Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU3547

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
10 / 15 AW W1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een zelfstandig schadebesluit dat betrekking heeft op schade die eiser stelt geleden te hebben als gevolg van een ongeval met een houtversnipperaar dat hem in de uitoefening van zijn ambtelijke dienstbetrekking is overkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 15 AW W1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. dr. R.F. Kötter, advocaat te Wierden,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Twenterand,

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. B.E.G. Wiskerke, werkzaam bij Onderlinge Verzekeringen Overheid u.a. te Leidschendam.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 1 december 2009.

2. Procesverloop

Eiser was tot 7 april 2005 werkzaam als medewerker groenbeheer in dienst van de gemeente Twenterand. Bij brief van 30 juni 2005 heeft eiser de gemeente Twenterand aansprakelijk gesteld voor de - nog nader vast te stellen - schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van een ongeval met een houtversnipperaar dat hem op 4 januari 2005 in ambtelijke dienstbetrekking is overkomen en waarbij hij letsel aan beide knieën heeft opgelopen.

Bij vonnis van 8 oktober 2008 heeft de rechtbank Almelo, sector civiel recht, eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering omdat er een andere, administratieve rechtsgang openstaat die met voldoende waarborgen is omkleed.

Eiser heeft zich op 26 februari 2009 tot verweerder gewend met het verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit betreffende het voorval op 4 januari 2005.

Verweerder heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 22 april 2009.

Tegen dit besluit heeft eiser op 29 mei 2009 bezwaar gemaakt.

Eiser is op 25 augustus 2009 gehoord door de Commissie bezwaarschriften, die op 17 september 2009 aan verweerder heeft geadviseerd eisers bezwaar gegrond te verklaren, het besluit van 22 april 2009 te heroverwegen en eiser alsnog een schadevergoeding alsmede een vergoeding van proceskosten toe te kennen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Blijkens het beroepschrift kan eiser zich niet met dit besluit verenigen.

Verweerder heeft op 4 maart 2010 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 14 januari 2011, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. dr. R.F. Kötter, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S. van Zuilen, kantoorgenoot van mr. drs. B.E.G. Wiskerke, voornoemd.

Vervolgens heeft de rechtbank op 3 februari 2011 het onderzoek heropend als bedoeld in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien het onderzoek niet volledig is geweest. In het kader van deze heropening heeft de rechtbank mr. M.E. van Wees benoemd als rechter-commissaris als bedoeld in artikel 8:12 van de Awb, hem opgedragen het vooronderzoek te verrichten en daarbij in ieder geval een comparitie te houden als bedoeld in artikel 8:44 van de Awb.

De comparitie als vorenbedoeld heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Daarbij waren aanwezig eiser, zijn gemachtigde, voornoemd, en mr. drs. B.E.G. Wiskerke namens verweerder.

Op 28 maart 2011 heeft verweerder een nadere reactie ingezonden. Eiser heeft bij brieven van 4 en 8 april 2011 gereageerd.

Partijen hebben nadien toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kan worden gelaten.

Het bestreden besluit betreft een zelfstandig schadebesluit dat betrekking heeft op schade die eiser stelt geleden te hebben als gevolg van een ongeval met een houtversnipperaar dat hem in de uitoefening van zijn ambtelijke dienstbetrekking op 4 januari 2005 is overkomen.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder aansprakelijk is voor de nog nader vast te stellen schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 4 januari 2005. Het ongeval kon gebeuren omdat de noodstop van de houtversnipperaar onvoldoende werkte, zodat van een gebrekkig apparaat kan worden gesproken. Tevens stelt hij dat hij door verweerder onvoldoende is voorgelicht en geïnstrueerd over het werken met de houtversnipperaar en de specifieke gevaren van die machine. Bovendien heeft verweerder onvoldoende toezicht gehouden tijdens het werken met die machine. Eiser meent dan ook dat verweerder jegens hem zijn zorgplicht als werkgever heeft geschonden en onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

Tijdens de comparitie heeft eiser er op gewezen dat een burgerwerknemer wel de schadestaatprocedure kan volgen als er nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Het zou vreemd zijn als een ambtenaar dat niet zou kunnen, nu bij de schadevergoeding in het bestuursrecht aansluiting moet worden gezocht bij het civiele recht. Volgens hem dient eerst de aansprakelijkheid te worden vastgesteld en pas daarna de schade. Dat geldt ook in dit geval.

Verweerder is primair van opvatting dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zoals is vereist voor de toepassing van de aansprakelijkheidsnorm voor overheidswerkgevers. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat het ongeval op 4 januari 2005 zoals dat door eiser is omschreven wel heeft plaatsgevonden, is verweerder van mening dat het causaal verband tussen dat ongeval en het letsel, gelet op eisers gedragingen na het ongeval en de beschikbare medische verklaringen, onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet aansprakelijk is, nu hij niet gehandeld heeft in strijd met de op hem rustende zorgplicht.

Tot slot is verweerder van mening dat het verzoek om schadevergoeding reeds dient te worden afgewezen nu eiser, hoewel hij daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad, heeft nagelaten de omvang van de beweerdelijk door hem geleden schade afdoende te onderbouwen.

Tijdens de comparitie heeft verweerder benadrukt dat het verzoek om schadevergoeding niet kan worden ingewilligd, omdat de schade niet is onderbouwd. Onder die omstandigheden is het volgens verweerder niet mogelijk om een besluit te nemen over de aansprakelijkheid en het causaal verband.

Met betrekking tot het beroep op aansprakelijkheid van de werkgever merkt de rechtbank het volgende op. In een geval waarin sprake is van een zelfstandig schadebesluit aangaande de schade die door de ambtenaar beweerdelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is geleden en die niet kan worden vergoed op grond van de op de dienstbetrekking van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, wordt de norm gehanteerd die ook tot uitdrukking is gebracht in het thans in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde: “voor zover zulks niet reeds voortvloeit uit op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar” (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 juni 2000, TAR 2000, 112).

In de op eisers dienstbetrekking van toepassing zijnde rechtspositievoorschriften ontbreekt een bepaling waaraan eiser aanspraak kan ontlenen op vergoeding van schade als door hem gesteld. Dit staat er echter niet aan in de weg dat eiser jegens verweerder aanspraak kan hebben op vergoeding van door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade en dat de bestuursrechter een besluit van een bestuursorgaan dienaangaande kan toetsen.

De rechtbank overweegt dat, nu de civiele sector van de rechtbank heeft geoordeeld dat met betrekking tot eisers vordering een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang openstaat, zij in het kader van deze procedure gehouden is de afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding door verweerder te beoordelen.

Verweerders standpunt dat geen schadevergoeding kan worden toegekend, omdat de schade niet dan wel niet voldoende is onderbouwd, kan de rechtbank niet onderschrijven. Dit standpunt heeft tot gevolg dat er een verschil in rechtspositie ontstaat tussen ambtenaren en andere werknemers, hetgeen niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van de CRvB. Immers, reeds in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 22 juni 2000 heeft de CRvB de aansprakelijkheid van de overheidswerkgever voor schade die de ambtenaar lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, gerelateerd aan de aansprakelijkheid van de gewone werkgever voor de gelijke schade van diens werknemer.

Het vorenstaande houdt in dat in een geval als waarvan hier sprake is en waarin nog niet gesproken kan worden van een medische eindtoestand of waarin vaststelling van de omvang van de schade kostbaar en/of tijdrovend is, de ambtenaar ervoor kan kiezen het bestuursorgaan te vragen eerst na te gaan of hij aansprakelijk is voor de eventuele schade. Daarna kan dan een verzoek tot vergoeding van de schade worden ingediend, waarop het bestuursorgaan een nieuw primair besluit dient te nemen. Het besluit omtrent de aansprakelijkheid kan dan zo nodig door partijen worden onderworpen aan een herbeoordeling in bezwaar en aan het oordeel van de rechter, zonder dat eerst een mogelijk uitgebreid en kostbaar onderzoek naar de schade hoeft te worden afgerond. Voorwaarde voor een besluit inhoudende erkenning van aansprakelijkheid is wel, dat de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk is geworden. Deze aannemelijkheid strekt zich ook uit tot andere vragen die met de nader te onderzoeken schadeposten samenhangen, zoals bijvoorbeeld het causale verband tussen de gebeurtenis waarvoor aansprakelijkheid bestaat en de gestelde schade. Definitieve beantwoording van deze vragen zal echter kunnen geschieden in de besluitvorming omtrent de schade. In deze laatste procedure zal, gelet op de vastgestelde aansprakelijkheid, ook van het bestuursorgaan mogen worden verwacht dat hij actief bijdraagt aan het onderzoek naar de omvang van de schade.

De rechtbank acht in deze zaak de mogelijkheid van geleden schade aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat eiser op 4 januari 2005 een ongeval is overkomen met een houtversnipperaar. Blijkens de door eiser in het geding gebrachte rapporten van de medisch adviseurs M.M.F. Timmerhuis van 1 juli 2008 en W. Schuwirth van 5 november 2008 is daarbij letsel ontstaan aan beide knieën. Volgens de adviseur Timmerhuis waren er voorheen geen klachten en is nu sprake van retropalellaire chondropathie, kraakbeenschade aan de achterzijde van de knieschijf, welke schade posttraumatisch kan zijn. De atrofie van de bovenbeenspier, die in elk geval op 7 juni 2005 al bestond, kan ook een reden zijn voor de late klachten. De deskundige Schuwirth wijst op de zeer waarschijnlijke aanwezigheid van een subchondrale fractuur. Er is in dit geval geen initiële pijn geweest door het uitblijven van een bloeduitstorting in de gewrichtsholte, maar er is wel sprake geweest van een aanzienlijke geweldsinwerking, naar alle waarschijnlijkheid op beide knieën.

Aan de orde is vervolgens de vraag of verweerder jegens eiser zijn zorgplicht heeft geschonden nu eiser moest werken met een machine, waarbij zich een gevaarlijke situatie kon voordoen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en wijst daarbij op de volgende aspecten.

Blijkens de stukken, waaronder het advies van de Commissie bezwaarschriften, en het verhandelde ter zitting werkte de veiligheidsbeugel van de houtversnipperaar niet naar behoren. Er moest blijkbaar onevenredig veel kracht worden uitgeoefend om een noodstop te bewerkstelligen dan wel de omgekeerde invoerstand te laten werken. Voorts is gebleken dat de houtversnipperaar met de invoerzijde opgesteld stond tegen de rand van een trottoir, hetgeen uit een oogpunt van veiligheid van de medewerkers een onjuiste positie was. Immers, op deze wijze stond de machine te laag ten opzichte van de medewerkers, waardoor men eerder met de knieën in de bak van de machine terecht kon komen.

Eiser is, toen hij door een tak de machine werd ingetrokken, weliswaar door een zich in de nabijheid bevindende collega ontzet, maar onduidelijk is gebleven of bij de uitvoering van deze werkzaamheden niet meer personeel aanwezig had moeten zijn. Vast staat in elk geval dat de collega die eiser heeft ontzet nooit met deze machine had gewerkt en dat geen andere collega’s in de buurt waren.

De rechtbank onderschrijft naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting de opvatting van de Commissie bezwaarschriften, dat geen medewerker aanwezig was om de boom in kwestie in stukken te zagen, voordat de stukken ervan in de houtversnipperaar konden worden geschoven. Nu de takken inclusief zijtakken in hun geheel in de machine werden ingevoerd, kon een ongeval als waarvan hier sprake is ontstaan.

Mede gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat van voldoende instructie van het personeel dat met de houtversnipperaar moest werken, blijkbaar geen sprake is geweest. Een specifieke instructie aan de werknemers die met de houtversnipperaar werken is volgens eiser nooit gegeven. Verweerder heeft deze stelling van eiser niet kunnen weerleggen. Dit betekent dat verweerder aansprakelijk kan worden gehouden voor het ongeval dat eiser in ambtelijke dienstbetrekking is overkomen.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder eisers verzoek om schadevergoeding op onjuiste gronden heeft afgewezen en de daartegen gerichte bezwaren ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met de hiervoor aangehaalde schadevergoedingsplicht niet in rechte in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en het besluit van 1 december 2009 dient te worden vernietigd.

Aangezien de aansprakelijkheid van verweerder hiermee vaststaat, ziet de rechtbank reden om zelf in de zaak te voorzien en de aansprakelijkheid in rechte vast te stellen. Op het moment dat eiser meent dat de schade definitief kan worden bepaald, zal hij, behoudens verjaring, aan verweerder een verzoek kunnen doen tot vaststelling van die schade.

Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende. Eisers beroepschrift is op 8 januari 2010 bij de rechtbank binnengekomen. Behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2011, de comparitie op 8 maart 2011. Op 8 juli 2011, derhalve in de periode tussen deze zittingsdata en de datum van de uitspraak is de redelijke termijn van anderhalf jaar die nodig wordt geacht om te beslissen verstreken.

In verband hiermede ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek te heropenen in verband met het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. In die procedure zal de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) als partij worden aangemerkt.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep. Het betreft hier de kosten van rechtsbijstand, zijnde 2.5 punt à € 437,-- is € 1.092,50 en de reiskosten (retour [woonplaats]-Almelo, twee keer is € 14,88), tezamen € 1.107,38.

Beslist wordt derhalve als volgt:

3. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van verweerder van 1 december 2009;

-herroept het primaire besluit van 22 april 2009 en stelt vast dat verweerders gemeente

aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden als gevolg van het ongeval met een

houtversnipperaar dat eiser op 4 januari 2005 is overkomen;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-heropent het onderzoek in verband met het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding

wegens het overschrijden van de redelijke termijn in de rechterlijke fase en merkt de Staat

der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

-veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.107,38, te betalen aan de griffier;

-verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht, zijnde € 150,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gedaan door mr. J.H. Keuzenkamp als voorzitter, en mrs. W.M.B. Elferink en

M.E. van Wees als leden, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

De rechter is buiten staat te tekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 NOVEMBER 2011.

Afschrift verzonden op

AB