Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU1557

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
08/700479-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van het plegen dan wel medeplegen van moord of doodslag op F. Strijker. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte wordt veroordeeld terzake van verboden wapenbezit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 08/700479-10

Datum vonnis: 25 oktober 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1961] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 10 september 2010 tezamen en in vereniging, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Feit 2: op 11 september 2010 een pistool en kogelpatronen in zijn bezit heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 10 september 2010,

in de gemeente Enschede,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een (vuur)wapen (op (zeer) korte afstand) een of meer kogel(s)

afgevuurd/(af)geschoten in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 11 september 2010,

in de gemeente Enschede,

een wapen van categorie III, te weten een pistool (Zastava, 6.35 mm) en/of

munitie van categorie III, te weten een of meer kogelpatronen (kaliber 6.35

mm), voorhanden heeft gehad;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor beide tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie voert aan dat op basis van het procesdossier kan worden vastgesteld dat zowel verdachte als mededader [medeverdachte] zich op de plaats van delict bevonden toen dhr. [slachtoffer] werd doodgeschoten. Uit het schotrestenonderzoek van het NFI blijkt volgens de officier van justitie dat verdachte schotresten op zijn kleding had. Er zijn eveneens schotresten aangetroffen op de linkerwang van de autostoel. Een en ander leidt in de rapportage van het NFI tot de conclusie dat verdachte een vrijwel zekere relatie heeft met een schietproces. Verdachte heeft volgens de officier van justitie inconsequente verklaringen afgelegd over zijn tijdsbesteding op die bewuste dag. Verdachte heeft verklaard dat hij om 17.00 uur een afspraak had met dhr. [slachtoffer]. Eerder die middag is verdachte bij het huis van dhr. [slachtoffer] en heeft hij tegen medeverdachte [medeverdachte] gezegd dat dhr. [slachtoffer] hem “zit te dreigen”. Om 16.59 uur heeft verdachte gebeld met dhr. [slachtoffer]. Een getuige heeft gehoord dat dhr. [slachtoffer] aan de telefoon heeft gezegd dat hij er zo aan kwam. Om 18.10 uur ging verdachte een woning van kennissen binnen en waste daar zijn handen. Verdachte is diezelfde avond met zijn gezin naar Duitsland gegaan waar hij vervolgens is aangehouden. Verdachte zou volgens een aantal getuigen schulden hebben bij dhr. [slachtoffer]. Daarin schuilt volgens de officier van justitie zijn motief. Dat motief sluit aan bij het motief van mededader [medeverdachte], die bij dhr. [slachtoffer] weg wilde gaan maar dat niet kon. Volgens de verklaring van verdachte zou er met medeverdachte [medeverdachte] zijn gesproken over het inschakelen van een huurmoordenaar door verdachte. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit diverse verklaringen in het dossier blijkt dat het slachtoffer geen mensen binnenliet die hij niet vertrouwde. De officier van justitie deelt mede niet te kunnen vertellen wie van beiden de trekker heeft overgehaald, maar het kan volgens de officier van justitie niet anders dan dat verdachte

tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte], dhr. [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Van een mogelijk ander scenario is bovendien niet gebleken.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsman voert daartoe onder andere aan dat verdachte niet het type is die de confrontatie aangaat, zeker niet gezien de reputatie van het slachtoffer. Verdachte zou een zwaarwegend motief moeten hebben om tot zoiets als moord over te gaan en dat motief ontbreekt. Verdachte ontkent dat hij geld verschuldigd zou zijn aan dhr. [slachtoffer]. Het is volgens de raadsman gezien het gedrag van [medeverdachte] hoogst onaannemelijk dat er een nauwe samenwerking bestond tussen [medeverdachte] en verdachte. Niemand kan bevestigen dat het slachtoffer na 17.00 uur bezoek heeft gehad, alleen [medeverdachte] spreekt daarover. Er is niemand die verdachte bij de woning heeft gezien en uit de verklaring die door de officier van justitie bedoelde getuige bij de rechter-commissaris heeft afgelegd komt naar voren dat deze getuige niet heeft gehoord dat [slachtoffer] om 16.59 uur aan de telefoon zei dat hij er zo aan kwam.

Volgens de raadsman zijn er bij verdachte andersoortige schotresten aangetroffen dan bij [medeverdachte], dat duidt op een ander schietproces. De wisselende verklaringen van verdachte op een aantal punten zijn volgens de raadsman te wijten aan het blootstellen aan enorme stress en hectiek. De raadsman stelt zich voorts op het standpunt dat het bewijs van het openbaar ministerie grotendeels gebaseerd is op de geconstrueerde tijdslijn. De tijdslijn is volgens de verdediging niet kloppend, nu ondermeer uit de overgelegde telefoonrekening van Ziggo blijkt dat er op andere tijdstippen is gebeld dan uit het dossier naar voren komt. Er is volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen.

De overwegingen van de rechtbank

Verdachte is 11 september 2010 aangehouden in Duitsland. Volgens zijn verklaring was hij bang dat hem of zijn gezin iets zou overkomen na de dood van dhr. [slachtoffer]. Verdachte heeft diverse verklaringen afgelegd over zijn dagbesteding en het tijdsverloop op 10 september 2010. Een aantal van die verklaringen is naar het oordeel van de rechtbank aantoonbaar in strijd met hetgeen andere getuigen hebben verklaard. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier geen onomstotelijk bewijs bevindt dat verdachte zich op die bewuste dag tussen 17.00 uur en 18.00 uur in de woning van dhr. [slachtoffer] bevond.

Uit rapportages van het NFI blijkt dat zowel op de schoenen en het vest van verdachte als op de wang van de autostoel van verdachte een hoeveelheid zogenaamde A deeltjes zijn aangetroffen. Met het aantreffen van dergelijke deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces. De getuige-deskundige Roepnarain van het NFI heeft ter zitting verklaard dat er (ook) deeltjes afkomstig van andersoortige munitie zijn aangetroffen op het vest, in de auto en op de schoenen van verdachte en dat deze munitie mogelijk bij de aanhouding van verdachte door contaminatie op deze voorwerpen terecht is gekomen. De getuige-deskundige heeft voorts verklaard dat er geen tijdslimiet zit aan het aantreffen van kruitsporen op kleding. Dit is onder andere afhankelijk van de wijze van gebruik van de kleding en de stof van de kleding. Wat niet uit het schotrestenonderzoek volgt is op welke wijze de schotresten op de kleding terecht zijn gekomen. Daarbij kunnen betrokkenheid bij een eerder schietincident en contaminatie niet worden uitgesloten. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat generlei bewijskracht kan worden ontleend aan de uitkomst van het schotrestenonderzoek van het NFI. Er valt niet vast te stellen op welke wijze de schotdeeltjes op het vest, de schoenen en de autostoel van verdachte terecht zijn gekomen.

De hypothese dat verdachte tezamen en in vereniging dhr. [slachtoffer] al dan niet met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, wordt op belangrijke punten niet ondersteund door wettige en overtuigende bewijsmiddelen. Dat verdachte het feit alleen zou hebben begaan wordt evenmin door wettige en overtuigende bewijsmiddelen ondersteund. De rechtbank acht dan ook, gelet op het onderhavige strafdossier alsmede op het verhandelde ter terechtzitting, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte daarvan vrijspreken.

5.2 Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen. , , , ,

5.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 september 2010, in de gemeente Enschede, een wapen van de categorie III, te weten een pistool (Zastava, 6.35 mm) en munitie van categorie III, te weten een of meer kogelpatronen (kaliber 6.35 mm), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 26 Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en bijbehorende munitie. De ongecontroleerde aanwezigheid van wapens en munitie in de samenleving brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Verdachte heeft in zijn verklaringen bij de politie aangegeven dat hij tenminste tweemaal met het wapen heeft geschoten: in de lucht en in zijn matras. De verdachte heeft deze verklaring ter terechtzitting herhaald. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij het wapen in bewaring had voor dhr. [slachtoffer]. Verdachte heeft een aanzienlijk risico genomen, door niet alleen het wapen in zijn bezit te hebben, maar het ook daadwerkelijk te gebruiken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een dergelijke ernstig feit het opleggen van een forse gevangenisstraf rechtvaardigt.

Voor het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie zijn door het LOVS geen oriëntatiepunten straftoemeting vastgesteld. De rechtbank houdt daarom bij haar overwegingen hierover rekening met de ernst van dit feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die ondermeer tot uitdrukking komen in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank voor dit feit een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van vier maanden op zijn plaats, met aftrek van het voorarrest.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte is een groot aantal goederen in beslag genomen. Deze goederen zijn genummerd weergegeven op een aan dit vonnis te hechten beslaglijst.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen overweegt de rechtbank als volgt.

De goederen met nummer 1 t/m 3, 5, 8 t/m 13, 15 t/m 25 zijn eigendom van verdachte. Er bestaat geen verband tussen deze goederen en het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze goederen aan verdachte dienen te worden geretourneerd.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven

goederen met nummer 4, 6, 7, 14 dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Met betrekking tot voormelde voorwerpen zijn strafbare feiten gepleegd en het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 36b, 36c en 57 Sr en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 2

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezenverklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave van de goederen met nummer 1 t/m 3, 5, 8 t/m 13, 15 t/m 25 aan verdachte;

- gelast de onttrekking aan het verkeer van de goederen met nummer 4, 6, 7, 14.

Dit vonnis is gewezen door mr. Wentink, voorzitter, mr. Bloebaum en mr. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Venderbosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2011.