Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU3018

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
116462 HA ZA 10-1203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst door tussenkomst van een kredietbemiddelaar gesloten tussen kredietbank en consumenten. Op de kredietbank rustte ten aanzien van de consumenten een zorgplicht om overkreditering te voorkomen. Van een verdergaande zorgplicht, zoals die voortvloeit uit de effectenlease-zaken, is geen sprake, omdat het in dit geval niet gaat om een ingewikkeld beleggingsproduct, maar om een eenvoudige overeenkomst tot geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 116462 HA ZA 10-1203

datum vonnis: 26 oktober 2011(AL)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hollandsche Disconto Voorschotbank B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

verder te noemen: HDV,

advocaat: mr. J.G. Keizer te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

verder te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. A.J.R. Oude Middendorp te Enschede.

Het procesverloop

De rechtbank neemt hier over hetgeen met betrekking tot het procesverloop is weergegeven in het door deze rechtbank, sector kanton, tussen partijen gewezen vonnis

d.d. 30 november 2010 onder nummer 331833 CV EXPL 2025/10.

In voormeld vonnis is de onder het voormelde nummer bij de sector Kanton tussen partijen aanhangige procedure, verwezen naar de rechtbank te Almelo, sector civiel recht.

Bij exploit van 21 december 2010 is voormeld vonnis aan [gedaagden] betekend en zijn zij opgeroepen in de onderhavige zaak voort te procederen in de stand waarin de zaak zich toen bevond.

Bij akte d.d. 8 juni 2011 heeft HDV haar eis in conventie vermeerderd.

Op 17 juni 2011 heeft een pleidooi plaatsgevonden. Ter gelegenheid van dat pleidooi zijn van de zijde van HDV en van de zijde van [gedaagden] pleitnotities overgelegd.

Het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil, de motivering en de beslissing

In conventie en in reconventie

1.

De rechtbank neemt hier over hetgeen in het door deze rechtbank, sector kanton, tussen partijen gewezen vonnis d.d. 30 november 2010 onder nummer 331833 CV EXPL 2025/10, is overwogen en beslist.

Feiten

2.

In deze zaak staat, onder meer, als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast.

a) Partijen hebben eind november 2006 een kredietovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst heeft HDV een bedrag van € 33.810,-- aan [gedaagden] ter beschikking gesteld. Van dat bedrag is een bedrag van € 30.000,-- overgemaakt op de bankrekening van [gedaagden]. Het resterende bedrag van € 3.810,-- is voldaan aan Krediet Protector B.V. als koopsom voor het afsluiten van een overlijdensrisico-

verzekering.

b) De onderhavige kredietovereenkomst is door bemiddeling van De Kredietdesk B.V. (verder: De Kredietdesk) tot stand gekomen.

c) De Kredietdesk is door [gedaagden] ingeschakeld.

d) De Kredietdesk is een kredietbemiddelaar. Die vennootschap is een dochteronderneming van Ribank N.V.. Tussen De Kredietdesk en HDV bestaat geen verbondenheid.

e) HDV is geen lid van de Nederlandse Vereniging van Banken.

f) [Gedaagden] hebben bij Krediet Protector B.V. een overlijdensrisicoverzekering afgesloten, waarbij HDV als begunstigde is aangewezen.

In conventie

Vermeerdering van eis

3.

Bij akte van 8 juli 2011 heeft HDV haar eis vermeerderd. Zij vordert, zakelijk weergegeven, thans dat [gedaagden], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk worden veroordeeld om aan HDV te betalen een bedrag van € 37.071,60 te vermeerderen met de contractuele rente van 15% per jaar over een bedrag van € 33.810,-- vanaf 10 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.

[Gedaagden] hebben zich tegen de wijziging van eis als zodanig niet verzet, zodat de rechtbank bij de verdere beoordeling van het geschil van de gewijzigde eis uit zal gaan.

In conventie en in reconventie

Wet Financieel Toezicht

5.

[Gedaagden] hebben hun stellingen deels onderbouwd met verwijzingen naar artikelen uit de Wet Financieel Toezicht.

6.

Het geschil tussen partijen heeft betrekking op een kredietovereenkomst die eind november 2006 is gesloten. De Wet Financieel Toezicht (verder Wft) is met ingang van 1 januari 2007, derhalve ná het sluiten van de kredietovereenkomst, in werking getreden.

In verband daarmee dient het verweer van [gedaagden] voor zover dat op de Wft is gebaseerd, buiten beschouwing te worden gelaten.

Artikelen 32 en 33 Wet Financiële Dienstverlening

7.

[Gedaagden] hebben hun stellingen deels onderbouwd met verwijzingen naar de artikelen

32 lid 1 en 33 van de Wet Financiële Dienstverlening (verder:Wfd).

8.

De Wfd was, toen de kredietovereenkomst werd gesloten nog van kracht, zodat die wet op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is.

Artikel 32 lid 1 van de Wfd, luidt, voor zover voor dit geschil van belang, als volgt:

"Indien de financiële dienstverlener een consument adviseert:

a. (.....)

b. (.....)

c. (.....)."

De kredietovereenkomst is tot stand gekomen door tussenkomst van de bemiddelaar

De Kredietdesk. Gesteld noch gebleken is dat HDV [gedaagden] met betrekking tot het sluiten van een kredietovereenkomst heeft geadviseerd.

Aangezien artikel 32 lid 1 Wfd slechts van toepassing is op de dienstverlener die een consument adviseert, is dat artikel in dit geval niet van toepassing.

9.

Artikel 33 Wfd, luidt, voor zover voor dit geschil van belang, als volgt:

"- 1. Onverminderd de artikelen 31 en 32 informeert de bemiddelaar, voorafgaande aan de

totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product, de consument

over de volgende onderwerpen: (.....)".

- 2. Indien de bemiddelaar de consument adviseert op grond van een objectieve analyse,

baseert hij zijn advies op een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten, zodat hij in staat is een financieel product aan te bevelen dat aan de behoeften van de consument voldoet.

- 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter zake van een

beloning of vergoeding voor het bemiddelen in financiële producten, in welke vorm ook, alsmede ter zake van de wijze van uitbetaling daarvan."

10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 33 Wfd, gelet op de tekst van dat artikel, uitsluitend betrekking op een (rechts)persoon die bemiddelt tussen een consument en de verstrekker van een financieel product.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, betwist, staat vast dat bij de totstandkoming van de onderhavige kredietovereenkomst De Kredietdesk tussen partijen heeft bemiddeld. Voorts is gesteld noch gebleken dat HDV bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst bemiddelingswerkzaamheden heeft uitgevoerd. Dat zou ook onlogisch zijn, aangezien HDV zelf één van de partijen bij die overeenkomst is.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 33 Wfd op de rechtsverhouding tussen partijen niet van toepassing is.

Gedragscode consumptief krediet

11.

[Gedaagden] hebben gesteld dat op het door HDV verstrekte rekening-courantkrediet de Gedragscode Consumptief krediet (Gck) van toepassing is.

12.

Met betrekking tot die stelling overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 2 Gck luidt als volgt:

"Het doel van de gedragscode is te bevorderen dat de banken op een verantwoorde wijze krediet verlenen aan consumenten, mede ter voorkoming van overkreditering.".

Uit het bepaalde in artikel 1 Gck, blijkt dat onder een "bank" verstaan moet worden een lid van de Nederlandse Vereniging van Banken. Aangezien tussen partijen vaststaat dat HDV geen lid is van die vereniging, is de Gck op haar niet van toepassing.

Zorgplicht

13.

[Gedaagden], hebben, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.

Op HDV rustte bij het aangaan van de kredietovereenkomst naast haar gewone zorgplicht om ten aanzien van [gedaagden] overkreditering te voorkomen, de bijzondere zorgplicht, zoals die voortvloeit uit de jurisprudentie die door de Hoge Raad is ontwikkeld in de effectenlease-zaken. Die bijzondere zorgplicht behelst een waarschuwingsplicht die ertoe strekt personen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid en gebrek aan inzicht.

Het door HDV aan [gedaagden] verstrekte krediet, ging de financiële draagkracht van [gedaagden] ver te boven. Dit moet voor HDV duidelijk zijn geweest, aangezien zij via

De Kredietdesk, de beschikking heeft gekregen over de financiële mogelijkheden van [gedaagden]. Door desalniettemin, zonder voorafgaande waarschuwing met betrekking tot de financiële risico’s, aan [gedaagden] een krediet te verstrekken, heeft HDV in strijd met de hiervoor genoemde op haar rustende (bijzondere) zorgplicht gehandeld. Die handelwijze is jegens [gedaagden] onrechtmatig. [Gedaagden] zijn ten gevolge van de overkreditering in de financiële problemen geraakt en hebben daardoor schade geleden.

Ter staving van hun stellingen hebben [gedaagden] verwezen naar het bepaalde in de artikelen 51 Wfd en 61 van het Besluit financiële dienstverlening (Besluit van 15 december 2005, Stb. 2005, 676; verder: het Bfd) en de arresten van de Hoge Raad met de nummers LJN BH2811, BH2815 en BH2822.

14.

Met betrekking tot de stellingen van [gedaagden] overweegt de rechtbank het volgende.

Artikel 51 Wfd luidt als volgt:

“ - 1. De aanbieder wint in het belang van de consument voorafgaande aan de

totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, informatie in over de financiële

positie van de consument en beoordeelt, ter voorkoming van overkreditering van de

consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.

- 2. De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument, indien

dit, met het oog op voorkoming van overkreditering van de consument, onverantwoord

is.”.

Artikel 61 Bfd luidt, voor zover voor deze procedure van belang, als volgt:

" – 1. Ter voorkoming van overkreditering legt een aanbieder van krediet de criteria vast die hij ten grondslag legt aan de beoordeling van een kredietaanvraag van een consument en past hij deze criteria toe bij de beoordeling van een kredietaanvraag.".

Op grond van de vorengenoemde artikelen neemt de rechtbank aan dat op HDV de zorgplicht rustte om overkreditering ten aanzien van [gedaagden] te voorkomen. Van een verdergaande zorgplicht, zoals die voortvloeit uit de effectenlease-zaken, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Anders dan in de effectenlease-zaken gaat het hier om een kredietovereenkomst. Die overeenkomst heeft geen ingewikkeld beleggingsproduct tot onderwerp, maar behelst een eenvoudige overeenkomst tot geldlening.

Overkreditering

15.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, spitst het geding zich in de eerste plaats toe op de vraag of er ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst ten aanzien van [gedaagden] sprake was van overkreditering en, indien dat het geval zou zijn, of dat feit een onrechtmatige daad aan de zijde van HDV oplevert.

Aangezien het [gedaagden] zijn die zich beroepen op het feit dat HDV jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, rust op hen ook de last om die stelling te onderbouwen en zonodig te bewijzen.

16.

[Gedaagden] hebben in de randnummers 11. en 19. van de conclusie van antwoord in conventie een financiële onderbouwing gegeven voor hun stelling dat er ten aanzien van [gedaagden] sprake is van overkreditering. [Gedaagden] hebben hun onderbouwing gebaseerd op de normen die zijn neergelegd in de Gck en de acceptatierichtlijnen van HDV (producties 10 en 11 bij de conclusie van antwoord in conventie).

Zoals hiervoor is overwogen (rechtsoverweging 11.), is de Gck niet op HDV van toepassing. Afgezien daarvan trad de door [gedaagden] in het geding gebrachte Gck eerst op

1 september 2009 in werking.

De kredietovereenkomst is gesloten in november 2006. Dat brengt met zich mee dat de vraag of er sprake was van overkreditering moet worden beantwoord aan de hand van de normen die daarvoor op dat moment golden. [Gedaagden] hebben hun stelling dat er sprake was van overkreditering echter gebaseerd op normen die zijn vastgelegd in de acceptatierichtlijnen van HDV die eerst op 1 augustus 2009 zijn ingegaan.

HDV heeft het standpunt van [gedaagden] dat er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst sprake was van overkreditering, aan de hand van een eigen financiële berekening, gemotiveerd betwist (randnummer 30. conclusie van repliek in conventie). HDV heeft gesteld dat die berekening is gebaseerd op haar acceptatierichtlijnen zoals die in november 2006 golden.

[Gedaagden] hebben de juistheid van de berekening die HDV in haar conclusie van repliek in conventie heeft gemaakt, in de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. In die conclusie hebben [gedaagden] volstaan met de stelling dat HDV haar acceptatierichtlijnen 2006, waarop zij haar berekening heeft gebaseerd, niet in het geding heeft gebracht.

HDV heeft haar conclusie van repliek in conventie genomen op 15 juni 2010. [Gedaagden] hebben hun conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie genomen op 5 september 2010. Zij hebben derhalve ruimschoots de tijd gehad om de acceptatierichtlijnen van HDV, zoals die golden in november 2006, bij HDV op te vragen, dan wel in te zien. [Gedaagden] hebben dit kennelijk nagelaten. Het daaraan verbonden procesrisico dient voor hun rekening te blijven.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagden] hun stelling dat er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst sprake was van overkreditering, onvoldoende hebben onderbouwd, zodat die stelling dient te worden verworpen.

Dwaling

17.

[Gedaagden] hebben, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.

[Gedaagden] hebben bij het sluiten van de kredietovereenkomst gedwaald ten aanzien van hun leencapaciteit.

Bij het sluiten van de overeenkomst beschikte HDV over alle relevante financiële informatie van [gedaagden] HDV heeft die informatie geanalyseerd en het moet haar, als deskundig kredietverstrekker, duidelijk zijn geweest dat de kredietovereenkomst de leencapaciteit van [gedaagden] (ver) te boven ging. Door dit niet aan [gedaagden] te melden, heeft HDV haar mededelingsplicht jegens [gedaagden] geschonden. Die mededelingsplicht weegt zwaarder dan de onderzoeksplicht die op [gedaagden] rustte.

18.

Met betrekking tot deze stelling van [gedaagden] overweegt de rechtbank het volgende.

Van [gedaagden] mocht worden verwacht dat zij zich voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst een redelijke inspanning zouden getroosten om de betekenis van de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende verplichtingen en risico's te doorgronden.

De onderhavige kredietovereenkomst is een eenvoudig financieel product, waarbij partijen zijn overeengekomen dat HDV aan [gedaagden] een krediet in rekening-courant verleent tot een maximumbedrag van in totaal € 33.810,-- tegen vergoeding van een variabele rente. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden], indien zij zich daartoe voldoende zouden hebben ingespannen, de inhoud van deze overeenkomst hebben moeten kunnen doorgronden.

Voorts hebben [gedaagden] niet betwist dat zij in 2000 ook al eens een kredietovereenkomst hebben gesloten met een kredietlimiet van € 20.000,-- -welk krediet in juni 2006 door hen werd ingelost- en dat zij een hypothecaire schuld hebben bij de Rabobank in verband met de aankoop van een woning. [Gedaagden] zijn derhalve niet onbekend met het sluiten van financiële overeenkomsten die grote financiële verplichtingen met zich meebrengen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voor zover [gedaagden] bij het sluiten van de kredietovereenkomst met HDV zou hebben gedwaald, die dwaling voor rekening van [gedaagden] dient te blijven (artikel 6:228 lid 2 Burgerlijk Wetboek).

Overlijdensrisicoverzekering

19.

[Gedaagden], hebben met betrekking tot de overlijdensrisicoverzekering (verder: ORV), die zij bij Krediet Protector B.V. hebben afgesloten, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.

In de acceptatierichtlijnen die als productie 11 bij conclusie van antwoord in conventie in het geding zijn gebracht, is vermeld dat bij kredietlimieten boven € 45.000, -- te allen tijde een betaalbeschermingspolis afgesloten dient te worden. Bij lagere bedragen is dat een keuze van de adviseur en de cliënt, in casu [gedaagden].

Aangezien de kredietlimiet in de met HDV kredietovereenkomst € 33.810,-- bedraagt, bestond er geen noodzaak om met betrekking tot die kredietovereenkomst een ORV te sluiten. Desalniettemin heeft HDV [gedaagden] verplicht een ORV te sluiten, ten gevolge waarvan de overkreditering ten aanzien van [gedaagden] met circa € 4.000,-- is toegenomen. HDV had [gedaagden] dienen te waarschuwen voor het feit dat het afsluiten van een ORV niet noodzakelijk was om de kredietovereenkomst met HDV te kunnen sluiten. Indien HDV dat gedaan zou hebben, dan zouden [gedaagden] zich niet hebben laten verleiden om een ORV af te sluiten. HDV heeft [gedaagden] echter niet gewaarschuwd. Daardoor heeft HDV de op haar rustende algemene en bijzondere zorgplicht ten aanzien van [gedaagden] geschonden, hetgeen met zich meebrengt dat HDV jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld.

In verband met het vorenstaande vorderen [gedaagden] dat de door hen afgesloten ORV wordt vernietigd op grond van de door HDV gepleegde onrechtmatige daad, dan wel op grond van dwaling.

20.

Tussen partijen staat vast dat de ORV is gesloten tussen Krediet Protector B.V. en

[gedaagden]. Aangezien Krediet Protector B.V. in deze procedure geen partij is, kan de vordering van [gedaagden] tot vernietiging van de ORV niet worden toegewezen.

De stellingen van [gedaagden] kunnen derhalve onbesproken blijven.

BKR-codering

21.

[Gedaagden] hebben gesteld dat hen niet bekend is of HDV een melding heeft gedaan bij het Bureau Krediet Registratie in Tiel (verder: BKR). Voor het geval die melding door HDV gedaan zou zijn en die melding heeft geleid tot een codering, vorderen [gedaagden] dat die codering door HDV ongedaan wordt gemaakt.

22.

Met betrekking tot deze vordering van [gedaagden] overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op het feit dat de (reconventionele) vorderingen van [gedaagden] niet zullen worden toegewezen, blijven de kredietovereenkomst en de daaruit voortvloeiende betalingsachterstanden aan de zijde van [gedaagden] in stand. In verband daarmee is er geen grond om de vordering dat BKR-codering ongedaan wordt gemaakt, toe te wijzen.

Vordering HDV

23.

Aangezien de rechtbank alle stellingen en verweren van [gedaagden] heeft verworpen, blijft de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst ongewijzigd in stand.

De vorderingen van HDV vloeien rechtstreeks uit die kredietovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden voort. [Gedaagden] hebben de hoogte van de door HDV gevorderde bedragen niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, betwist.

De rechtbank zal de vorderingen van HDV derhalve toewijzen.

Proceskosten

24.

[Gedaagden] dient als de, zowel in conventie als in reconventie, in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

De rechtbank begroot deze kosten in conventie aan de zijde van HDV als volgt:

verschotten:

uitbrengen dagvaarding € 87,93

griffierecht: € 1.181,--

--------------

totaal € 1.268,93

advocaatkosten:

? opstellen dagvaarding 1 punt

? conclusie van repliek in conventie,

tevens conclusie van antwoord in

reconventie 1 punt

? pleidooi 2 punten

---------

totaal 4 x € 579,-- = € 2.316,--

De rechtbank begroot de kosten in reconventie aan de zijde van HDV als volgt:

advocaatkosten:

conclusie van dupliek in reconventie 1 punt

--------

totaal 1 x € 579,-- = € 579,--

RECHTDOENDE:

de rechtbank:

In conventie en in reconventie:

I

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan HDV te betalen een bedrag van € 37.071,60 (zevenendertigduizend eenenzeventig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 15% per jaar over een bedrag van € 33.810,-- (drieëndertigduizend achthonderd tien euro), vanaf 16 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

II

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van deze procedure in conventie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van HDV begroot op € 1.268,93 (duizend tweehonderd achtenzestig euro en drieënnegentig eurocent) aan verschotten en € 2.316,-- (tweeduizend driehonderd zestien euro) aan advocaatkosten;

III

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van deze procedure in reconventie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van HDV begroot op € 579,-- (vijfhonderd negenenzeventig euro) aan advocaatkosten;

IV

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V

wijst af het door HDV in conventie anders of meer gevorderde;

VI

wijst de vordering van [gedaagden] in reconventie af.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.A.J. Lemain en op 26 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.