Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU1933

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
117385 / HA ZA 11-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BY6508, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering gebaseerd op onverschuldigde betaling verjaard op grond van artikel 3:309 BW, termijn uiterlijk 2003 aangevangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 117385 / HA ZA 11-16

datum vonnis: 12 oktober 2011 (mgl)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma

[Eiseres sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

eisers,

verder gezamenlijk te noemen [eiseres],

advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te Den Bosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grolsche Bierbrouwerij Nederland B.V.,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen Grolsch,

advocaat: mr. A. Prascevic te Enschede.

1. Het procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- een ‘akte houdende een nadere productie’ zijdens [eiseres],

- de conclusie van dupliek,

- het proces-verbaal van het in deze zaak op 14 september 2011 gehouden pleidooi, met de daaraan gehechte pleitnotities van beide partijen.

1.2. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd. De rechtbank heeft de datum van de uitspraak vastgesteld op vandaag.

2. De feiten

2.1. De volgende feiten kunnen als vaststaand worden aangenomen:

a. Op of omstreeks 28 februari 1996 sloot Grolsch met ‘[eiseres] B.V. i.o.’ te Utrecht enkele overeenkomsten met betrekking tot de toen door deze B.V. i.o. geëxploiteerde horecaonderneming in Utrecht. De overeenkomsten hadden betrekking op de exclusieve afname van bier, een huurintredingsrecht, een koeltechnische installatie, een kelderbierinstallatie en een geldlening.

b. De door ‘[eiseres] B.V. i.o.’ geëxploiteerde onderneming is later onder de naam [eiseres] voortgezet in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma, zijnde eiseres sub 1. Eisers sub 2, 3 en 4 zijn de vennoten van die v.o.f.

c. In 2000 is Grolsch na een daartoe strekkend verzoek van [eiseres] een hectoliterbonuskorting gaan verlenen van ( NLG 20,- , later € 9,-) per hectoliter.

d. Op 13 juni 2003 hebben partijen twee overeenkomsten gesloten, namelijk:

(1) een exclusieve bierafnameovereenkomst, inhoudende dat [eiseres] van 1 april 2003 tot 1 april 2008 uitsluitend bier van Grolsch zou afnemen, met een hectoliterbonuskorting van

€ 50,-, waarbij Grolsch tevens aan [eiseres] een ‘sponsorbedrag’ verstrekte van

€ 70.000,- en

(2) een overeenkomst van contractsovername, waarbij [eiseres] de tussen Grolsch en ‘[eiseres] B.V. i.o.’ in 1996 gesloten overeenkomsten overnam.

e. Sinds (eind) 2008 neemt [eiseres] in haar onderneming in Utrecht geen bier meer af van Grolsch, maar van Heineken. Heineken betaalt een hectoliterbonuskorting van € 90,-.

3. De vordering

3.1. In aanvulling op de hiervoor weergegeven vaststaande feiten heeft [eiseres] het volgende gesteld.

3.2. Op grond van artikel 6 lid 1 juncto 8 lid 1 sub d van EG-Verordening 1984/83, die van kracht was tot 1 januari 2000, was een concurrentiebeperkend exclusief bierafnamebeding met een geldingsduur van ten hoogste tien jaren slechts toegestaan, als voor de afnemer tegenover de bedongen exclusieve afname een zodanig bijzonder financieel en economisch voordeel staat, dat de overeenkomst leidt tot voordelen voor de afnemer die uitstijgen boven hetgeen de afnemer normaal van een overeenkomst mag verwachten.

3.3. ‘[Eiseres] B.V. i.o.’, en vervolgens de v.o.f. [eiseres], ontleenden aan de overeenkomsten van 28 februari 1996 zulke voordelen echter niet. Met name is in de toen afgesloten afnameovereenkomst niet voorzien in een hectoliterbonuskorting, terwijl een in die tijd marktconforme hectoliterbonuskorting, bij de jaarlijkse afname van [eiseres] van (ongeveer) 700 hectoliter, per saldo € 248.030,- zou hebben bedragen.

3.4. Omdat [eiseres] pas vanaf het jaar 2000, en dus niet reeds vanaf februari 1996, van Grolsch een hectoliterbonuskorting ontving, heeft [eiseres] geen bijzonder financieel en economisch voordeel genoten als waarop zij recht had ingevolge EG-Verordening 1984/83. [Eiseres] stelt dat zij aldus over de periode van 1996 tot en met 2006 per saldo € 188.494,- te weinig hectoliterbonuskorting heeft ontvangen, en zij vordert dit bedrag thans alsnog terug, stellende dat zij tot dat bedrag aan Grolsch onverschuldigd heeft betaald.

3.5. Met ingang van 1 januari 2000 heeft EG-verordening 1999/2790 voormelde EG-verordening 1984/83 vervangen. De maximale duur van een exclusief bierafnamebeding is daarbij teruggebracht van tien jaren naar vijf jaren.

3.6. Op grond van de hiervoor in rechtsoverweging 2.1, onder d sub 2 genoemde contractsovername bleef tussen partijen de op 28 februari 1996 door Grolsch met

‘[eiseres] B.V. i.o.’ gesloten afnameovereenkomst tussen Grolsch en [eiseres] van kracht. Een effect van de contractsovername was, dat de door Grolsch met ‘[eiseres] B.V. i.o.’ in 1996 gemaakte exclusieve bierafnameovereenkomst van kracht bleef tot in 2008 gedurende meer dan twaalf jaren, en dus twee jaar langer dan de in EG-Verordening 1984/83 voorgeschreven maximumtermijn van tien jaren. Deze looptijd van het exclusieve afnamecontract was dus in strijd met de (sinds 1 januari 2000) geldende EG-Verordening 1999/2790. Grolsch had in 2003 niet (nogmaals) een exclusief bierafnamebeding met [eiseres] mogen afsluiten, voor zover een exclusieve afname langer zou duren dan tot (in) 2006. Grolsch heeft [eiseres] dus ten onrechte nog gedurende 2007 en in 2008 aan het exclusieve afnamebeding gehouden. [Eiseres] heeft daardoor schade geleden, die zij begroot op het verschil tussen de in die periode door Grolsch betaalde hectoliterbonuskorting van € 50,- en de door Heineken betaalde korting van € 90,-, zijnde in totaal € 59.536,-, welk bedrag [eiseres] opvordert uit hoofd van onrechtmatige daad.

3.7. Op grond van het voorgaande vordert [eiseres] dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- Grolsch veroordeelt om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

€ 188.494,-, met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2006;

- Grolsch veroordeelt om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

€ 59.536,- te vermeerderen met de wettelijke rente over € 28.711,- vanaf 1 januari 2008 en over 30.825,- vanaf 1 januari 2009;

- Grolsch veroordeelt om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 6.862,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

- Grolsch te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- (zonder betekening) respectievelijk € 199,- (met betekening), en vermeerderd met de wettelijke rente als Grolsch deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis heeft betaald.

4. Het verweer

4.1. Grolsch heeft de vordering betwist en daartoe het volgende aangevoerd.

4.2. De vordering, voor zover deze is gebaseerd op onverschuldigde betaling wegens (kort gezegd) ten onrechte gemiste hectoliterkortingen over de periode van 1996 tot en met 2006, is verjaard op grond van artikel 3:309 BW. [eiseres] was met het bestaan van die (gepretendeerde) vordering reeds bekend in of kort na 1996, althans uiterlijk in 2003, op de hoogte in de zin van voormelde bepaling, zodat de vordering was verjaard toen deze bij dagvaarding van 30 december 2010 tegen Grolsch werd ingesteld.

4.3. Ten onrechte stelt [eiseres] dat de door Grolsch ten behoeve [eiseres] in 1996 verrichte prestaties niet uitstegen boven hetgeen [eiseres], gezien artikel 6 lid 1 juncto 8 lid 1 sub d van EG-verordening 1984/83, als wederpartij normaal gesproken van de overeenkomst mocht verwachten. Grolsch heeft in 1996 ten behoeve van [eiseres] een borgstelling aan de Rabobank verstrekt van NLG 90.000,-. Daarnaast heeft Grolsch toen een rechtstreekse financiering aan [eiseres] verstrekt van NLG 35.000,- tegen een (toen) lage rente van 6,5%, en heeft Grolsch een biertechnische installatie in de onderneming van [eiseres] aangebracht ter waarde van (ongeveer) NLG 40.000,-.

Gezien deze (contra-)prestaties van Grolsch tegenover de bedongen exclusieve bierafnameverplichting van [eiseres] voldeed de overeenkomst aan de daaraan uit hoofde van de EG-verordening te stellen eisen, waarop [eiseres] zich beroept. Dit wordt niet anders doordat Grolsch in dit contract ook jegens [eiseres] heeft bedongen een zgn. ‘huurintredingsrecht’, dat tot doel had om, als de huurovereenkomst tussen [eiseres] en de verhuurder van haar horecapand onverhoopt voortijdig zou eindigen, de leverantierechten van Grolsch op dezelfde locatie veilig te stellen.

4.4. Grolsch was met name niet verplicht om naast voormelde prestaties aan [eiseres] ook een hectoliterkorting aan te bieden. Anders dan [eiseres] stelt, is het niet juist dat brouwerijen in 1996 aan afnemers altijd zulke kortingen verleenden. De vraag, of een hectoliterkorting wordt verstrekt hangt onder meer af van de hoeveelheid bier, die wordt verkocht en met name de in het verleden reeds gerealiseerde volumes. [Eiseres] had zich in 1996 nog niet bewezen als succesvol horeca-exploitant, zodat het toen niet in de rede lag om haar toen al een korting aan te bieden. Dat [eiseres] in 1996 niet toch over zo’n korting met Grolsch heeft onderhandeld, kan zij thans niet met succes aan Grolsch tegenwerpen.

4.5. De twee op 13 juni 2003 tussen partijen gesloten overeenkomsten (namelijk:

(1) een exclusieve bierafnameovereenkomst, inhoudende dat [eiseres] van 1 april 2003 tot 1 april 2008 uitsluitend bier van Grolsch zou afnemen, met een hectoliterbonuskorting van

€ 50,-, waarbij Grolsch tevens aan [eiseres] een ‘sponsorbedrag’ verstrekte van

€ 70.000,-, en (2) een overeenkomst van contractsovername, waarbij [eiseres] de tussen Grolsch en ‘[eiseres] B.V. i.o.’ in 1996 gesloten overeenkomsten overnam) zijn niet nietig. Het stond beide partijen volledig vrij om in 2003 te onderhandelen over een nieuwe overeenkomst met een looptijd van 5 jaren van 2003 tot 2008, en die vrijheid werd geenszins beperkt door de omstandigheid dat dit zou leiden tot exclusieve bierlevering door Grolsch aan [eiseres] over een periode van in totaal 12 jaren, namelijk van 1996 tot in 2008. [Eiseres] had ook van die in 2003 met Grolsch gesloten overeenkomsten kunnen afzien en in plaats daarvan het tienjarig contract uit 1996 met Grolsch uit te dienen tot in 2006, om direct aansluitend in onderhandeling te treden met welke andere brouwerij dan ook. Dat [eiseres] er in 2003 voor heeft gekozen om toen opnieuw met Grolsch te contracteren, kan zij nu niet met succes aan Grolsch tegenwerpen.

4.6. De opgevoerde buitengerechtelijke kosten zijn onrealistisch en buitensporig hoog.

5. De beoordeling

5.1. De rechtbank onderschrijft het verweer van Grolsch, dat de vordering, voor zover deze betrekking heeft op gemiste hectoliterkortingen over de periode van 1996 tot en met 2006, is verjaard op grond van artikel 3:309 BW. Die bepaling is van toepassing, nu de desbetreffende vordering van [eiseres] in geding is gebaseerd op onverschuldigde betaling. De verjaringstermijn van vijf jaren is aangevangen op de dag, volgende op die waarop [eiseres] met het bestaan van zijn vordering bekend is geworden.

5.2. Anders dan [eiseres] betoogt, was dat niet de dag waarop zij in 2006 door haar advocaat werd voorgelicht over haar rechtsverhouding met Grolsch. Grolsch heeft bij antwoord onbetwist gesteld dat [eiseres] al vrij snel na het sluiten van de Afnameovereenkomst van februari 1996 in conflict is gekomen met Grolsch wegens het naar de mening van [eiseres] ten onrechte niet toekennen van een (adequate) hectoliterkorting. Indertijd zijn, aldus Grolsch, de verplichtingen uit de afnameovereenkomst van 1996 tussen partijen verschillende malen ter discussie gesteld en zijn partijen na intensieve onderhandelingen tot een nieuwe afnameovereenkomst gekomen in 2003. De Europese verordeningen, waarop [eiseres] zich ter onderbouwing van haar vordering beroept, waren toen reeds enkele jaren van kracht, althans van kracht geweest.

5.3. De rechtbank leidt uit deze onbetwiste feiten af dat [eiseres] zich jegens Grolsch reeds enkele jaren vóór het juridische advies van haar advocaat in 2006, en in ieder geval niet later dan in 2003, op het standpunt heeft gesteld dat zij ten onrechte geen, althans te weinig, hectoliterkorting ontving, dan wel had ontvangen, en daaruit blijkt dat [eiseres] reeds toen op de hoogte was van de nu door haar in dit geding gepretendeerde vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling.

5.4. De verjaringstermijn is dus uiterlijk in 2003 aangevangen, zodat de vordering was verjaard toen deze bij dagvaarding van 30 december 2010 tegen Grolsch werd ingesteld.

5.5. De rechtbank onderschrijft eveneens het verweer van Grolsch, dat de twee op

13 juni 2003 tussen partijen gesloten overeenkomsten (een exclusieve bierafnameovereenkomst, inhoudende dat [eiseres] van 1 april 2003 tot 1 april 2008 uitsluitend bier van Grolsch zou afnemen, en een overeenkomst van contractsovername, waarbij [eiseres] de tussen Grolsch en ‘[eiseres] B.V. i.o.’ in 1996 gesloten overeenkomsten overnam) niet nietig zijn wegens strijd met de in voormelde EG-verordening 1984/83 gestelde maximum looptijd van een exclusieve bierafnameverplichting van tien jaren. Grolsch stelt terecht dat het beide partijen volledig vrijstond om in 2003 te onderhandelen over een nieuwe overeenkomst met een looptijd van 5 jaren van 2003 tot 2008.

5.6. Die vrijheid werd geenszins beperkt door de omstandigheid dat het sluiten van zo’n contract feitelijk zou leiden tot exclusieve bierlevering door Grolsch aan [eiseres] over een periode van in totaal 12 jaren, namelijk van 1996 tot in 2008. Het stond [eiseres] in 2003 immers vrij om van het sluiten van zo’n overeenkomst af te zien en om het tienjarig contract met Grolsch uit te dienen tot in 2006, om direct aansluitend in onderhandeling te treden met welke andere brouwerij dan ook. Dat [eiseres] er in 2003 voor heeft gekozen om (toch) nog vijf jaar door te gaan met Grolsch, kan zij thans niet aan Grolsch verwijten.

5.7. Grolsch heeft dus met het sluiten en uitvoeren van de twee in 2003 tussen partijen gesloten overeenkomsten niet onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld, zodat deswege geen verplichting van Grolsch tot betaling van enige schadevergoeding aan [eiseres] is ontstaan.

5.8. Op grond van het voorgaande moet de rechtbank de gevorderde hoofdsommen afwijzen. Daarom zijn ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet voor toewijzing vatbaar. [Eiseres] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank

I. Wijst de vordering af.

II. Veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Grolsch tot deze uitspraak begroot op € 3.537,- voor verschotten en op € 8.000,- (vier punten, Tarief VI) voor salaris.

III. Verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Hangelbroek, Marsman en Vermeulen, en op woensdag 12 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.