Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BU1555

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
08/700651-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van het plegen dan wel medeplegen van moord of doodslag op F. Strijker. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte wordt veroordeeld terzake van medeplegen witwassen van een grote som geld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/700651-10

Datum vonnis: 25 oktober 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 10 september 2010 tezamen en in vereniging, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Feit 2: in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2010 zich, met anderen, schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

zij op of omstreeks 10 september 2010,

in de gemeente Enschede,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar

mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

met een (vuur)wapen (op (zeer) korte afstand) een of meer kogel(s)

afgevuurd/(af)geschoten in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot en met 6 december 2010, in de gemeente Enschede en/althans (elders) in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) aanzienlijk(e) geldbedrag(en),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/

althans van (een) voorwerp(en), te weten (een) aanzienlijk(e) geldbedrag(en),

gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat

bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor beide tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie voert aan dat op basis van het procesdossier kan worden vastgesteld dat zowel verdachte als mededader [medeverdachte] zich op de plaats van delict bevonden toen dhr. [slachtoffer] werd doodgeschoten. Uit het schotrestenonderzoek van het NFI blijkt volgens de officier van justitie dat verdachte schotresten op haar handen en op haar kleding had. Een en ander leidt in de rapportage van het NFI tot de conclusie dat verdachte een vrijwel zekere relatie heeft met een schietproces. Verdachte legt volgens de officier van justitie inconsequente verklaringen af over haar aanwezigheid, over wat zij heeft waargenomen en de bijbehorende tijdstippen. Verdachte heeft tegenover getuigen verklaard bij dhr. [slachtoffer] weg te willen, maar dat kon zij niet. Daarin schuilt volgens de officier van justitie haar motief. Dat motief sluit aan bij het motief van de mededader [medeverdachte], die schulden had bij dhr. [slachtoffer]. Volgens de verklaring van die mededader zou verdachte met hem hebben gesproken over het inschakelen van een huurmoordenaar. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit diverse verklaringen in het dossier blijkt dat het slachtoffer geen mensen binnenliet die hij niet vertrouwde. De officier van justitie deelt mede niet te kunnen vertellen wie van beiden de trekker heeft overgehaald, maar het kan volgens de officier van justitie niet anders dan dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte], dhr. [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Van een mogelijk ander scenario is bovendien niet gebleken.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Allereerst is er volgens de raadsman geenszins sprake van een valide motief om te komen tot moord op een levenspartner. Uit het schotrestenonderzoek van het NFI volgt bovendien dat de schotresten op verdachte terecht kunnen zijn gekomen door contaminatie. Dat houdt in dat de schotresten afkomstig kunnen zijn van fysiek contact met het slachtoffer, alsmede door middel van contact met de gaswolk met schotresten kort na het schietincident. Verdachte heeft volgens de raadsman verklaard dat zij het slachtoffer heeft aangeraakt. Bovendien is verdachte vlak na het horen van een aantal schoten naar beneden gelopen en door de gaswolk van schotresten in de woonkamer gelopen. Dat verdachte zich bepaalde details niet meer kan herinneren is volgens de raadsman te wijten aan de traumatische ervaring, welk fenomeen in de literatuur wordt beschreven. De door verdachte afgelegde verklaringen veroorzaken volgens de raadsman geen gat in de tijdslijn. Concluderend is er volgens de raadsman onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte enige directe betrokkenheid heeft bij de moord, danwel dat verdachte opdracht heeft gegeven of gelegenheid heeft geboden tot het plegen van de moord.

De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de door verdachte bij de politie en ter terechtzitting afgelegde verklaringen vast dat verdachte op 10 september 2010 aanwezig was in de woning aan de Diekmanstraat in Enschede. Volgens de verklaringen van verdachte was zij op de bovenverdieping van de woning televisie aan het kijken. Zij hoorde dat haar partner dhr. [slachtoffer] de voordeur opendeed en bezoek binnenliet. Kort daarna hoorde verdachte een aantal schoten. Toen verdachte beneden kwam trof zij dhr. [slachtoffer] bloedend op de vloer van de woonkamer aan. Verdachte heeft om 17.54 uur een melding bij de alarmcentrale gedaan. Toen de ambulancebroeders ter plaatse kwamen was dhr. [slachtoffer] reeds overleden.

Uit het pathologisch onderzoek van het NFI volgt dat er drie schoten op het slachtoffer zijn afgevuurd waarbij één van de kogels het hartzakje heeft geraakt en het dodelijk letsel heeft veroorzaakt. Uit aanvullend pathologisch onderzoek volgt dat dit letsel relatief snel (ca. een halve minuut) dodelijk moet zijn geweest.

Bij verdachte zijn diezelfde dag omstreeks 19.30 uur schiethanden afgenomen.

Uit rapportages van het NFI blijkt dat zowel op de handen als op de mouwen van de trui van verdachte een hoeveelheid zogenaamde A deeltjes is aangetroffen. Met het aantreffen van dergelijke deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces. De getuige-deskundige Roepnarain van het NFI heeft ter zitting verklaard dat die deeltjes op het lichaam en de kleding terecht kunnen komen door het schieten zelf, door het zich in de nabijheid bevinden op het moment van het schietproces, door het aanraken van met schotresten besmette voorwerpen of personen of door contact met de gaswolk die na het schietproces in een ruimte blijft hangen. Volgens deskundige Roepnarain heeft onderzoek uitgewezen dat het, in geval van het afvuren van een patroon met een revolver, tien minuten duurt voordat de gaswolk met schotresten in zijn geheel is neergedaald. Verdachte was ten tijde van het schietincident in de woning aanwezig. Zij heeft verklaard dat zij na het horen van een aantal schoten naar de woonkamer is gerend en dat zij het slachtoffer heeft aangeraakt. De exacte oorzaak van de aanwezigheid van de schotresten op de handen en kleding van verdachte valt derhalve niet te herleiden. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verdachte generlei bewijskracht kan worden ontleend aan de uitkomst van het schotrestenonderzoek van het NFI.

De hypothese dat verdachte tezamen en in vereniging dhr. [slachtoffer] al dan niet met voorbedachte rade van het leven heeft beroofd, wordt op belangrijke punten niet ondersteund door wettige en overtuigende bewijsmiddelen. Dat verdachte het feit alleen zou hebben begaan wordt evenmin door wettige en overtuigende bewijsmiddelen ondersteund. De rechtbank acht dan ook, gelet op het onderhavige strafdossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte daarvan vrijspreken.

5.2 Feit 2

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen. , , , ,

5.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 6 december 2010, in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten geldbedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet en van voorwerpen, te weten geldbedragen, gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 420bis Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2

het misdrijf: medeplegen van witwassen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte en wijlen haar levenspartner, dhr. [slachtoffer], leefden jarenlang van een uitkering. In de gezamenlijke woning zijn, na het overlijden van de levenspartner van verdachte, aanzienlijke geldbedragen aangetroffen in het gezamenlijk huis en onder de grond in de schuur achter het huis. Verdachte was op de hoogte van de aanwezigheid van die geldbedragen. Verdachte voerde onder andere de administratie in huis, nam grote bedragen geld op van de bankrekening en was ervan op de hoogte dat haar nieuwe auto contant was betaald. Verdachte heeft ten aanzien van het verwerven van het geld niet de meest actieve rol gespeeld, maar zij heeft wel, gelet op de afgelegde verklaringen, van het geld geprofiteerd. Bovendien gaat het in totaal om een aanzienlijk geldbedrag.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf en de hoogte daarvan allereerst rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voor de onderhavige feiten zijn geen landelijke oriëntatiepunten straftoemeting vastgesteld, zodat de rechtbank de strafoplegging in vergelijkbare zaken in haar overwegingen zal betrekken.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank voor dit feit een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden op zijn plaats.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte is een groot aantal goederen in beslag genomen. Deze goederen zijn genummerd weergegeven op een aan dit vonnis te hechten beslaglijst.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen overweegt de rechtbank als volgt.

De goederen met nummer 11, 13 t/m 25, 27 t/m 29, 31, t/m 39, 41a, 43, 44, 47, 49, 51 t/m 61, 63, t/m 65 zijn eigendom van verdachte. Er bestaat geen verband tussen deze goederen en het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze goederen aan verdachte dienen te worden geretourneerd.

Het goed met nummer 42, dient naar het oordeel van de rechtbank ingevolge artikel 353 lid 2 onder b Sv te worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven goederen met nummer 7 t/m 10, 12, 26, 30, 40, 41 dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de voorwerpen betrekking hebben op het bewezenverklaarde feit. Nu deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en door middel van het strafbare feit zijn verkregen zijn de voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring. De rechtbank heeft bij de verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven

goederen met nummer 45, 46, 48, 50, 62, 66, 67 dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Met betrekking tot voormelde voorwerpen zijn strafbare feiten gepleegd en het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 36b, 36c en 47 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 2

het misdrijf: medeplegen van witwassen

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 2 bewezenverklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de goederen met nummer 11, 13 t/m 25, 27 t/m 29, 31, t/m 39, 41a, 43, 44, 47, 49, 51 t/m 61, 63, t/m 65 aan verdachte;

- gelast de teruggave van het goed met nummer 42 aan de rechthebbende;

- verklaart verbeurd de goederen met nummer 7 t/m 10, 12, 26, 30, 40, 41;

- gelast de onttrekking aan het verkeer van de goederen met nummer 45, 46, 48, 50, 62, 66, 67.

Dit vonnis is gewezen door mr. Wentink, voorzitter, mr. Bloebaum en mr. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Venderbosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2011.