Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BT8619

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
123865 / KG ZA 11-218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afgifte houtskeletdelen voor bouw woning. Beroep op retentierecht. Vooralsnog niet gebleken van een op dit moment opeisbare vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 123865 / KG ZA 11-218

datum vonnis: 18 oktober 2011 (ps)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

verder te noemen: [eiser],

advocaat: mr. H. den Besten te Almere,

tegen

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H-Energiesystemen B.V.,

statutair gevestigd te Enschede en kantoorhoudende te Swifterbant,

gedaagde,

verder te noemen: H-E,

gemachtigde: mr. M.P.H.M. van Kessel te ‘s-Hertogenbosch.

Het procesverloop

[Eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

Op 11 oktober 2011 heeft [eiser] producties in het geding gebracht.

Op 13 oktober 2011 heeft H-E producties in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 13 oktober 2011.

Ter zitting zijn verschenen:

- [eiser], vergezeld door mr. Den Besten;

- namens H-E: de heer en mevrouw [X], vergezeld door de gemachtigde mr. Van Kessel.

De standpunten zijn toegelicht.

Partijen hebben niet aanstonds vonnis gevraagd, omdat zij eerst nog wilden proberen een vergelijk te treffen. Dit tevergeefs want later is alsnog vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Feiten

1.1 In deze zaak staat het navolgende vast.

1.2 Tussen H-E en een vorige opdrachtgever (verder: opdrachtgever 1) is een overeenkomst tot stand gekomen ter zake de bouw van de houtskeletwanden voor een woning aan de [adres] te [woonplaats].

1.3 [Eiser] heeft de grond, de tekeningen en alle materialen van opdrachtgever 1 gekocht.

1.4 Tussen [eiser] en de heer [B], handelend onder de naam Bouwbedrijf Casa de Madeira, (verder te noemen: [B]) is een bouwovereenkomst tot stand gekomen voor de bouw van dit volhouthuis aan de [adres] te [plaats]. [Eiser] heeft aan zijn bestaande financiële verplichtingen richting [B] voldaan.

1.5 De houtskeletwanden voor de woning van [eiser] staan deels in de loods van [B] en deels in de loods(en) van H-E.

De vordering van [eiser]

2.1 [Eiser] heeft gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, H-E te veroordelen tot afgifte van alle bij haar in bezit zijnde houtskeletwanden, en materialen en tekeningen behorende bij project [plaats] zijnde de woning aan de [adres], direct na betekening van het te wijzen vonnis in goede staat af te geven aan [eiser], onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- per dag met een maximum van € 150.000,- en met toestemming aan de deurwaarder om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de panden van H-E te betreden om zelfstandig de materialen aldaar weg te halen. Voorts heeft [eiser] gevorderd H-E te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2 Daartoe heeft [eiser] - kort en zakelijk weergegeven - gesteld dat tussen hem en H-E geen overeenkomst tot stand is gekomen, omdat H-E niet tot het bouwen van de woning in staat was. [Eiser] heeft vervolgens een overeenkomst met [B] gesloten. Het was de bedoeling dat H-E zou zorgen voor de fabricageruimte, machines, gereedschappen en engineering, terwijl [B] zou zorg dragen voor de mankracht (personeel uit Portugal) en kennis. Tussen H-E en [B] is, aldus [eiser], een overeenkomst gesloten onder andere met afspraken over de verdeling van de winst.

2.3 Tussen H-E en opdrachtgever 1 is een overeenkomst tot stand gekomen, waarin onder meer stond dat het hout eigendom werd van opdrachtgever 1 en bij H-E zou worden gestald. [eiser] heeft tegelijk met de overdracht van de grond een overeenkomst gesloten met opdrachtgever 1 waaruit blijkt dat [eiser] door koop en levering eigenaar is geworden van het hout. Het hout en de houtskeletdelen zijn dan ook eigendom van [eiser].

2.4 H-E weigert thans de in haar bezit zijnde houtskeletdelen, tekeningen en bijbehorende goederen aan [eiser] af te geven. Ten gevolge daarvan kan de bouw van de woning van [eiser] niet voortgezet worden. De woning zou in mei 2011 worden opgeleverd. [Eiser] wordt geconfronteerd met extra lasten omdat hij nog niet kan verhuizen. Op dit moment is een gespecialiseerde ploeg werknemers van [B] nog in Nederland om dit huis te bouwen. [Eiser] heeft derhalve spoedeisend belang bij de vordering.

Het verweer van H-E

3.1 H-E heeft gesteld een opeisbare vordering op [B] te hebben en heeft een beroep gedaan op een haar toekomend retentierecht. H-E heeft betwist dat tussen haar en [B] is overeengekomen dat de afrekening pas na afloop zou plaatsvinden. Aan de verzoeken van

H-E om hetgeen mondeling met [B] is overeengekomen op schrift te zetten is geen gehoor gegeven. Afgesproken was dat H-E een vergoeding zou krijgen voor de engineering, aldus H-E. De kosten van de inspanningen tot nu toe aan de zijde van H-E bedragen ongeveer € 90.000,-.

3.2 H-E heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij van het [eiser] in eigendom toebehorende hout houtskeletwanden heeft gemaakt. De vraag of [eiser] eigenaar is van het hout is daarom niet (meer) relevant.

Overwegingen van de voorzieningenrechter

4.1 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt spoedeisend belang te hebben bij de onderhavige vorderingen. Uit de aard van de vordering van [eiser] blijkt reeds dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Van dit spoedeisend belang blijkt temeer nu de gespecialiseerde ploeg werknemers uit Portugal op dit moment in Nederland is. De voorzieningenrechter zal over gaan tot de materiële beoordeling van het geschil.

4.2 Retentierecht is de bevoegdheid die aan een schuldeiser toekomt om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan. De schuldeiser kan het retentierecht ook inro[plaats]n tegen derden met een ouder recht, indien zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of hij geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen. De vordering van de schuldeiser waarvoor wordt opgeschort moet in beginsel opeisbaar zijn.

4.3 Als productie 4 bij de dagvaarding is een brief van [B] aan H-E overgelegd, met betrekking tot de woning van [eiser] waarin onder meer staat : “hierbij zijn wij een vergoeding overeengekomen welke gerelateerd zal zijn aan de uiteindelijk op het project te maken bruto winst (aanneemsom minus direct gemaakte kosten t.b.v. het project) waarbij beide partijen voor alsnog afzien van enige persoonlijke salariëring benevens die van de bouwvakkers”.

H-E heeft betwist dat dit aldus tussen haar en [B] is overeengekomen, maar heeft haar stelling thans niet nader onderbouwd, terwijl wel genoegzaam vaststaat dat zij is blijven doorwerken onder kennelijk die condities. Stilzwijgende aanvaarding door H-E van voormeld aanbod van [B] lijkt voorshands dan ook voor de hand te liggen. Zonder een deugdelijke onderbouwing kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden aangenomen dat H-E nu reeds een opeisbare vordering heeft op [B]. De onderhavige kortgedingprocedure leent zich niet voor nadere bewijsvoering en/of feitenonderzoek.

4.4 Nu niet is gebleken van een opeisbare vordering van H-E op [B] kan het beroep op retentierecht naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen.

4.5 De voorzieningenrechter begrijpt de stelling van H-E dat niet relevant is of [eiser] eigenaar van het hout was aangezien H-E er houtskeletwanden van heeft gemaakt, als een beroep op zaaksvorming. Ter zitting is komen vast te staan dat de houtskeletwanden zo bijzonder zijn dat ze alleen voor de woning van [eiser] geschikt zijn. Op voorhand lijkt dan ook niet aannemelijk dat H-E deze houtskeletwanden voor zichzelf heeft gemaakt. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is van zaaksvorming dan ook geen sprake.

4.6 Gelet op al het voorgaande zal H-E worden veroordeeld tot afgifte van al de in haar bezit zijnde houtskeletwanden, alsmede van de bijbehorende materialen en tekeningen, die zijn vereist voor de bouw/afbouw van deze woning. Ter zitting is reeds naar voren gekomen dat H-E enkel de houtskeletwanden hoeft vrij te geven, met andere woorden: [eiser] toegang te verschaffen tot de loodsen van H-E om hem in staat te stellen de houtskeletwanden op te halen. [Eiser] zal er vervolgens voor zorgen dat de houtskeletwanden bij H-E worden opgehaald. De voorzieningenrechter acht een termijn van 12 uren na betekening van het vonnis redelijk om aan de veroordeling te voldoen.

4.7 De voorzieningenrechter zal H-E in de kosten van de procedure veroordelen.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. veroordeelt H-E om binnen 12 uren na betekening van dit vonnis alle bij haar in bezit zijnde houtskeletwanden, bijbehorende materialen en tekeningen die zijn vereist voor de bouw/afbouw van de woning aan de [adres] te [plaats], af te geven aan [eiser] zoals omschreven in rechtsoverweging 4.6, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- per dag dat H-E verzuimt aan deze veroordeling te doen, met een maximum van € 150.000,-, met machtiging van [eiser] om dit vonnis ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien H-E aan deze veroordeling niet voldoet;

II. veroordeelt H-E in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 260,- aan verschotten en € 527,- aan salaris van de advocaat;

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.