Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU2432

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
08-710493-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veelpleger die na bedreiging van een medewerker van Tactus de ISD-maatregel opgelegd krijgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/710493-11

Datum vonnis: 28 oktober 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1983] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in het huis van bewaring De Karelskamp in Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.P.J.J. Lousberg en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [aangever] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht c.q. met zware mishandeling.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 6 mei 2011, in de gemeente Enschede, een persoon genaamd [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde persoon dreigend de woorden toegevoegd: "Jij krijgt een negen milimeter door het hoofd", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting van stelselmatige daders wordt opgelegd voor de duur van twee jaren. Toetsing van de maatregel dient na zes maanden plaats te vinden door de rechtbank.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs .

5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van aangever [aangever] en de getuige [getuige 1] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Hij acht de verklaringen onbetrouwbaar omdat deze verklaringen niet gelijkluidend zijn. Volgens de raadsman spreekt aangever over het feit dat verdachte tegen hem gezegd zou hebben dat hij een 9 millimeter door zijn hoofd zou krijgen, terwijl de getuige [getuige 1] verklaart dat verdachte dit tegen aangever zou hebben geschreeuwd. Verder is een tweede getuige genaamd [getuige 2] niet door de politie gehoord.

Tenslotte spreekt de politie over het feit dat een medewerkster van Tactus bedreigd zou zijn. Nu de verklaringen ook verder niet worden verankerd moet er naar de mening van de raadsman vrijspraak volgen.

5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

1.

Aangever [aangever] heeft bij de politie het volgende verklaard, zakelijk weergegeven.

Ik doe aangifte van bedreiging. Ik ben bedreigd door [verdachte]. Op 6 mei 2011 werd het feit gepleegd. Ik werk als hulpverlener bij Tactus Verslavingszorg aan de Ripperdastraat 8 te Enschede. [Verdachte] kwam in vrij dronken toestand binnen. Hij wilde een biertje drinken. Hij had geen bier bij zich en kon dus geen biertje krijgen. Ik zag dat [verdachte] naar buiten ging. Mijn collega, [getuige 2], zag dat [verdachte] een blikje bier uit zijn broek te voorschijn haalde. Ik liep naar [verdachte] toe en vroeg hoe hij aan het biertje kwam. Hij antwoordde dat het biertje van hem was. Ik controleerde toen of het blikje van [verdachte] was. Wij merken namelijk het bier, door de naam van de cliënt onder op het blikje te zetten. Ik zag dat de naam [naam] op het blikje stond. Toen heb ik de beveiliging gezegd dat ze [verdachte] konden verwijderen. Toen de beveiliging arriveerde begon [verdachte] door te draaien. Ik hoorde [verdachte] tegen mij zeggen: "Jij krijgt een negen millimeter door het hoofd". Ik voelde mij op dat moment erg bedreigd door [verdachte].

2.

[Getuige 1] heeft bij de politie het volgende verklaard, zakelijk weergegeven.

Op 6 mei 2011 was ik aan het werk bij Tactus verslavingszorg aan de Ripperdastraat te Enschede. Ik zag [verdachte] aan komen lopen. Ik heb hem binnen gelaten. Enkele minuten later kreeg ik telefoon van een van de begeleiders van Tactus. Hij vroeg mij waarom [verdachte] bier mee naar binnen had mogen nemen. Ik verzekerde hem dat hij niets bij zich had omdat hij goed nagekeken was. Enkele minuten later belde dezelfde man weer terug en vroeg mij om hulp bij het verwijderen van [verdachte]. Ik zag toen al vanaf een afstandje [verdachte] wild gebarend en schreeuwend. Ik zag twee begeleiders, [aangever] en [getuige 2], van Tactus. Ik hoorde [verdachte] scheeuwen tegen [aangever]. Ik hoorde [verdachte] tegen hem roepen: "Ik schiet je met mijn 9 millimeter door je kop". Ik zag dat het tegen [aangever] gericht was omdat [aangever] hem even daarvoor had gezegd dat hij weg moest. Ik heb dat allemaal gehoord. Ik hoorde dat [verdachte] op agressieve wijze tegen [aangever] sprak. Hij heeft diverse keren gedreigd dat hij [aangever] met een pistool zou omleggen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de voorgaande bewijsmiddelen bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Weliswaar zijn de verklaringen van aangever [aangever] en de getuige [getuige 1] niet volstrekt gelijkluidend voor zover het ziet op de wijze waarop verdachte zijn bedreiging heeft geuit, maar beiden benoemen vrijwel identiek de door verdachte geuite bewoordingen. De rechtbank deelt dan ook niet het standpunt van de verdediging dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. Dat de aangever niet verklaart dat verdachte de bedreigende woorden op luide toon zei, of schreeuwde, betekent niet dat zulks niet het geval is geweest. Aangever is daarnaar immers niet expliciet gevraagd. Van een tegenstrijdigheid in de verklaringen, die de betrouwbaarheid ervan zou raken, is dan ook geen sprake.

Het is op zichzelf wel juist, zoals de raadsman stelt, dat een tweede getuige genaamd [getuige 2] niet door de politie is gehoord. Dit maakt echter niet dat daarmee niet aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan. De rechtbank zal aan deze omstandigheid dan ook geen verdere consequenties verbinden.

Daar waar de raadsman aanvoert dat de politie spreekt over het feit dat een medewerkster van Tactus is bedreigd merkt de rechtbank op dat de politie in de zin die daarboven staat in de verklaring van verdachte spreekt over een medewerker van Tactus. De rechtbank houdt het ervoor dat de vermelding medewerkster een kennelijke verschrijving is.

5.3 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 mei 2011, in de gemeente Enschede, een persoon genaamd [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde persoon dreigend de woorden toegevoegd: "Jij krijgt een negen millimeter door het hoofd".

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren wordt opgelegd, welke maatregel na zes maanden dient te worden getoetst, dit ter beoordeling van de noodzaak tot voortzetten van die maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat het opleggen van een

ISD-maatregel op dit moment een stap te ver is, hoewel verdachte voldoet aan het vereiste aantal veroordelingen voor een ISD-maatregel. Naar het oordeel van de raadsman is er nog nooit een fatsoenlijke diagnose gesteld bij zijn cliënt en wordt hem op dit moment een goede psychische begeleiding aangeboden. Daarnaast is aan zijn cliënt nog nooit passende medicatie gegeven in verband met zijn angststoornis en herbeleving van een zeer ernstig feit waarvoor hij in het verleden veroordeeld is. De raadsman stelt dat op dit moment nog niet alle mogelijkheden zijn uitgeput en opname in de kliniek voor dubbeldiagnostiek de Zwolse Poort is op dit moment de aangewezen weg.

Subsidiair is de raadsman van mening dat aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel dient te worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde toezicht door de reclassering, ook als dat een opname in genoemde kliniek inhoudt.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging van een medewerker van Tactus. Voor dit feit bevindt verdachte zich in voorlopige hechtenis. Deze hulpverlener is juist aangesteld om - onder meer - aan verdachte de nodige steun en begeleiding te bieden. Dat maakt de gedraging des te kwalijker.

Verdachte, die als stelmatige dader wordt aangemerkt, is in het verleden vaak voor diverse delicten veroordeeld, zo blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 september 2011. Hij gaat ondanks de in die veroordelingen gelegen waarschuwingen gewoon door met het plegen van dergelijke strafbare feiten. De rechtbank overweegt dat, nu het door verdachte plegen van strafbare feiten sterk samenhangt met zijn (alcohol)verslavingsproblematiek, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom strafbare feiten zal plegen als voor deze problematiek geen oplossing wordt gevonden. De veiligheid van personen en/of goederen is daarmee in het geding.

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de gevorderde maatregel is voldaan.

Bij oplegging van de ISD-maatregel dient enerzijds afgewogen te worden het belang van de maatschappij om beveiligd te worden tegen de aantasting van personen en goederen door misdrijven en anderzijds het ondermeer in artikel 5 van het EVRM neergelegde recht op persoonlijke vrijheid. De rechtbank is zich bewust van de zwaarte van de ISD-maatregel. Gelet op de door verdachte telkens opnieuw veroorzaakte overlast en schade als gevolg van zijn gedrag, overweegt de rechtbank dat het maatschappelijk belang dient te prevaleren boven de persoonlijke belangen van verdachte. Van belang hierbij acht de rechtbank dat de maatregel beoogt een bijdrage te leveren aan de beëindiging van verdachtes recidive en voorts aan een oplossing voor zijn verslavingsproblematiek. Aldus heeft niet alleen de samenleving, maar ook verdachte, baat bij oplegging van de maatregel.

Uit het opgemaakte (beknopte) reclasseringsadvies van 6 juli 2011 blijkt dat in 2010 is getracht om verdachte toe te leiden naar een drieweekse diagnostiekopname en een vervolgbehandeling. Verdachte zag toen echter geen meerwaarde in een klinische opname en is al na één dag vertrokken. Hij was duidelijk niet voldoende gemotiveerd voor een geïndiceerde klinische behandeling binnen Tactus verslavingszorg.

Ook uit het reclasseringsadvies van 7 september 2011 blijkt dat reguliere inzet van verscheidene instanties en meerdere afdelingen binnen onder andere Tactus verslavingszorg tot op heden geen effect hebben gesorteerd. Geadviseerd wordt om aan verdachte als ultimum remedium de ISD-maatregel op te leggen.

Uit het trajectconsult verdachte van het NIFP van 28 juli 2011 blijkt dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een ISD-maatregel.

Gelet op vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding aan verdachte nogmaals een buiten het ISD-kader vallende behandelmogelijkheid op te leggen. De rechtbank heeft er op grond van het vorenstaande evenmin vertrouwen in dat behandeling van verdachte in het kader van een voorwaardelijke straf herhaling van soortgelijke feiten zal voorkomen. Hiermee passeert de rechtbank het standpunt van de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank is de ISD-maatregel de beste mogelijkheid om verandering in de leefsituatie van verdachte te brengen, zijn verslavingsproblematiek aan te pakken en verdachte daarmee een kans te geven op een andere toekomst. De rechtbank zal deze maatregel dan ook opleggen. Rekening houdend met de ernst van de problematiek van verdachte zal de rechtbank de maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren.

De rechtbank ziet bij het bepalen van de duur van de maatregel geen redenen om op grond van artikel 38n, tweede lid, Sr rekening te houden met de tijd door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.

De rechtbank is tevens van oordeel dat overeenkomstig artikel 38s Sr het openbaar ministerie de rechtbank tussentijds zal berichten omtrent de noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel en over hetgeen er tot dan toe is gebeurd om de behandeling van verdachte van start te laten gaan en welke resultaten een dergelijke behandeling al hebben opgeleverd. De rechtbank stelt daarbij als termijn voor de tussentijdse toetsing zes maanden na onherroepelijk worden van het vonnis.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 38m, 38n en 38o Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

maatregel

- legt aan verdachte de maatregel op tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, voor de tijd van twee jaren;

- beslist dat een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel als bedoeld in art. 38s Sr zal plaatsvinden en bepaalt als termijn daarvoor zes maanden, te rekenen vanaf de aanvang van de tenuitvoerlegging;

- bepaalt dat de officier van justitie uiterlijk veertien dagen voordien de rechtbank zal berichten als bedoeld in art. 38s, eerste lid, Sr.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. H. Stam en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2011.