heeft ontvangen.

De verdere beoordeling en de motivering

4.1. De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] dat de verkeerde partij gedagvaard is, nu niet [gedaagde], maar haar dochter de toekenningsbeschikking heeft ontvangen en de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ d.d. 9 november 2009 niet aan [gedaagde] is gericht. De vordering dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld wordt – zoals ook onweersproken tussen partijen vaststaat – dat [gedaagde] het PGB heeft aangevraagd, daarvoor de noodzakelijke formulieren heeft ingevuld en ondertekend en dat [gedaagde] de PGB-gelden op haar bankrekening heeft ontvangen. Voorts is onweersproken dat [gedaagde] als wettelijke vertegenwoordiger van haar dochter optrad, nu deze ten tijde van de toekenning van het PGB minderjarig was. Onweersproken is voorts de stelling van Menzis dat degene die de PGB-gelden ontvangt, gehouden is daarover rekening en verantwoording af te leggen. Nu Menzis haar vordering baseert op onverschuldigde betaling wegens het niet afleggen van rekening en verantwoording over het uitgekeerde PGB en de plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording op [gedaagde] rustte als degene die namens de dochter het PGB ontving, is [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank terecht door Menzis in de procedure betrokken. Het verweer van [gedaagde] dat Menzis niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat niet de juiste persoon zou zijn gedagvaard, wordt dan ook verworpen.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat Menzis met openbaar gezag is bekleed en bij het nemen van beslissingen om verzoeken om toekenning van een PGB een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb). De ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ van 9 november 2009, waarbij in totaal een bedrag van € 35.178,80 wordt teruggevorderd, is een beschikking van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:3 Awb. Daartoe overweegt de rechtbank dat de toekenningsbeschikking van 21 februari 2009 als verleningsbeschikking in de zin van de Regeling Subsidies AWBZ (verder: de Regeling) moet worden beschouwd.

Artikel 2.6.12 lid 2 onder b jo. artikel 2.6.9 lid 1 sub e van de Regeling bepaalt dat de toekenningsbeschikking kan worden ingetrokken als geen rekening en verantwoording wordt afgelegd van het toegekende PGB. Het intrekken of wijzigen van de toekenningsbeschikking is ook een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb. Nu de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ van 9 november 2009 de toekenningsbeschikking in zoverre intrekt door terugbetaling te vorderen van de toegekende PGB, is de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ naar het oordeel van de rechtbank een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb.

4.3. Tegen een beschikking in de zin van artikel 1:3 Awb staat de bestuursrechtelijke rechtsgang open. Dit blijkt ook uit de begeleidende tekst bij de eindafrekening. Hierin staat immers: “Bent u het niet eens met dit besluit? U kunt binnen zes weken bezwaar maken tegen deze beschikking”. Vaststaat dat [gedaagde] tegen voornoemd besluit niet in bezwaar of beroep is gekomen. Ook ten tijde van de comparitie stond vast dat de termijnen om bezwaar te maken of in beroep te gaan, reeds waren verstreken. Bij die stand van zaken moet worden aangenomen dat de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ van

9 november 2009 daarmee formele rechtskracht heeft gekregen en dat de beschikking onherroepelijk is geworden. Immers, wanneer tegen een beschikking een met voldoende rechtswaarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, dient de burgerlijke rechter ingeval de geldigheid van die beschikking in het voor hem gevoerde geding in geschil is, er van uit te gaan dat die beschikking zowel wat de wijze van totstandkoming betreft als de inhoud in overeenstemming is met de betreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Indien [gedaagde] met de door haar aangevoerde omstandigheden heeft beoogd het beginsel van formele rechtskracht aan te tasten, kan haar dit niet baten nu de aangevoerde omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet zo klemmend zijn dat van het beginsel van de formele rechtskracht moet worden afgeweken. Zo voert [gedaagde] onder meer aan zich niet te hebben gerealiseerd dat er voldaan diende te worden aan de verplichtingen, zoals het aangaan van een schriftelijke overeenkomst en het bewaren van nota’s en declaraties. Ter zitting heeft zij evenwel bevestigd een bewaarmap van Menzis te hebben ontvangen met voorbeeldbrieven en instructies over het PGB, maar die ongelezen ter zijde te hebben gelegd. Dat [gedaagde] dan wel de heer [Y] de Nederlandse taal niet (goed) machtig zijn, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders, nu van haar in die omstandigheden verwacht had mogen worden na ontvangst van de informatiemap en/of de beschikking van Menzis, waarbij de bijdrage werd teruggevorderd, hulp of advies in te roepen, zoals zij dat ook bij de aanvraag om het PGB verklaarde te hebben gedaan. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die afwijking van het beginsel van de formele rechtskracht rechtvaardigen. Met name is [gedaagde] er niet in geslaagd alsnog bewijsbaar aan te tonen waaraan de ontvangen voorschotten PGB zijn besteed.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de formele rechtskracht ook ten opzichte van [gedaagde] geldt, ondanks dat de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ zich in beginsel richt tot haar dochter. De rechtbank vindt voor deze opvatting steun in de jurisprudentie waarin is bepaald dat wanneer anderen dan degene, tegen wie een beschikking is gericht, het rechtens vereiste belang hebben om gebruik te kunnen maken van een met voldoende rechtswaarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang, de wenselijkheid van een doelmatige taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter meebrengt dat ook ten aanzien van hen in beginsel dient te worden uitgegaan van de formele rechtskracht van de beschikking, indien zij die rechtsgang niet hebben benut. [gedaagde] had een rechtens vereist belang om gebruik te maken van de bestuursrechtelijke rechtsgang, nu zij wettelijke vertegenwoordiger van haar dochter (de budgethouder) was bij de (aanvraag om) toekenning, de PGB-gelden heeft ontvangen en die - volgens haar stelling - volledig besteed heeft ten behoeve van haar dochter.

4.5. De slotsom moet derhalve zijn dat de ‘eindafrekening persoonsgebonden budget’ waarbij de ontvangen PGB-gelden wordt teruggevorderd, formele rechtskracht heeft gekregen en dat de formele rechtskracht ook ten opzichte van [gedaagde] heeft te gelden.

4.6. Nu vaststaat dat [gedaagde] ondanks herhaalde verzoeken van de kant van Menzis geen rekening en verantwoording heeft afgelegd en de onder 4.5. vermelde beschikking formele rechtskracht heeft verkregen, komt de vordering van Menzis tot terugbetaling van

€ 35.178,80 uit hoofde van onverschuldigde betaling voor toewijzing in aanmerking.

4.7. De door Menzis gevorderde wettelijke rente zal, als niet weersproken, worden toegewezen, zijnde € 1.105,68 tot 27 december 2010, en vanaf die datum tot de datum van algehele voldoening.

4.8. Uit de door partijen overgelegde correspondentie is gebleken dat er meermalen contact tussen partijen heeft plaatsgevonden over de terug te betalen voorschotten PGB. Toen betaling uitbleef, heeft Menzis een incassogemachtigde ingeschakeld die een aantal aanmaningen heeft gezonden aan [gedaagde]. Deze werkzaamheden zijn aan te merken als redelijke kosten ter voldoening buiten rechte die op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking komen. Een bedrag van € 1.190,- inclusief BTW zal worden toegewezen.

4.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Menzis begroot op € 2.436,81 bestaande uit:

- kosten dagvaarding € 97,81;

- griffierecht € 1.181,-;

- salaris advocaat: € 1.158,- (2 punten à € 579,-)

5. De beslissing

De rechtbank:

I. Veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag van

€ 35.178,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel

6:119 BW tot 27 december 2010 berekend op € 1.105,68 en met de wettelijke rente vanaf 27 december 2010 tot de dag der algehele voldoening.

II. Veroordeelt [gedaagde] in de buitengerechtelijke kosten aan de zijde van Menzis gevallen ad € 1.190,-.

III. Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Menzis begroot op begroot op € 1.278,81 aan verschotten en € 1.158,- aan salaris van de advocaat.

IV. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. P.L. Alers en op 23 november 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.