Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU2021

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
116641 / HA ZA 10-1225 en 119449 HA ZA 11-278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst aangegaan door ex-echtelieden onder hoofdelijke aansprakelijkheid. Bank kan beide ex-echtelieden aanspreken op betaling; een door de ex-echtelieden andersluidende afspraak kan de bank niet worden tegengeworpen. Geen verjaring; sprake van erkenning als bedoeld in artikel 3:318 BW door het door de Stadsbank op verzoek van gedaagde aan de bank gedane verzoek om opgave van de schuld ten behoeve van de door gedaagde aangevraagde schuldhulpverlening en voorts door de door gedaagde ingevulde inkomstenverklaring waarbij zij heeft verzocht om een betalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummers: 116641 / HA ZA 10-1225 en 119449 HA ZA 11-278

datum vonnis: 19 oktober 2011

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de volgende zaken:

de hoofdzaak met nummer 116641 HA ZA 10-1225:

de naamloze vennootschap

ABN Amro Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verder te noemen de Bank,

advocaat: mr. H. Post te Helmond,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

verder te noemen [gedaagde sub 1],

niet verschenen en

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in de hoofdzaak,

verder te noemen [gedaagde sub 2],

advocaat: mr. L. Bezoen te Enschede

de vrijwaringszaak met nummer 119449 HA ZA 11-278:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in vrijwaring,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. L. Bezoen te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring,

verder te noemen [gedaagde],

niet verschenen.

1. De procedure in de hoofdzaak

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het vrijwaringsincident van 9 maart 2011;

- de conclusie van antwoord met 3 producties;

- de conclusie van repliek met 17 producties;

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De vaststaande feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

In deze zaken staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het volgende vast:

a. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn op 13 juli 2004 met de Bank een kredietovereenkomst aangegaan, waarbij de Bank aan hen een flexibel krediet met een maximum van € 9.500,-- ter beschikking heeft gesteld. [Gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] dienen over het opgenomen krediet aan de Bank maandelijks rente te vergoeden. Het rentepercentage kan volgens de kredietovereenkomst variëren en bedroeg op 13 juli 2004 0,793% per maand. [Gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn aan de Bank maandelijks een bedrag van € 142,50 aan rente en aflossing verschuldigd. In artikel 5 van de kredietovereenkomst zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] met de Bank overeengekomen dat alle rechten en alle verbintenissen die op hen rusten hoofdelijk zijn.

Op grond van artikel 7 van de kredietovereenkomst zijn alle aan de Bank verschuldigde bedragen ineens opeisbaar indien ‘Kredietnemer’, waarmee [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1], zowel tezamen als afzonderlijk zijn aangeduid, gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van één vervallen maandbedrag en, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de volledige nakoming van zijn verplichtingen.

b. Op 7 april 2005 heeft de Bank de laatste betaling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ontvangen.

c. [Gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn op 30 november 1999 voor de tweede keer met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is op 27 juni 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 6 juni 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Met betrekking tot de verdeling c.q. afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep bij beschikking van 5 april 2007 onder meer overwogen als volgt:

“Gelet op de peildatum en de inhoud van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden dienen het flexibel krediet, afgesloten bij ABN/AMRO Bank onder rekeningnummer 55.67.14.334, (…) tussen partijen bij helfte te worden verdeeld. Het hof zal daarom bepalen dat de hiervoor genoemde schulden worden toebedeeld aan de man onder de verplichting van de vrouw, indien en voorzover de man daadwerkelijk op de schulden aflost of heeft afgelost, een bedrag ter grootte van de helft van die aflossing aan de man te vergoeden.”

4. De vordering van de Bank in de hoofdzaak

In de hoofdzaak vordert de Bank om gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 14.887,55, te vermeerderen met de overeengekomen -en afhankelijk van de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt tot het maximum van het besluit volgens de artikelen 35 en 36 van de Wet op het consumentenkrediet aan te passen- rentevergoeding, thans uitmakende 0,793% per maand, te rekenen vanaf 25 oktober 2010, over het alsdan verschuldigde bedrag. Daarnaast vordert de Bank om gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, waaronder het salaris van de advocaat.

5. Het verweer van [gedaagde sub 2] in de hoofdzaak

5.1 [Gedaagde sub 2] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de Bank in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Bank in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente in geval van niet-tijdige voldoening daarvan.

5.2 Zij voert daartoe de volgende verweren:

- primair heeft [gedaagde sub 2] de gelding van de algemene voorwaarden niet aanvaard en subsidiair roept zij de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden in;

- de vordering van de Bank is verjaard;

- de Bank heeft ten aanzien van haar vordering niet voldaan aan haar stelplicht, nu zij weliswaar stelt een bedrag van € 14.887,55 opeisbaar te vorderen te hebben, maar bewijs hiervoor ontbreekt;

- [gedaagde sub 2] is niet deugdelijk in gebreke gesteld en verkeert derhalve niet in verzuim;

- [gedaagde sub 2] betwist de stelling van de Bank dat een schuldregeling tot stand is gekomen en dat [gedaagde sub 2] daardoor de vordering van de Bank heeft erkend schuldig te zijn;

- naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan de vordering van de Bank op [gedaagde sub 2] niet onverkort worden toegewezen, nu het gerechtshof te Amsterdam onherroepelijk heeft geoordeeld dat de schuld aan de Bank aan [gedaagde sub 1] is toebedeeld, onder de verplichting van [gedaagde sub 2], indien en voor zover [gedaagde sub 1] daadwerkelijk op de schuld aflost of heeft afgelost, een bedrag ter grootte van de helft van die aflossing aan [gedaagde sub 1] te vergoeden, [gedaagde sub 1] geen enkel verhaal biedt en weigert diens betalingsverplichtingen na te komen, [gedaagde sub 2] niet in staat is de vordering integraal te voldoen en [gedaagde sub 1] zich geenszins heeft ingespannen om [gedaagde sub 2] uit de hoofdelijkheid te doen ontslaan;

- eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan de overeengekomen contractuele rente niet worden toegewezen, nu het aan de Bank valt te verwijten dat zij zo lang met het entameren van een procedure heeft gewacht.

5.3 [Gedaagde sub 2] biedt bewijs aan van al haar stellingen door alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het doen horen van getuigen, voor zover op haar bewijslast rust.

6. Het standpunt van de Bank in de hoofdzaak

6.1 Bij conclusie van repliek stelt de Bank ten aanzien van de door [gedaagde sub 2] gevoerde verweren als volgt:

- [gedaagde sub 2] is contractspartij van de Bank en derhalve verplicht tot nakoming van de tussen partijen overeengekomen verbintenis. Voorts erkent zij zich hoofdelijk te hebben verbonden ten aanzien van het onderhavige flexibele krediet en betwist zij niet in gebreke te zijn gebleven met de correcte nakoming van haar betalingsverplichting;

- bij de kredietovereenkomst is uitdrukkelijk verwezen naar de toepasselijke algemene voorwaarden en een exemplaar van de algemene voorwaarden zijn voorafgaand aan het tekenen van de overeenkomst aan [gedaagde sub 2] ter hand gesteld. [Gedaagde sub 2] verklaart door ondertekening van de overeenkomst een exemplaar van de toepasselijke voorwaarden te hebben ontvangen, waarmee de algemene voorwaarden onderdeel zijn gaan vormen van de contractuele relatie tussen [gedaagde sub 2] en de Bank. Overigens doen zich geen omstandigheden voor waarin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid door [gedaagde sub 2] een aanvaardbaar beroep op vernietigbaarheid kan worden gedaan, zodat de algemene voorwaarden onverminderd van kracht zijn;

- van verjaring is geen sprake, nu de bank op 31 mei 2005 een incassokaart heeft gestuurd en op 7 juni 2005 een tweede aanmaning. Op 30 augustus 2005 is [gedaagde sub 2] door

Solveon Incasso B.V. in gebreke gesteld en vervolgens is bij brieven van 11 oktober 2005, 9 november 2005, 19 januari 2006 [gedaagde sub 2] door de incasso-gemachtigde

GGN Tijhuis & Partners tot betaling gesommeerd. Als gevolg van het verzoek om opgave van de schuld ten behoeve van de door [gedaagde sub 2] aangevraagde schuldhulpverlening, is op 18 juni 2009 opgave verstrekt aan de Stadsbank Oost Nederland. Bij brief van 27 augustus 2009 heeft de Stadsbank aangegeven dat [gedaagde sub 2] de schuldregelingsovereenkomst heeft beëindigd. Vervolgens is bij brieven van 13 augustus 2010, 20 september 2010, 27 september 2010, 5 oktober 2010 en 13 oktober 2010 de verjaring gestuit. Ook in een telefonisch onderhoud op 27 september 2010 heeft [gedaagde sub 2] de vordering niet betwist. Zij heeft enkel te kennen gegeven de vordering niet te kunnen voldoen, waarna zij door de Bank in de gelegenheid is gesteld een betalingsregeling te treffen. [Gedaagde sub 2] heeft de vordering van de Bank schriftelijk erkend door middel van de inkomstenverklaring, waarbij zij heeft verzocht om een betalingsregeling van € 1,00 per maand. Bij brief van 7 oktober 2010 heeft zij nogmaals geschreven de vordering niet te kunnen aflossen;

- eerst in deze procedure stelt [gedaagde sub 2] dat de Bank niet heeft voldaan aan haar stelplicht, waar zij, blijkens het voorgaande, de vordering reeds eerder heeft erkend en nimmer om een nadere specificatie heeft verzocht. Bij repliek brengt de Bank als productie 18 een specificatie van de opbouw van het flexibele krediet ad € 9.408,34 en als productie 19 een specificatie van het rentesaldo ad € 5.479,21 in het geding;

- [gedaagde sub 2] is wel degelijk hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering van de Bank. De afspraken dan wel de beschikking van het gerechtshof inzake de procedure tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] regarderen de Bank niet;

- dat tussen het ontstaan van de vordering en het dagvaarden naar de mening van [gedaagde sub 2] een lange periode is gelegen, doet in alle redelijkheid en billijkheid niets af aan de verschuldigdheid van de contractuele rente.

6.2 De Bank biedt, voor zover nodig en onder protest van gehoudenheid, bewijs aan van haar stellingen, door alle middelen rechtens.

7. De vordering en het standpunt van [eiseres (gedaagde sub 2 in de hoofdzaak)] in de vrijwaringszaak

7.1 [Eiseres] heeft [gedaagde (gedaagde sub 1 in de hoofdzaak)] in vrijwaring opgeroepen en heeft -zakelijk weergegeven- gevorderd om [gedaagde], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en gelijktijdig met het in de hoofdzaak te wijzen vonnis, primair te veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden al hetgeen waartoe [eiseres] als gedaagde in de hoofdzaak ten behoeve van de Bank mocht worden veroordeeld en subsidiair te veroordelen om aan [eiseres] te vergoeden het gedeelte van de schuld dat [eiseres] niet aangaat en voor recht te verklaren dat [gedaagde] gehouden is aan [eiseres] te voldoen al hetgeen zij uit dien hoofde aan de Bank verschuldigd is, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak, te vermeerderen met wettelijke rente daarover ingeval van niet-tijdige voldoening.

7.2 [Gedaagde] stelt daartoe dat, ingevolge de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 5 april 2007, het gedeelte van de schuld aan de Bank dat [eiseres] aangaat is vastgesteld op de helft van de schuld zoals deze bestond op de peildatum (12 oktober 2005) en dat zij niet meer of anders verschuldigd is. De schuldenaar die meer heeft betaald dan het deel dat hem aangaat, heeft het recht de andere hoofdelijke medeschuldenaar aan te spreken voor het deel van de schuld dat ieder van hen uiteindelijk aangaat (regres). Iedere schuldenaar dient dat deel van de schuld te dragen dat hem in zijn verhouding tot de andere schuldenaar aangaat. Op 22 februari 2011 is schriftelijk aan de advocaat van de Bank verzocht om opgaaf van de schuld op peildatum 12 oktober 2005. [Gedaagde] weigert vrijwillig het uit voornoemde hoofde aan de Bank verschuldigde te voldoen.

7.3 Onder protest van gehoudenheid biedt [eiseres] bewijs van haar stellingen aan door alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van getuigen.

8. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In de hoofdzaak

8.1 De rechtbank overweegt dat, nu [gedaagde sub 1] te dienende dage niet is verschenen, tegen hem verstek is verleend. Bij de dagvaarding zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen.

8.2 Met betrekking tot de door [gedaagde sub 2] gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen staat vast dat er sprake is van een door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] onder hoofdelijke aansprakelijkheid met de Bank aangegane flexibele kredietovereenkomst. Dit houdt in dat de Bank beide (ex-)echtelieden kan aanspreken tot nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Een door beide (ex-)echtelieden gemaakte andersluidende afspraak, noch de in rechtsoverweging 3 sub c. van dit vonnis aangehaalde beschikking van het gerechtshof Amsterdam, kan de Bank worden tegengeworpen. Evenmin valt in te zien waarom het onverkort toewijzen van de vordering van de Bank op [gedaagde sub 2] in strijd met de redelijkheid en billijkheid en billijkheid zou zijn.

8.3 De rechtbank overweegt dat van verjaring van de vordering van de Bank op [gedaagde sub 2] geen sprake is. Hoewel door [gedaagde sub 2] is betwist dat zij de stuitingsbrieven van 13 augustus 2010, 20 september 2010, 27 september 2010, 5 oktober 2010 en 13 oktober 2010 (producties 11 tot en met 15 bij repliek) heeft ontvangen, heeft zij niet de stelling van de Bank, dat op 31 mei 2005 een incassokaart en op 7 juni 2005 een tweede aanmaning is gestuurd, betwist en heeft zij evenmin de ontvangst van de brief van 30 augustus 2005 van Solveon Incasso B.V. en van de brieven van 11 oktober 2005, 9 november 2005, 19 januari 2006 van de incasso-gemachtigde GGN Tijhuis & Partners (producties 4 tot en met 7) betwist. Ook deze brieven zijn aan te merken als stuitingsbrieven, in de zin van artikel 3:317 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), nu deze zijn aan te merken als ‘schriftelijke aanmaning’ dan wel ‘schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt’. In casu was steeds sprake van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenares dat zij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat zij de beschikking houdt over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. De Bank heeft gedagvaard voor het verstrijken van de vijfjaarstermijn, sedert verzending van de laatstgenoemde brief van GGN Tijhuis & Partners van 19 januari 2006. In zoverre ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat bovendien van erkenning van de vordering van de Bank door [gedaagde sub 2], als bedoeld in artikel 3:318 BW, sprake is geweest door het door de Stadsbank Oost Nederland, op verzoek van [gedaagde sub 2], op 2 juni 2009 gedane verzoek aan de Bank om opgave van de schuld ten behoeve van de door [gedaagde sub 2] aangevraagde schuldhulpverlening (productie 8 bij repliek), op welk verzoek de Bank heeft gereageerd bij brief van 18 juni 2009, met de mededeling dat haar vordering op dat moment € 13.256,49 bedroeg (productie 9 bij repliek) en voorts door de door [gedaagde sub 2] ingevulde inkomstenverklaring van 1 oktober 2010, waarbij zij heeft verzocht om een betalingsregeling van € 1,00 per maand (productie 16 bij repliek) en haar brief van 7 oktober 2010, waarin zij nogmaals schrijft de vordering niet te kunnen aflossen (productie 17 bij repliek).

8.4 Met betrekking tot het verweer van [gedaagde sub 2] dat zij primair de gelding van de algemene voorwaarden niet heeft aanvaard en subsidiair de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden inroept, overweegt de rechtbank dat in de op 13 juli 2004 door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ondertekende kredietovereenkomst dienaangaande het volgende is opgenomen:

“Naast de hier vermelde voorwaarden zijn de Algemene Voorwaarden van de Bank die zijn gedeponeerd ter griffie van de arrondissementsrechtbank van Amsterdam op het hierbij aangeboden krediet van toepassing. Kredietnemer verklaart een exemplaar van de Algemene Voorwaarden te hebben ontvangen.”

De rechtbank overweegt dat in de kredietovereenkomst tussen partijen derhalve niet alleen uitdrukkelijk wordt verwezen naar de Algemene Voorwaarden van de Bank, doch tevens dat Kredietnemer, waarmee [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zowel afzonderlijk als gezamenlijk zijn aangeduid, heeft getekend voor de ontvangst daarvan. Eenzelfde bepaling was opgenomen in een eerdere kredietovereenkomst tussen partijen, gedagtekend 4 maart 2004.

In artikel 157 lid 2 Rv luidt als volgt:

“Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. (…)”

De rechtbank overweegt dat zij deze door [gedaagde sub 2] ondertekende verklaring, dat zij de algemene voorwaarden heeft ontvangen van de Bank, voor waar aanneemt. [Gedaagde sub 2] zal niet tot het leveren van tegenbewijs worden toegelaten, nu zij dit niet uitdrukkelijk heeft aangeboden en nu zij, naar de Bank onbetwist heeft gesteld, eerst in deze procedure de stelling heeft ingenomen dat zij de algemene voorwaarden nimmer heeft ontvangen en dat derhalve bedoelde, door haar ondertekende, verklaring onjuist is.

De subsidiaire stelling van [gedaagde sub 2], dat sprake is van vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden, op grond van het bepaalde in artikel 6:233 aanhef en onder b juncto artikel 6:234 lid 1 onder a BW, zal de rechtbank passeren, nu deze artikelen immers regelen wat de gevolgen zijn indien de algemene voorwaarden niet tijdig aan de wederpartij ter hand zijn gesteld en geen betrekking hebben op de daaraan voorafgaande vraag, of moet worden aangenomen dat die voorwaarden tijdig aan de wederpartij ter hand zijn gesteld, welke vraag de rechtbank blijkens het voorgaande reeds positief heeft beantwoord

(HR 21 september 2007, NJ 2009/50).

Dat de Bank als productie II bij dagvaarding haar algemene voorwaarden uit november 2009 heeft overgelegd, doet aan het voorgaande niet af, nu de rechtbank als een feit van algemene bekendheid aanneemt dat de algemene voorwaarden van banken met enige regelmaat worden herzien, zulks in overleg en samenspraak met consumentenorganisaties.

8.5 De stelling van [gedaagde sub 2] dat de Bank niet heeft voldaan aan haar stelplicht, verdient evenmin navolging, waar [gedaagde sub 2], blijkens het voorgaande, de vordering reeds eerder heeft erkend en de Bank onbetwist heeft gesteld dat zij nimmer om een nadere specificatie heeft verzocht. Bij repliek heeft de Bank als productie 18 een specificatie van de opbouw van het flexibele krediet ad € 9.408,34 en als productie 19 een specificatie van het rentesaldo ad € 5.479,21 in het geding gebracht, waarmee zij haar vordering, naar het oordeel van de rechtbank, deugdelijk heeft gespecificeerd.

8.6 De stelling van [gedaagde sub 2] dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet de overeengekomen contractuele rente kan worden toegewezen, nu het aan de Bank is toe te rekenen dat zij zolang heeft gewacht met het entameren van een procedure, zal de rechtbank ten slotte ook passeren, nu het tijdsverloop mede valt te wijten aan [gedaagde sub 2] zelf, die, naar de Bank onbetwist heeft gesteld, niet heeft gereageerd op aanmaningen, een verzoek tot schuldhulpverlening heeft gedaan en een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling heeft gedaan. Bovendien had [gedaagde sub 2] het oplopen van de rentevordering ook kunnen voorkomen door tot betaling over te gaan.

8.7 Nu de door [gedaagde sub 2] gevoerde verweren niet zijn geslaagd en [gedaagde sub 1] geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank de vordering van de Bank jegens zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] integraal toewijzen.

8.8 Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 1.252,93 wegens verschotten (€ 87,93 kosten dagvaarding en € 1.165,-- griffierecht) en op € 904,-- wegens salaris van haar advocaat (overeenkomend met 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief).

In het incident

9. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 9 maart 2011 de beslissing omtrent de kosten, op het incident gevallen, aangehouden tot het in de hoofdzaak te wijzen eindvonnis. De rechtbank bepaalt dat [gedaagde sub 2] tevens zal worden veroordeeld in de kosten op het incident gevallen, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 452,-- (overeenkomend met 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief).

In de vrijwaringszaak

10. De rechtbank overweegt dat, nu [gedaagde] ook in de vrijwaringszaak te dienende dage niet is verschenen, ook in de vrijwaringszaak tegen hem verstek is verleend. Bij de dagvaarding zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen.

Wat er zij van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] en [gedaagde] jegens de Bank, gelet op de in rechtsoverweging 3 sub c. van dit vonnis geciteerde rechtsoverweging van het gerechtshof Amsterdam, zijn beide (ex-)echtelieden ieder voor de helft draagplichtig, waar het betreft de vordering van de Bank uit hoofde van de flexibele kredietovereenkomst. De uitleg van [eiseres], dat het deel van de vordering van de Bank, ontstaan na de peildatum 12 oktober 2005, volledig door [gedaagde] gedragen dient te worden, zoals verkort weergegeven in de uitspraak van deze rechtbank van 9 maart 2011 in het incident, vindt geen steun in vorenbedoelde overweging van het gerechtshof. Uit de door de Bank als producties 18 en 19 bij repliek overgelegde specificaties volgt dat sedert 12 oktober 2005 slechts sprake is geweest van renteboekingen op de reeds bestaande schuld, welke tussen partijen, ingevolge voornoemde uitspraak van het gerechtshof, ook bij helfte moet worden verdeeld. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:10 BW dient [gedaagde], voor het gedeelte van de schuld dat hem in de onderlinge verhouding met [eiseres] aangaat, zijnde de helft, bij te dragen in de vordering van de Bank.

De subsidiair door [eiseres] gevorderde veroordeling zal ingevolge het voorgaande dan ook worden toegewezen. De eveneens subsidiair gevorderde verklaring voor recht heeft, naast voornoemde veroordeling en de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2007, geen zelfstandige betekenis.

11. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten in de vrijwaringszaak, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 96,95 wegens verschotten (zijnde kosten van de dagvaarding), te betalen aan de griffier van de rechtbank en op € 384,-- wegens salaris van haar advocaat (overeenkomend met 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief), te betalen aan [eiseres] en in de proceskosten in de hoofdzaak, nu de schuld aan de Bank bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2007 aan [gedaagde] is toebedeeld. [Eiseres] vordert wettelijke rente over de proceskosten. [Gedaagde] is echter pas wettelijke rente verschuldigd over de proceskosten vanaf datum verzuim. De rechtbank zal een termijn van veertien dagen na betekening bepalen voor betaling van de proceskosten en beslissen dat de wettelijke rente over de proceskosten pas is verschuldigd wanneer betaling binnen deze termijn uitblijft.

De door [eiseres] gevorderde kosten van betekening van een vonnis komen in beginsel als nakosten voor rekening van de veroordeelde partij. Hierbij geldt volgens de bepalingen van het liquidatietarief rechtbanken en hoven echter wel de voorwaarde dat de veroordeelde partij gedurende veertien dagen na een daartoe strekkende aanschrijving de mogelijkheid heeft gehad om vrijwillig aan het vonnis te voldoen. De gevraagde veroordeling van de kosten van betekening van het vonnis zal hierna dan ook worden toegewezen mits voornoemde termijn van veertien dagen in acht is genomen.

De beslissing

In de hoofdzaak

I. Veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Bank te voldoen het bedrag van € 14.887,55 (veertienduizend achthonderdzevenentachtig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen -en afhankelijk van de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt tot het maximum van het besluit volgens de artikelen 35 en 36 Wet op het consumentenkrediet aan te passen- rentevergoeding, thans uitmakende 0,793% per maand, te rekenen vanaf 25 oktober 2010, over het alsdan verschuldigde bedrag.

II. Veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten in de hoofdzaak, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 1.252,93 wegens verschotten en op € 904,-- wegens salaris van haar advocaat.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In het incident

V. Veroordeelt [gedaagde sub 2] in de kosten op het incident gevallen, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 452,-- wegens salaris van haar advocaat.

VI. Verklaart onderdeel V. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

VII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In de vrijwaringszaak

VIII. Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de helft van al datgene, waartoe [eiseres] als gedaagde in de hoofdzaak met nummer 116641 HA ZA 10-1225 jegens de Bank is veroordeeld, zulks met uitzondering van de kostenveroordeling in de hoofdzaak en het incident, waarvoor het bepaalde in onderdeel IX. geldt.

IX. Veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen al datgene, waartoe [eiseres] als gedaagde in de hoofdzaak met nummer 116641 HA ZA 10-1225, uit hoofde van de proceskostenveroordeling jegens de Bank is veroordeeld, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, [gedaagde] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

X. Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in de vrijwaringszaak, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 96,95 wegens verschotten, te betalen aan de griffier van de rechtbank en op € 384,-- wegens salaris van haar advocaat, te betalen aan [eiseres], met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, [gedaagde] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

XI. Veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan.

XII. Verklaart de onderdelen VIII tot en met XI. uitvoerbaar bij voorraad.

XIII. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Lorist en is in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 19 oktober 2011.