Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU6190

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
10/290 WIA N1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Motivering afwijking diagnose en GAF-score. Pragmatische handelwijze verzekeringsarts bovennormale belasting. Motivering beoordelingspunt 1.9.7, deadlines of productiepieken.

1. Verweerder dient nader te motiveren waarom wordt afgeweken van de door de psychiater vastgestelde diagnose en GAF-score.

2. De pragmatische handelwijze van de verzekeringsarts, inhoudende dat geen (extra) toelichting in de FML wordt opgenomen ondanks dat sprake is van een beperking tot de normaalwaarde, leidt niet tot signaleringen bij een bovennormale belasting op beoordelingspunten waarvoor geldt dat belasting en belastbaarheid niet in maat en getal worden uitgedrukt. Verweerder dient duidelijk te maken op welke beoordelingspunten van de FML eiseres beperkt is ten opzichte van de normaalwaarde. Vervolgens dient verweerder gemotiveerd toe te lichten of sprake is van een bovennormale belasting en zo ja, of deze bovennormale belasting in het geval van eiseres tot een overschrijding van de belastbaarheid leidt.

3.De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling of een functie kan worden geduid, in beginsel moet worden afgegaan op de omschrijving van de belasting in de functie van het resultaat functieomschrijving. Dit is alleen anders in een geval als dit, waar verweerder door een toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in combinatie met een toelichting van de arbeidskundig analist heeft duidelijk gemaakt wat de daadwerkelijke belasting is op het beoordelingspunt en verweerder daarbij voldoende overtuigend heeft toegelicht dat geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van eiseres op dit punt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 290 WIA N1 A

uitspraak van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

Eiseres,

wonende te (woonplaats), eiseres,

gemachtigde: voorheen mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, thans mr. A.F. van den Berg, beiden advocaat te Almelo,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 februari 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft verweerder op aanvraag van eiseres per 30 november 2009 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) geweigerd.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij besluit van 5 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 17 maart 2010, aangevuld bij brieven van 15 april 2010 en 25 juni 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 17 augustus 2010 een verweerschrift ingediend, tezamen met een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 augustus 2010. Bij brief van 11 februari 2011 heeft verweerder een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 9 februari 2011 overgelegd, en bij brief van 16 juni 2011 een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 juni 2011.

Vervolgens is, naar aanleiding van een vraagstelling van de rechtbank aan psychiater B. Kardels, een brief van B. Kardels van 5 december 2009 in geding gebracht. Hierop hebben zowel eiseres als verweerder gereageerd.

Hierna heeft eiseres bij brief van 15 september 2011 aanvullende stukken overgelegd.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 29 september 2011, waar eiseres tezamen met haar gemachtigde Kleyn van Willigen is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door L.A.P ter Laak, medewerker bezwaar en beroep, N. van Rhee, bezwaararbeidsdeskundige, en D. Vermeulen, arbeidskundig analist, allen werkzaam bij verweerder.

3. Overwegingen

Eiseres was werkzaam als productiemedewerkster. Zij heeft zich per 1 december 2007 wegens rugklachten en psychische klachten ziek gemeld voor dit werk. Verweerder heeft geweigerd eiseres per 30 november 2009 een WIA-uitkering toe te kennen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres met haar beperkingen nog steeds werk kan verrichten. Met dit werk zou eiseres ten minste hetzelfde kunnen verdienen als het loon van haar maatman, in dit geval een gezonde productiemedewerkster. Omdat het verdienverlies minder is dan 35% heeft eiseres volgens verweerder geen recht op een uitkering.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. Verder voert eiseres aan dat haar fysieke en psychische beperkingen onvoldoende zijn vertaald in de functionele-mogelijkhedenlijst (FML). Ten aanzien van haar fysieke klachten dienen vanwege haar rug- en nekklachten en het whiplashachtige beeld meer beperkingen aangenomen te worden. Ten aanzien van haar psychische klachten dienen, gelet op de informatie van psychiater Kardels waarin een GAF-score van 50 wordt aangegeven, meer beperkingen aangenomen te worden. In dit kader voert eiseres aan dat op grond van de expertise van een psychiater eerder diens oordeel moet worden gevolgd dan dat van een verzekeringsarts. Tevens is een urenbeperking nodig op energetische gronden omdat eiseres slecht slaapt en medicatie gebruikt die vermoeidheid met zich meebrengt. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat de stelling van de verzekeringsarts dat uit “pragmatisch” oogpunt geen extra toelichting in de FML wordt gegeven bij een aantal psychische en fysieke beperkingen omdat de arbeidsdeskundige op basis van rapportage en signalering bij belasting boven normaal er ook voldoende op geattendeerd wordt, niet juist is omdat bij zowel psychische als lichamelijke belastingen in de geduide functies geen signalering optreedt terwijl sprake is van een bovennormale belasting.

De rechtbank oordeelt als volgt.

In geschil is of het besluit van 5 februari 2010, waarbij een WIA-uitkering per 30 november 2009 is geweigerd, in rechte in stand kan blijven.

De medische beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Verzekeringsarts Wolbers heeft dossierstudie verricht en heeft eiseres zelf gesproken op zijn spreekuur. Tevens heeft hij een lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Ook heeft hij zijn oordeel gebaseerd op medische gegevens van de behandelaars van eiseres, en heeft hij informatie opgevraagd bij psychiater B. Kardels en neuroloog H.W. Nijmeijer, welke informatie hij in zijn beoordeling heeft betrokken. Zijn bevindingen heeft verzekeringsarts Wolbers neergelegd in zijn rapportages van 22 en 29 september 2009 en 3 november 2009. Bezwaarverzekeringsarts Vastert heeft eveneens dossieronderzoek

verricht. Hij heeft eiseres gesproken op een hoorzitting, waarna hij informatie heeft opgevraagd bij huisarts Bosscha welke informatie in zijn beoordeling is betrokken. De omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts zelf geen lichamelijk onderzoek heeft verricht betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek, nu de verzekeringsarts wel lichamelijk onderzoek heeft verricht en de bezwaarverzekeringsarts de uitkomsten van dit onderzoek en de overige beschikbare informatie in zijn beoordeling heeft betrokken en zich verenigt met de visie van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn oordeel voldoende inzichtelijk gemaakt in zijn rapportage van 21 januari 2010. Eiseres heeft niets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont.

Uitgaande van dit zorgvuldige onderzoek heeft de verzekeringsarts in zijn rapportages van 22 september 2009 en 3 november 2009 en de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 21 januari 2010 voldoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om ten aanzien van de fysieke klachten van het houdings- en bewegingsapparaat van eiseres meer beperkingen aan te nemen in de FML. Uit deze rapportages blijkt dat er rekening is gehouden met onder meer de nek- en rugklachten van eiseres, uitgaande van de diagnose whiplash. De FML bevat beperkingen in de rubrieken 3, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, 4, dynamische handelingen en 5, statische houdingen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet voldoende zijn. Eiseres heeft geen medische gegevens overgelegd die haar stelling dat op dit vlak onvoldoende beperkingen zijn aangenomen, onderbouwen.

De rechtbank volgt verweerder echter vooralsnog niet in de aangenomen beperkingen als gevolg van de psychische problemen van eiseres. Volgens de (bezwaar)verzekeringsarts is bij eiseres geen sprake van een psychose, maar van een beeld dat past bij pseudohallucinaties, daar de symptomen van eiseres volgens de (bezwaar)verzekeringsarts gezien kunnen worden als cultuurgerelateerde uiting van psychosociale stress, die vaak samengaat met een somatoforme stoornis. De GAF-score kan worden gesteld op 60-70. Gelet op de brieven van psychiater Kardels van 22 oktober 2009 en 5 december 2009, waarin de psychiater als diagnose op AS I volgens DSM IV uitgaat van een depressie met psychotische kenmerken en somatisatie en de thans in geding zijnde datum, 30 november 2009, heeft de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende onderbouwd waarom niet van deze diagnose uitgegaan dient te worden. Hetzelfde geldt voor de GAF-score, die door Karels wordt gesteld op 50. Hoewel een verzekeringsarts de inschatting van de GAF-score door de psychiater niet hoeft te volgen, dient een afwijking wel deugdelijk te worden gemotiveerd. Deze motivering ontbreekt dus. Reeds hierom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat een GAF-score van 50 niet zonder meer betekent dat geen loonvormende arbeid kan worden verricht (zie Centrale Raad van Beroep (CRvB) 4 maart 2009, LJN BH4905).

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient verweerder nader te motiveren waarom wordt afgeweken van de door de psychiater in zijn brieven van 22 oktober 2009 en 5 december 2009 vastgestelde bevindingen en diagnose, waaronder de genoemde GAF-score.

Verder heeft de rechtbank op grond van het navolgende redenen om te twijfelen aan de juistheid van de FML.

Uit vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 juni 2009, LJN BI6812) volgt onder meer dat de CRvB van oordeel is dat het CBBS (Claimbeoordelings- en Borgingssyteem) als ondersteunend systeem voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden, zodat een met behulp van dat systeem genomen besluit in beginsel een toereikend niveau heeft van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. De CRvB heeft in dat kader ook geoordeeld dat bij de inrichting van het systeem genoegzaam rekening wordt gehouden met de risico’s van het gebruik van normaalwaarden. Ook heeft de CRvB geoordeeld, dat hij het voldoende aannemelijk acht dat het CBBS, zowel bij de matchende als bij de niet-matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van een verzekerde - welke zich doorgaans zullen kunnen voordoen indien hij door de verzekeringsarts beperkt wordt geacht ten opzichte van de normaalwaarde of indien in een functie een belasting wordt gevraagd die meer bedraagt dan de normaalwaarde - alle onderkent en signaleert, waarmee wordt bereikt dat voor alle betrokkenen - de verzekerde zelf, diens eventuele rechtshulpverlener alsmede de rechter - op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting, onder omstandigheden als resultaat van voorafgaand overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts, noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de betreffende functies. Tot slot heeft de CRvB geoordeeld, omdat de exacte bepaling van de hoogte van de normaalwaarden niet van belang is, dat voor de CRvB geen reden bestaat om van het UWV te verlangen dat nader wordt verduidelijkt hoe de hoogte van de normaalwaarden is bepaald.

Verzekeringsarts Wolbers geeft in zijn rapportage van 22 september 2009 aan dat bij aspecten als bukken, torderen, reiken, boven schouderhoogte werken en duwen/trekken een beperking bestaat voor belasting merendeel van de dag boven normaal. Hij geeft bij deze items echter “pragmatisch” geen extra toelichting in de FML, omdat de arbeidsdeskundige op basis van rapportage en signalering bij belasting boven normaal er ook voldoende op geattendeerd wordt. Verder is eiseres vanwege bijkomende psychische klachten aangewezen op overzichtelijk, routinematig werk, zonder leidinggevende aspecten, niet met conflicten en niet met emotionele problemen van anderen. Bij handelingstempo en werkdruk is eiseres in staat tot een normale, gemiddelde belasting (ook tijd voor ontspanning). Ook hier geeft verzekeringsarts Wolbers “pragmatisch” geen extra toelichting in de FML omdat de arbeidsdeskundige op basis van rapportage en signalering bij belasting boven normaal er volgens Wolbers ook voldoende op geattendeerd wordt, zulks met uitzondering van de aspecten “niet met conflicten” en “niet met emotionele problemen van anderen” die in de FML als beperkt zijn aangenomen op beoordelingspunt 2.6, omgaan met conflicten, respectievelijk 2.8, emotionele problemen van anderen hanteren.

De rechtbank overweegt dat in verweerders handboek “Basisinformatie CBBS”, versie 6 oktober 2009, is opgenomen dat beoordelingspunten waarvoor geldt dat belasting en belastbaarheid in maat en getal worden uitgedrukt uitsluitend signaleringen kennen op basis van het niveau van de normaalwaarde; beoordelingspunten waarvoor geldt dat belasting en belastbaarheid niet in maat en getal worden uitgedrukt kennen uitsluitend signaleringen op basis van een toelichting van de verzekeringsarts bij de normaalwaarde (pagina 57). Hoewel niet steeds duidelijk is welke punten van de FML Wolbers precies op het oog heeft, betekent dit naar verwachting dat in ieder geval geen signaleringen zullen verschijnen bij een overschrijding van de belastbaarheid op de punten overzichtelijk, routinematig werk, zonder leidinggevende aspecten, handelingstempo en werkdruk.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de “pragmatische” handelwijze van verzekeringsarts Wolbers, inhoudende dat geen (extra) toelichting in de FML wordt opgenomen ondanks dat sprake is van een beperking tot de normaalwaarde, niet leidt tot signaleringen bij een bovennormale belasting op beoordelingspunten waarvoor geldt dat belasting en belastbaarheid niet in maat en getal worden uitgedrukt. Dit betekent dat mogelijke overschrijdingen niet langer op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar zijn voor betrokkenen. De rechtbank is echter van oordeel dat in dergelijke gevallen alsnog aan de eisen van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid wordt voldaan indien de verzekeringsarts in zijn rapportage expliciet aangeeft welk beoordelingspunt op de FML tot de normaalwaarde beperkt dient te worden en de arbeidsdeskundige vervolgens bij iedere belasting op dat beoordelingspunt in de functie gemotiveerd toelicht of sprake is van een bovennormale belasting en zo ja, of deze bovennormale belasting in het geval van betrokkene tot een overschrijding van de belastbaarheid leidt.

In het geval van eiseres wordt niet aan de voorwaarde voldaan dat de verzekeringsarts in zijn rapportage expliciet aangeeft welk beoordelingspunt op de FML tot de normaalwaarde beperkt dient te worden, hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige ter zitting bevestigd heeft. Zo komt bijvoorbeeld de term “werkdruk” niet voor in de FML en zou “handelingstempo” onder meerdere punten kunnen worden gevat. Ook hierom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient verweerder derhalve duidelijk te maken op welke beoordelingspunten van de FML eiseres beperkt is ten opzichte van de normaalwaarde. Het gaat dan om die aspecten waarvan de verzekeringsarts heeft gesteld dat eiseres tot de normaalwaarde beperkt is, zijnde bukken, torderen, reiken, boven schouderhoogte werken en duwen/trekken alsmede overzichtelijk, routinematig werk, zonder leidinggevende aspecten, handelingstempo en werkdruk. Vervolgens dient verweerder - voor zover dit niet reeds in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 9 februari 2011 is geschied - bij iedere belasting op dat beoordelingspunt in de functies van productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker metaal en elektro-industrie (Sbc-code 111171) en magazijn, expeditiemedewerker (Sbc-code 111220) gemotiveerd toe te lichten of sprake is van een bovennormale belasting en zo ja, of deze bovennormale belasting in het geval van eiseres tot een overschrijding van de belastbaarheid leidt.

De arbeidskundige beoordeling.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft hetgeen verzekeringsarts Wolbers heeft aangegeven over de beperking voor “werkdruk” vertaald naar beoordelingspunt 1.9.7 van de FML, “werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken”. Hiervan uitgaande doet zich de vraag voor of verweerder genoegzaam heeft toegelicht of de belasting op dit punt, die zich voordoet in de functie van productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (Sbc-code 111171, functienummer 3489-0538-006) in overeenstemming is met de belastbaarheid van eiseres. De rechtbank beantwoordt deze vraag op grond van het navolgende in bevestigende zin. In de functie van productiemedewerker metaal- en elektro-industrie (Sbc-code 111171, functienummer 3489-0538-006) is sprake van een belasting op beoordelingspunt 1.9.7, inhoudende uit een toelichting van de arbeidskundig analist “productietargets behalen”. In zijn rapportage van 9 juni 2011 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de arbeidskundig analist gevraagd deze belasting nader toe te lichten, waarop de arbeidskundig analist – samengevat – heeft aangegeven dat sprake is van een algemeen aanvaard werktempo, waarbij een dreigend probleem om de afgesproken productietarget te halen feitelijk de werkleiding belast in die zin dat de werkgever in een dergelijke situatie overgaat tot extensivering van het werk door overwerk of het inzetten van extra mensen. Ter zitting heeft de arbeidskundig analist hieraan toegevoegd dat dit in feite inhoudt dat deadlines en productiepieken zich niet voordoen in de betreffende functie, zodat de belasting ten onrechte is opgenomen. Deze toelichting is in overeenstemming met hetgeen het de “Basisinformatie CBBS” vermeldt bij beoordelingspunt 1.9.7: “Deadlines of productiepieken zijn pas een kenmerkend aspect van een functie wanneer ze minstens eenmaal per week optreden. Deadlines en productiepieken hebben te maken met intensivering van het werk. Zodra de problemen alleen opgelost kunnen worden door overwerk, dus door extensivering van het werk, is er geen sprake meer van belasting op het vlak van dit beoordelingspunt”. De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling of een functie kan worden geduid, in beginsel moet worden afgegaan op de omschrijving van de belasting in de functie van het resultaat functieomschrijving. Dit is alleen anders in een geval als dit, waar verweerder door een toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in combinatie met een toelichting van de arbeidskundig analist heeft duidelijk gemaakt wat de daadwerkelijke belasting is op beoordelingspunt 1.9.7 en verweerder daarbij voldoende overtuigend heeft toegelicht dat geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van eiseres op dit punt. Daarbij merkt de rechtbank op dat de bezwaararbeidsdeskundige de functie van productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043) heeft laten vervallen, omdat in die functie wel sprake is van intensivering van werk.

Verder heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 28 oktober 2009 (enkel) de signaleringen in de geduide functies van productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker metaal en elektro-industrie (Sbc-code 111171) en magazijn, expeditiemedewerker (Sbc-code 111220) toegelicht, waarbij in een aantal gevallen gebruik is gemaakt van de vermelding van een “G” (geen motivering vereist) op de functiebeschrijving van de betreffende functie. Voor zover de arbeidsdeskundige slechts de signaleringen in de geduide functies heeft gemotiveerd, verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent hiervoor is overwogen. Met betrekking tot het zonder nadere motivering omzetten van een signalering in een “G” verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

12 oktober 2006 (LJN AY9980) waarin de Raad heeft overwogen zich niet te kunnen verenigen met deze handelwijze: alle door het systeem aangebrachte signaleringen dienen van een afzonderlijke toelichting te worden voorzien. Ook hierom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Verweerder dient derhalve alsnog – voor zover dit niet in beroep is gebeurd – de signaleringen die zijn omgezet in een “G” te voorzien van een afzonderlijke toelichting.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank termen aanwezig om - uit het oogpunt van finale geschilbeslechting - het onderzoek in deze zaak ter heropenen en verweerder onder toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen bovengenoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen en daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de rechtbank, te weten:

- een nadere motivering van de beperkingen dan wel het aannemen van gewijzigde beperkingen op psychisch vlak;

- precisering van de punten op de FML waarop eiseres niet boven normaal belastbaar is met een motivering waarom de belasting in de geduide of alsnog te duiden functies de belastbaarheid van eiseres niet overschrijdt;

- de met “G” goedgekeurde signaleringen alsnog voorzien van een afzonderlijke toelichting.

De termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen wordt door de rechtbank bepaald op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van het beroep op de gewone wijze worden voortgezet.

De rechtbank wijst er op dat zij in beginsel slechts eenmaal de mogelijkheid biedt om een gebrek te herstellen. Indien de gebreken in de ogen van de rechtbank niet worden hersteld, zal de rechtbank vervolgens proberen zoveel mogelijk zelf in de zaak te voorzien door de rechtsverhouding tussen partijen vast te stellen (finale geschillenbeslechting).

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- heropent het onderzoek;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de daarin genoemde gebreken in het bestreden besluit te herstellen en daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de rechtbank, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Tegen deze tussenuitspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Aldus gedaan door mr. M.E. van Wees, voorzitter, mrs. R.J. Jue en L.M. Tobé, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.H. Harbers, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2011.

Afschrift verzonden op

PA