Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BT8438

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
08-700143-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging zware mishandeling, poging doodslag en verkrachting.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Hij was 19 jaar oud ten tijde van deze feiten.

Hij heeft in februari 2010 het slachtoffer A in haar eigen huis verkracht en heeft hierbij fysiek en verbaal geweld gebruikt. Hij heeft hiermee het slachtoffer angst aangejaagd en pijn toegebracht. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans aanvaard om het slachtoffer B zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar met een hard voorwerp te raken.

In de psychologische en psychiatrische rapportage wordt geadviseerd om aan verdachte een TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen. De officier van justitie volgt dit advies en eist voorts een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van drie en een half jaar met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet op de ernst van de feiten en de absolute behandelnoodzaak van verdachte, acht de rechtbank een TBS-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten aan verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Ten aanzien van de gevangenisstraf overweegt de rechtbank dat zij de eis van de officier van justitie om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar op te leggen, in beginsel reëel acht. Echter gelet op de behandelnoodzaak van verdachte en de voornoemde strafverminderende omstandigheden, als ook met het oog op de wenselijk geachte kans op succesvolle TBS-behandeling, is de rechtbank van oordeel dat met een gevangenisstraf voor de duur van drie en een half jaar dient te worden volstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/700143-10

datum vonnis: 18 oktober 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] in [geboorteplaats],

verblijvende in het Huis van Bewaring te Doetinchem.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 september 2010, 3 december 2010, 1 maart 2011, 8 maart 2011, 14 juni 2011, 9 augustus 2011 en 4 oktober 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

Het slachtoffer (tevens benadeelde partij) [slachtoffer 1] was op de zitting van 14 juni 2011 aanwezig. Zij heeft geen gebruik gemaakt van haar spreekrecht. Wel is de inhoud van haar schriftelijke slachtofferverklaring op de zitting meegedeeld.

Het slachtoffer [slachtoffer 2] (tevens benadeelde partij) was op de zittingen van 14 juni 2011 en 4 oktober 2011 aanwezig. Op 4 oktober 2011 werd zij bijgestaan door haar raadsman,

mr. M.J.E.C. Camps, advocaat te Enschede. Zij heeft tijdens beide zittingen gebruik gemaakt van haar spreekrecht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

primair: geprobeerd heeft [slachtoffer 1] van het leven te beroven;

subsidiair: geprobeerd heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

meer subsidiair: [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 2:

primair: met voorbedachten rade geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven;

subsidiair: geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met het oogmerk om de uitvoering van verkrachting van of het ontucht plegen met [slachtoffer 2] gemakkelijk te maken;

meer subsidiair: geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven;

nog meer subsidiair: geprobeerd heeft om aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 3:

primair: [slachtoffer 2] heeft verkracht;

subsidiair, onder a: geprobeerd heeft [slachtoffer 2] te verkrachten;

subsidiair, onder b: ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2];

Feit 4: zich opzettelijk oneerbaar op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte na wijziging, dat:

1.

hij op of omstreeks 17 februari 2010, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die (fietsende) [slachtoffer 1] (met kracht) met een knuppel/staaf, althans een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 17 februari 2010, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die (fietsende) [slachtoffer 1] (met kracht) met een knuppel/staaf, althans een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd, althans (elders) tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, meer subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 17 februari 2010 in de gemeente Enschede opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), met een knuppel/staaf, althans een hard en/of zwaar voorwerp, op/tegen het hoofd, althans (elders) tegen het lichaam, heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010 in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel en/of een mes, althans een of meerdere zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) en/of een scherp/puntig voorwerp, de woning van die [slachtoffer 2] is binnengedrongen/binnengegaan en/of met die/dat knuppel/staaf en/of (stoep)tegel en/of mes, althans die/dat voorwerp(en), zich naar de slaapkamer van die [slachtoffer 2] heeft begeven alwaar die [slachtoffer 2] lag te slapen en/of (vervolgens) met die knuppel/staaf en/of (stoep)tegel althans die/dat zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) meermalen althans eenmaal (telkens) (met kracht) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010 in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met een knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel, althans met een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van na te noemen strafbaar feit althans enig strafbaar feit, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

hebbende vorenbedoeld strafbare feit hierin bestaan:

dat verdachte in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met

21 februari 2010, in de gemeente Enschede, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het (meermalen) seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte meermalen althans eenmaal (telkens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of zijn, verdachtes, tong in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of de vagina van die [slachtoffer 2]

gelikt/betast en/of de borst(en) van die [slachtoffer 2] betast en/of die [slachtoffer 2]

gezoend/gekust en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (in de nachtelijke uren)

binnendringen/binnengaan van de woning van die [slachtoffer 2], voorzien van een

knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel, althans een of meerdere zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) en/of een mes, althans een scherp/puntig voorwerp en/of (vervolgens) met die knuppel/staaf en/of (stoep)tegel, althans die/dat zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] slaan en/of met dat mes, althans een scherp/puntig voorwerp een of meer stekende beweging(en) maken naar/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of daarmee ten overstaan van die [slachtoffer 2] manipuleren, althans die [slachtoffer 2] dat mes/voorwerp tonen en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "Ik kan je wel doodslaan" en/of "Als je gaat schreeuwen ga ik je steken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

of

dat verdachte in of omstreeks de periode 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010

in de gemeente Enschede, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het

(telkens) likken en/of betasten van de vagina van genoemde [slachtoffer 2] en/of het

brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen/langs de vagina van

genoemde [slachtoffer 2] en/of het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer 2] en/of het zoenen/kussen van die [slachtoffer 2] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (in de nachtelijke uren) binnendringen/binnengaan van de woning van die [slachtoffer 2], voorzien van een knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel, althans een of meerdere zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) en/of een mes, althans een scherp/puntig voorwerp en/of (vervolgens) met die knuppel/staaf en/of (stoep)tegel, althans die/dat zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] slaan en/of met dat mes, althans een scherp/puntig voorwerp een of meer stekende beweging(en) maken naar/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of daarmee ten overstaan van die [slachtoffer 2] manipuleren, althans die [slachtoffer 2] dat mes/voorwerp tonen en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "Ik kan je wel doodslaan" en/of "Als je gaat schreeuwen ga ik je steken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, meer subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010 in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met een knuppel/staaf en/of een

(stoep)tegel, althans een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010 in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met een knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel, althans een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010,

in de gemeente Enschede, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het (meermalen) seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal (telkens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of zijn, verdachtes, tong in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of de vagina van die [slachtoffer 2] gelikt/betast en/of de borst(en) van die [slachtoffer 2] betast en/of die [slachtoffer 2] gezoend/gekust en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (in de nachtelijke uren) binnendringen/binnengaan van de woning van die [slachtoffer 2], voorzien van een knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel, althans een of meerdere zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) en/of een mes, althans een scherp/puntig voorwerp en/of (vervolgens) met die knuppel/staaf en/of (stoep)tegel, althans die/dat zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen het lichaam van die

[slachtoffer 2] slaan en/of met dat mes, althans een scherp/puntig voorwerp een of meer stekende beweging(en) maken naar/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of daarmee ten overstaan van die [slachtoffer 2] manipuleren, althans die [slachtoffer 2] dat mes/voorwerp tonen en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "Ik kan je wel doodslaan" en/of "Als je gaat schreeuwen ga ik je steken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

a.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010

in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] te dwingen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], met een knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel en/of een mes althans een of meerdere zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) en/of een scherp/puntig voorwerp (in de nachtelijke uren) de woning van die [slachtoffer 2] is binnengedrongen/binnengegaan en/of met die/dat voorwerp(en) zich naar de slaapkamer van die [slachtoffer 2] heeft begeven en/of (vervolgens) met die knuppel/staaf en/of (stoep)tegel althans die/dat zware en/of harde voorwerp(en) meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht) op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of met dat mes, althans dat scherp/puntig voorwerp een of meer stekende bewegingen gemaakt naar/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of

daarmee ten overstaan van die [slachtoffer 2] heeft gemanipuleerd, althans dat mes/voorwerp getoond aan die [slachtoffer 2] en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd "Ik kan je wel doodslaan" en/of "Als je gaat schreeuwen ga ik je steken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of de (onder-)broek van die [slachtoffer 2] naar beneden getrokken en/of zijn, verdachtes, penis tegen/langs de vagina van [slachtoffer 2] geduwd en/of bewogen en/of getracht om zijn, verdachtes, penis en/of tong in de vagina van die [slachtoffer 2] te duwen en/of te brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

b.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010

in de gemeente Enschede, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het likken en/of betasten van de vagina van genoemde [slachtoffer 2] en/of brengen en/of bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen/langs de vagina van genoemde [slachtoffer 2] en/of het betasten van de borst(en) van die [slachtoffer 2] en/of het zoenen/kussen van die [slachtoffer 2] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (in de nachtelijke uren) binnendringen/binnengaan van de woning van die [slachtoffer 2], voorzien van een knuppel/staaf en/of een (stoep)tegel, althans een of meerdere zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) en/of een mes, althans een scherp/puntig voorwerp en/of (vervolgens) met die knuppel/staaf en/of (stoep)tegel, althans die/dat zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht op/tegen het hoofd en/althans (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] slaan en/of met dat mes, althans een scherp/puntig voorwerp een of meer stekende beweging(en) maken naar/in de richting van die [slachtoffer 2] en/of daarmee ten overstaan van die [slachtoffer 2] manipuleren, althans die [slachtoffer 2] dat mes/voorwerp tonen en/of opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "Ik kan je wel doodslaan" en/of "Als je gaat schreeuwen ga ik je steken", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 tot en met 1 juni 2009, in de gemeente Enschede meermalen althans eenmaal (telkens) zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten (in de nabijheid van) de [adres] althans op of aan (een) plaats(en) voor het openbaar verkeer bestemd, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor feit 1 primair, feit 2 subsidiair, feit 3 primair en feit 4 tot een gevangenisstraf van 6 jaar onvoorwaardelijk. Tevens vordert zij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij verwijst daarbij naar de aangifte, de getuigenverklaringen over een (jonge)man bij de tunnel en de verklaring van verdachte.

De verdediging concludeert tot vrijspraak. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat de feiten en omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten geven om vast te stellen dat het verdachte was die opzettelijk geprobeerd heeft aangeefster van het leven te beroven dan wel dat er sprake was van voorwaardelijk opzet. Ook voor het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde geldt dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op woensdag 17 februari 2010 rond 7.15 uur door de fietstunnel onder de A35 bij de Helmerzijdeweg te Enschede fietste. Zij kwam vanaf haar woning aan de [woonadres] en fietste richting de Haaksbergsestraat. Ze is om 7.10 uur van huis vertrokken. Het was koud en glad op het fietspad. Toen ze de tunnel in fietste, zag ze verder niemand. Aan het eind van de tunnel lag er veel ijs op de grond. Er was een stuk fietspad vrij van ongeveer 40 cm breed in het midden van het wegdek. Ze reed daardoor meer in het midden dan uiterst rechts. Toen ze de tunnel uit fietste, hoorde ze rechts naast haar een soort oerkreet. Tegelijkertijd zag ze vanuit haar ooghoek dat er vanaf rechts iemand tevoorschijn sprong. In dezelfde beweging zag ze ook een dikke knuppel of iets dergelijks en een zwaaiende beweging naar haar hoofd. Ze kon maar heel iets bijdraaien toen ze al vol rechts werd geraakt. Dat ging enorm hard. Ze had pijn en is geschrokken. Ze bleef wel met de fiets overeind. Ze is snel doorgefietst en riep nog iets van ‘mafkees’ of ‘idioot’. Ze keek nog achterom en zag dat de man heel nonchalant wegliep. Hij was het fietspad overgestoken en liep al sjokkend, dus heel rustig, het talud op. Hij had de knuppel of wat het ook was in zijn rechterhand en dat hing gewoon los naar beneden. Hij liep er heel ontspannen bij. Verder verklaart [slachtoffer 1] nog dat hij echt krachtig tevoorschijn sprong en haar hard sloeg. In de oerkreet zat echt emotie. Ze is ervan overtuigd dat het zijn bedoeling was om haar zwaar letsel toe te brengen of zelfs dood te slaan. Het ging echt voluit met een groot wapen. Ze geeft verder aan dat ze een grote kneuzing op en achter haar rechteroor heeft. Haar hele oor is opgezwollen en doet erg pijn. De huisarts heeft gezegd dat ze mogelijk ook een hersenschudding heeft.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij die nacht met de bus is geweest na twaalf uur. Hij weet niet meer precies hoe laat hij in de tunnel was, hij weet alleen nog dat hij dronken was. Hij had bij zijn kameraad [naam vriend] gedronken, een fles Bacardi, en hij kan zich herinneren dat de moeder van [naam vriend] om 3.00 uur naar bed ging en dat hij en [naam vriend] er toen nog waren. Hij weet niet meer precies hoe hij thuis is gekomen, maar hij denkt met de bus. Hij kan zich vaag herinneren dat hij op de bus stond te wachten. Hij voelde zich heel erg dronken, wankelde en viel soms om. Bij de Shell is hij uitgestapt en daar in de buurt kun je ook kerstbomen kopen, aldus verdachte. Hij heeft daar een blauw plastic voorwerp gepakt. Eerst moest hij wel een kerstboom uit het voorwerp halen om het te kunnen pakken. Het voorwerp was heel licht en liep van smal naar breed. Vervolgens is hij de brug omhoog gelopen via het gras met het voorwerp in zijn handen. Dit was volgens verdachte de brug vlakbij waar ‘die vrouw’ was geslagen. Hij sloeg met het blauwe voorwerp gras weg en was ermee aan het zwaaien en dansen. Vervolgens raakte hij iets en hoorde hij een stem. Deze stem was niet echt schreeuwerig, maar eerder gillend. Het was eerder een vrouwenstem dan een mannenstem. Hij kan zich niet voorstellen dat hij die vrouw heeft geraakt, maar hij zwaaide met het voorwerp en er fietste iets tegen hem aan en dat voelde hij. Daarna is hij naar huis gelopen. Hij heeft ook getekend op papier waar hij de fiets ‘voelde’. Verder heeft hij verklaard dat hij het voorwerp op twee plekken gelaten kan hebben. Hij heeft het of voor de poort bij zijn huis neergelegd of ergens in het water gegooid. De lengte van het voorwerp was naar schatting volgens verdachte tussen de 60 en 100 cm en de omtrek tussen de 4 en 8 cm. Het zwaaien met het voorwerp heeft volgens verdachte ongeveer tien minuten geduurd.

Op de plaats waar [slachtoffer 1] heeft verklaard te zijn geslagen is onderzoek ingesteld door verbalisanten Bakker en Klijnstra. Nadat [slachtoffer 1] de plekken had aangewezen waar de dader had gelopen, troffen de verbalisanten verse schoen indruksporen. Van de aangetroffen sporen hebben zij foto’s gemaakt. De sporen werden zowel links als rechts op het talud ter hoogte van de ingang van de tunnel aangetroffen. De afdrukken waren goed zichtbaar en de sporen liepen omhoog en naar beneden vanaf de plaats waar [slachtoffer 1] heeft verklaard te zijn geslagen. Vervolgens liep het spoor heen en weer op het talud en ging omhoog naar het fietspad, gelegen aan de rechterzijde van de Usselerrondweg. Van daaruit liep het spoor weer naar beneden richting het talud. De verbalisanten zagen dat het spoor verder liep over het talud, gelegen rechts naast de Usselerrondweg. Dit is weer vlakbij de plaats delict, gezien vanaf de zijde van de Broekheurnerrondweg. Het schoenindrukspoor ging verder op een weggetje dat aan de achterzijde van de tuin van de diverse woningen gelegen aan de Helmerzijdeweg loopt. Het spoor liep in de richting van de kruising Haaksbergerstraat met de Usselerrondweg. Het spoor hebben verbalisanten gevolgd tot in de richting van de genoemde kruising en was daarna niet meer te volgen, aangezien er enkele meters voor de inrit van de weg geen sneeuw meer lag. Het betreft hier de woning die tegenover “De Heuwkamp” aan de Usselerrondweg ligt. De aangetroffen schoensporen zijn in een vergelijkend schoensporenonderzoek vergeleken met onder verdachte in beslag genomen schoenen van het merk Mc-Gregor. Het afgenomen schoenspoor komt volgens de onderzoeker, voor zover zichtbaar, overeen. Onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kon evenwel niet worden vastgesteld dat de sporen zijn veroorzaakt met de schoenen van verdachte. Dit betekent dat de vraag open blijft.

Op het moment dat verbalisanten de foto van de schoenafdruk aan verdachte laten zien, verklaart verdachte dat dit zijn schoen kan zijn. Hij kan zich herinneren dat hij daar heeft gelopen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op woensdag 17 februari 2010 omstreeks 7.10 uur door het betreffende tunneltje fietste in de richting van de Wesselerbrink. Net voor de tunnel zag zij een jonge man staan. Deze jongen viel haar op omdat hij strak tegen een muurtje stond. Zij had het idee dat hij zich daar aan het verstoppen was. Hij stond zo dat de mensen die uit de richting van Helmerhoek kwamen hem niet konden zien. Zij zag dat hij angstig keek, hij had hele grote ogen. De jongen bleef tegen het muurtje staan en heeft niets tegen haar gezegd. Ze kon niet zien of hij iets in zijn handen hield. Hij had een blanke huidskleur, was ongeveer 20-25 jaar, had donker krullend haar, geen gezichtsbeharing, donkere ogen en geen bril. Ze denkt dat hij ongeveer 1,80 meter was en hij had een normaal postuur. Hij droeg een lichte jas en een spijkerbroek.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op woensdag 17 januari 2010 (de rechtbank begrijpt: februari) omstreeks 7.05 uur door het betreffende tunneltje fietste vanaf de Helmerhoek in de richting van de Haaksbergerstraat. Voordat hij door het tunneltje reed, zag hij aan de zijde van de Helmerhoek een jongeman. Hij viel op doordat hij een stuk hout in de hand had. Het was een stevig stuk hout van onregelmatige vorm en ongeveer 70 centimeter lang. Hij kwam vanuit het tunneltje lopen. Het was een jongen van ongeveer 19 à 20 jaar met een Aziatisch uiterlijk. Hij was licht getint, ongeveer 1,70 meter lang, hij had een normaal postuur en een zwart kort kapsel. Hij droeg een grijze naar beige neigend jack. Nadat foto’s van verdachte aan [getuige 2] zijn getoond verklaart hij dat de persoon past in het plaatje zoals hij hem gezien heeft. Het is niet zo dat hij hem herkent. Hij zou het wel kunnen zijn geweest.

Getuige [getuige 3] zag om 7.05 uur op woensdag 17 februari 2010 aan het eind van het tunneltje een man met zijn rug tegen de muur staan. Hij keek steeds onder het tunneltje door wie er aan kwam fietsen. Pas toen zij naast de man fietste, zag zij hem, omdat hij zich verstopte. Hij stond wat hoger op het bultje van het viaduct. Ze heeft de man niet heel goed gezien, omdat het donker was. Hij was ongeveer 1,75 meter lang, ze heeft niet gezien dat hij iets in zijn handen had, hij had volgens haar zijn handen op de rug. Verder had hij een donkere winterjas en een donkere broek aan.

Getuige [getuige 4] heeft op woensdag 17 februari 2010 omstreeks 6.55 uur een jongen in de betreffende tunnel zien staan. De jongen trok zijn aandacht, hij liep een beetje ‘rond te druilen, een beetje in gedachten en onrustig’. Nadat hij de jongen genaderd was, zag hij dat hij rustig de tunnel uitliep en rechts de hoek om ging. Hij kon niet zien of de jongen wat bij zich had. Het was een Nederlandse jongen, blanke huid, lengte groter dan 1,85 meter, kort bruin haar, leeftijd 16 à 17 jaar, niet ouder dan 20 jaar, een slank postuur, wel een dik gezicht, geen baard, snor of bril. De jongen had bolle (waarschijnlijk bruine) ogen en droeg een grijze katoenen joggingbroek met mogelijk een grijze bijpassende sweater met capuchon met een wit T-shirt daaronder. Verder droeg hij volgens [getuige 4] witte sportschoenen, mogelijk van het merk Nike.

Het primair tenlastegelegde

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op voornoemde verklaringen van [slachtoffer 1], verdachte en de overige getuigen en het schoenspoor komen vast te staan dat het verdachte is geweest die de fietsende [slachtoffer 1] met een hard voorwerp heeft geslagen. Dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij zich niets meer kan herinneren van het raken van een fietser met een hard voorwerp - de door hem genoemde blauwe kerstboomstandaard - acht de rechtbank niet geloofwaardig gelet op zijn eerdere afgelegde verklaringen bij de politie, waarbij hij meerdere malen aangeeft dat hij iets voelde, iets geraakt heeft en dat hij een vrouw hoorde gillen. Dat verdachte het (voorwaardelijke) opzet had op de dood van [slachtoffer 1], kan echter niet wettig en overtuigend worden bewezen, gelet op de onduidelijkheden omtrent onder meer de kracht van de slag en het soort wapen waarmee is geslagen. Voorts is niet komen vast te staan dat de slag ook gericht was op het hoofd van de fietser. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van hetgeen primair ten laste is gelegd.

Het subsidiair tenlastegelegde

Dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard om iemand zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door te slaan met een hard voorwerp in de richting van een fietser, kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden bewezen. Een fietser heeft immers een bepaalde snelheid en verdachte moest moeite doen om [slachtoffer 1] te raken, nu zij in het midden van het fietspad fietste. Door iemand onder voornoemde omstandigheden te raken met een hard voorwerp, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat diegene zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het subsidiair tenlastegelegde kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

5.2 Feit 2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu het onderdeel voorbedachte rade niet kan worden bewezen. Er bestaat geen inzicht in de beweegredenen van verdachte. De subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde poging doodslag, gevolgd door een verkrachting, kan volgens de officier wel wettig en overtuigend worden bewezen. Zij verwijst daarbij naar de aangifte, de verklaring van de dochter van aangeefster, de verklaringen van verdachte en de DNA-onderzoeken. De officier van justitie voert verder aan dat beide doorzoekingen rechtmatig zijn geweest, nu er mondeling machtiging daartoe is verleend door de rechter-commissaris. De schriftelijke bevestiging is vastgelegd in het proces-verbaal van 3 december 2010. Er is derhalve geen aanleiding om bewijs uit te sluiten.

De verdediging concludeert primair tot vrijspraak, nu er sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en de daaruit verkregen onderzoeksresultaten dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Voor de eerste doorzoeking ontbreekt namelijk in eerste instantie een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Ruim acht maanden na de doorzoeking wordt pas door middel van een uiterst summier proces-verbaal dit verzuim hersteld. Verder is dat proces-verbaal volgens de verdediging gebrekkig, nu het geen feiten en omstandigheden bevat waaruit kan worden afgeleid of aan de wettelijke vereisten is voldaan. Bij de tweede machtiging tot doorzoeking was er voorts geen sprake van dringende noodzakelijkheid, aangezien justitie reeds over de inbeslaggenomen kleding beschikte en ze weer terug heeft gebracht.

Subsidiair concludeert de verdediging eveneens tot vrijspraak, nu het enkele gegeven dat er DNA-sporen van aangeefster op de kleding van verdachte zijn gevonden in combinatie met de aangifte onvoldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert. Verdachte kan zich niets herinneren van die nacht. Hij verkeerde onder invloed van drugs en alcohol.

Meer subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu voorbedachte rade niet bewezen kan worden. Het ontbreekt aan inzicht in de gedachtegang van verdachte om te kunnen vaststellen of sprake is van voorbedachten rade. De subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde poging doodslag kan volgens de verdediging eveneens niet worden bewezen, nu er geen sprake is geweest van (voorwaardelijke) opzet op de dood van aangeefster. De feiten en omstandigheden kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet de vereiste aanmerkelijke kans op de dood in het leven roepen. Indien dit onderdeel al bewezen zou kunnen worden, dient alsnog vrijspraak te volgen, nu er geen sprake was van het oogmerk om het oorsprongsfeit (de verkrachting) te vergemakkelijken. Immers een verkrachting is juridisch niet mogelijk met een levenloos persoon, aldus de verdediging. Het meer subsidiair tenlastegelegde feit poging doodslag kan, gelet op het ontbreken van (voorwaardelijke) opzet eveneens niet bewezen worden. Ten aanzien van de nog meer subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van bewijsuitsluiting

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van enig onrechtmatig verkregen bewijs. Weliswaar heeft de rechter-commissaris de processen-verbaal met de schriftelijke vastlegging van de verleende machtigingen tot doorzoeking ter inbeslagneming niet op (zeer) korte termijn na de betreffende doorzoekingen opgemaakt, dit maakt echter niet dat de doorzoekingen dan wel de gelegde beslagen onrechtmatig geoordeeld dienen te worden. Op basis van de processen-verbaal van de rechter-commissaris, aangevuld door de processen-verbaal van de officier van justitie en haar uitleg ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat aan de wettelijke vereisten voor inbeslagneming is voldaan, zodat de mondelinge machtiging in redelijkheid kon worden verleend. Het verweer van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting zal derhalve worden verworpen.

De overige bewijsoverwegingen van de rechtbank

Aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 20 op 21 februari 2010 wakker werd in haar huis te Enschede door een harde klap op haar hoofd. Het was een heel harde slag. Vervolgens voelde zij een tweede klap op haar hoofd. Zij zag een man die bezig was haar te slaan en zij hoorde dat hij riep terwijl zij zich verweerde: “Ik kan je wel doodslaan.” Zij weet niet of dat na de tweede klap was; het kan zijn dat zij toen ook al een derde klap had gehad. Zij zag op dat moment niet waar hij mee sloeg. Ze voelde een raar soort duizeling. Ze was zich ervan bewust dat zij erg aan het bloeden was. Later zag zij dat hij het voorwerp, waarmee hij had geslagen, in zijn linkerhand had. Het was een soort staaf of stang met een doorsnee van 3 of 4 centimeter en ongeveer een meter lang. Op een vraag van de verbalisanten hoe vaak zij in totaal is geslagen, antwoordt zij dat dat minimaal 3 keer is geweest. Dat zijn de slagen die zij gelet op de verwondingen denkt te kunnen herleiden.

Ten aanzien van het signalement van de man heeft zij verklaard dat het een jonge man was. Zij heeft gevraagd naar zijn leeftijd en hij gaf aan dat hij 18 jaar was. Zij denkt dat hij 16 à 17 jaar moet zijn geweest. Hij was verder ongeveer 1.70 à 1.75 meter lang, hij had een smal postuur, een smal gelaat en een blanke huiskleur. Het was een Nederlandse jongen, met een Enschedees accent, met donker haar (ongeveer 5 centimeter lang met slag), hij had zware wenkbrauwen (maanvormig, niet borstelig), een vrij lange neus en geen gezichtsbeharing. Verder rook zijn kleding gewassen, er was geen sprake van een alcohol- of sigarettengeur, hij had geen bril en zijn stem klonk als een lage vrouwenstem of een hoge mannenstem (nog kinds). Voorts had hij een trainingsjack of sweatshirt aan, mogelijk donkerblauw (in ieder geval donker van kleur), met een afbeelding aan de linkervoorzijde op schouder/borsthoogte. Dit was een print met een cirkel of rondje, een soort logo, wit van kleur en met een doorsnee van ongeveer 10 cm. Hij had een licht grijze joggingbroek aan, licht grijze sokken (in ieder geval geen witte sokken) en vermoedelijk een wit shirt onder de bovenkleding.

Op de afdeling spoedeisende hulp is geconstateerd dat [slachtoffer 2] een oppervlakkig wondje van 1 cm had rechts op haar voorhoofd. Verder had zij links op haar voorhoofd een barstwond, welke op de behaarde hoofdhuid zit, deels doorlopend door de haargrens. De wond links op het voorhoofd is gehecht. De wond rechts op het voorhoofd is geplakt met steristrips.

Bij de doorzoeking in het huis van verdachte is een sweater met identiteitszegel AAAH1355NL in beslag genomen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat deze sweater van hem is en dat deze van het merk Britain is. De buitenzijde van de sweater is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn op de voorzijde en op de rechtermouw van de sweater meerdere bloedsporen aangetroffen. Twee bloedsporen zijn als [AAAH1355NL]#01 en [AAAH1355NL]#02 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Van het DNA in de bemonstering [AAAH1355NL]#01 van de sweater is een DNA-profiel verkregen van een vrouw. Dit profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Dit betekent dat het bloed in de bemonstering afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 2]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Er zijn zes bemonsteringen van de vagina van [slachtoffer 2] afgenomen en twee bemonsteringen van de huid tussen de vagina en de anus met als identiteitszegel ZAAAB743NL. De bemonsteringen zijn door het NFI onderworpen aan een DNA-onderzoek. Er is geen sperma aangetroffen. Van het DNA in de milde lysisfractie van de bemonstering [ZAAA8743NL]#08 (een bemonstering van de huid tussen de vagina en de anus) is een DNA-mengprofiel verkregen waarin de DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen, waaronder minimaal één man. Onder de aanname dat zich in de milde lysisfractie van de bemonstering [ZAAA8743NL]#08 daadwerkelijk celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer 2] bevindt, zijn DNA-kenmerken van de tweede persoon afgeleid. Deze afgeleide DNA-kenmerken matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Dit betekent dat de milde lysisfractie van de bemonstering (naast het celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer 2]) tevens celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze afgeleide DNA-kenmerken is ongeveer één op zeshonderdduizend.

Het primair tenlastegelegde

Gelet op voornoemde verklaringen en de resultaten van het DNA-onderzoek is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte [slachtoffer 2] meerdere malen op het hoofd heeft geslagen met een hard voorwerp. De rechtbank ziet gelet op de gedetailleerdheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] in combinatie met de geconstateerde verwondingen geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid van die verklaringen te twijfelen. Voorts heeft zij een gedetailleerde beschrijving van verdachte gegeven en matcht het DNA-profiel in de bloedsporen die zijn gevonden op de sweater van verdachte met haar DNA-profiel, waarbij de berekende frequentie kleiner is dan één op één miljard. De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij die kleren uit een kapotte wasmachine van zijn vaders bedrijf zou hebben gehaald, nu deze volstrekt ongeloofwaardig wordt geacht, mede gelet op zijn eerdere verklaringen bij de politie. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte met voorbedachten rade heeft getracht om [slachtoffer 2] te doden. Er is geen inzicht verkregen in de beweegredenen van verdachte, zodat niet kan worden vastgesteld of hij heeft gehandeld met voorbedachten rade. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank is voorts van oordeel dat de subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerde poging doodslag, namelijk een poging doodslag met het oogmerk om een zedendelict - kort gezegd - voor te bereiden of gemakkelijker te maken, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Dat verdachte het oogmerk had om de uitvoering van het zedendelict voor te bereiden door [slachtoffer 2] te slaan en dat hij aldus willens en wetens heeft gehandeld kan niet worden bewezen, nu - zoals hiervoor reeds is overwogen - geen inzicht kan worden verkregen in zijn beweegredenen.

Het meer subsidiair tenlastegelegde

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Hij heeft opzettelijk met een hard voorwerp meerdere malen met kracht op het hoofd van de slapende [slachtoffer 2] geslagen. Dit handelen van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als gericht op de dood van [slachtoffer 2]. Het is een algemene ervaringsregel dat delen van het hoofd dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien daarop dergelijk geweld wordt uitgeoefend, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Aldus was bij verdachte sprake van opzet op de dood van [slachtoffer 2].

5.3 Feit 3

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de primair ten laste gelegde verkrachting wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij verwijst daarbij naar de aangifte, de verklaring van de dochter van aangeefster en de resultaten van de DNA-onderzoeken.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde concludeert de verdediging tot vrijspraak. Daartoe voert de verdediging aan dat er onvoldoende wettig bewijs is voor het daadwerkelijk seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Dit onderdeel is enkel gebaseerd op de verklaring van aangeefster. Het DNA spoor is enkel aangetroffen in het gebied buiten de vagina, maar niet in de vagina. Ten aanzien van het subsidiair onder a en b tenlastegelegde refereert de verdediging aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

[slachtoffer 2] heeft - in vervolg op hetgeen zij heeft verklaard zoals opgenomen onder 5.2 en hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd – verder verklaard dat degene die in haar kamer stond in zijn rechterhand een mes had. Dat mes leek op een aardappelschilmes. De jongen dreigde haar. Hij zei: “Als je gaat schreeuwen, ga ik jou steken.” Ze was zich bewust van de gevaarlijke situatie en ze was bang dat hij daadwerkelijk zou gaan steken. Ze vroeg hem wat hij wilde. Hij zei: “Wat denk je?” Hij zei dat met een dreigende stem. Ze zei dat ze het niet wist en: “Misschien wil je geld.” Hij zei: “Nee, ik wil jouw geld niet. Ik wil jou beffen.” Dat zei hij dreigend, met de intentie in zijn stem, dat als zij niet zou meewerken, hij zou gaan steken. Hij hield het mes op haar gericht. Ze zag dat hij stekende bewegingen maakte met het mes in haar richting. Hij trok met zijn linkerhand haar onderbroek naar beneden tot aan haar knieën. Hij zei: “Je bent ongesteld.” Zij heeft geholpen om de onderbroek naar beneden te doen. Later heeft ze die onderbroek uitgedaan. Ze heeft hem geholpen, omdat ze wilde dat hij snel klaar zou zijn en weg zou gaan. Hij heeft haar toen één keer gelikt over haar vagina. Op dat moment zat hij op het bed. Hij boog zich over haar heen. Hij zat met zijn knieën aan weerszijden van haar lichaam, ter hoogte van haar bovenbenen. Zij lag op haar rug. Hij wilde dat zij haar knieën uit elkaar deed. Hij haalde heel snel zijn geslachtsdeel tevoorschijn met zijn linkerhand en in de andere hand had hij het mes. Zij zag dat hij aan de bovenkant in zijn joggingbroek ging met zijn hand. Hij haalde op die manier zijn geslachtsdeel uit zijn broek. Hij was wat onhandig, een beetje klunzig, met zijn broek naar beneden te doen. Hij leek geen ervaren jongen in seks, omdat hij zo klunzig was. Zij vond dat hij het geslachtsdeel van een puber had. Zijn geslachtsdeel was klein, dun, niet volledig volgroeid. Hij had wel een erectie. De erectie was niet helemaal ontwikkeld. De jongen kroop over haar heen, verder naar boven. Hij penetreerde haar met zijn geslachtsdeel. Hij deed dat ook klunzig. Hij kon de ingang van haar vagina niet vinden. Hij kreeg zijn penis er eerst niet in. Vervolgens lukte het de jongen om zijn penis in haar vagina te krijgen. Hij ging meerdere keren op en neer met zijn penis in haar vagina. Hij probeerde haar te zoenen op haar mond tijdens het penetreren. Zij zoende niet terug en deed haar hoofd opzij. Hij wilde haar borsten betasten, met zijn hand onder haar kleren. Hij zei dat hij haar weer wilde beffen. Hij heeft haar een keer gelikt over haar vagina. Hij wilde haar borsten betasten. Hij kneep erin, een soort masseren. De jongen kroop weer over haar heen en wilde haar weer penetreren. Dat deed hij ook heel klungelig. Hij ging met zijn penis in haar vagina. Hij bewoog een paar keer op en neer. Hij heeft daarbij ook haar billen vastgehouden. Hij zei: Ik zal maar niet in jou klaarkomen.” Zij weet niet zeker of hij een zaadlozing heeft gehad. In ieder geval niet in haar vagina. Hij stopte zijn penis terug in zijn broek en trok zijn joggingbroek wat naar boven. Hij heeft zijn broek niet uit gehad. Hij heeft zijn kledingstukken steeds aangehouden. Hij draaide zich vervolgens om en liep haar kamer uit. Hij liep naar de keuken en bleef daar staan en riep naar haar: “Wil je weten hoe ik binnengekomen ben?” Zij zei: “Ja”. Hij zei: “Je keukendeur stond open” of “De keukendeur was niet op slot” of iets dergelijks. Ze hoorde dat hij via haar keukendeur naar buiten ging.

Er zijn zes bemonsteringen van de vagina van [slachtoffer 2] afgenomen en twee bemonsteringen van de huid tussen de vagina en de anus met als identiteitszegel ZAAAB743NL. De bemonsteringen zijn door het NFI onderworpen aan een DNA-onderzoek. Er is geen sperma aangetroffen. Van het DNA in de milde lysisfractie van de bemonstering [ZAAA8743NL]#08 (een bemonstering van de huid tussen de vagina en de anus) is een DNA-mengprofiel verkregen waarin de DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen, waaronder minimaal één man. Onder de aanname dat zich in de milde lysisfractie van de bemonstering [ZAAA8743NL]#08 daadwerkelijk celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer 2] bevindt, zijn DNA-kenmerken van de tweede persoon afgeleid. Deze afgeleide DNA-kenmerken matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Dit betekent dat de milde lysisfractie van de bemonstering (naast het celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer 2]) tevens celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze afgeleide DNA-kenmerken is ongeveer één op zeshonderdduizend.

De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op basis van de uitgebreide en gedetailleerde beschrijving van [slachtoffer 2] in combinatie met het onderzoek waaruit blijkt dat het DNA-profiel van verdachte matcht met het DNA-profiel van de bemonstering van de huid tussen de vagina en de anus van [slachtoffer 2], waarbij de berekende frequentie kleiner is dan één op zeshonderdduizend, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] is gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het meermalen seksueel binnendringen van haar lichaam. Het verweer van de verdediging dat de enkele verklaring van aangeefster onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen zal worden verworpen, nu de door de raadsman aangehaalde bewijsminimumregel enkel ziet op de gehele tenlastelegging. Onderdelen van die tenlastelegging, zoals het seksueel binnendringen van het lichaam, mogen wel berusten op de enkele verklaring van aangeefster. De rechtbank ziet, zoals reeds eerder is overwogen, geen enkele aanleiding om aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] te twijfelen.

5.4 Feit 4

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat dit feit bewezen kan worden, gelet op de in het dossier aanwezige getuigenverklaringen.

De verdediging concludeert tot vrijspraak, nu geen van de getuigen daadwerkelijk verdachte heeft herkend als de persoon die daar stond. Voorts hebben die getuigen niet gezien dat deze persoon zijn geslachtsdeel in zijn hand had.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit feit niet wettig en overtuigend worden bewezen, nu geen van de getuigen een ontbloot geslachtsdeel heeft waargenomen. De getuigen geven in hun verklaringen weliswaar aan dat zij gelet op de bewegingen van de waargenomen persoon dachten dat hij zich aan het aftrekken was, maar een ontbloot geslachtsdeel hebben zij niet gezien.

5.5 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair, onder feit 2 primair en subsidiair en onder feit 4 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair, onder feit 2 meer subsidiair en onder feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 17 februari 2010, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die (fietsende) [slachtoffer 1] (met kracht) met een hard en/of zwaar voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010 in de gemeente Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 2] meermalen (met kracht) met een of meer hard(e) en/of zwa(a)r(e) voorwerp(en) tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 februari 2010 tot en met 21 februari 2010,

in de gemeente Enschede, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het meermalen seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte meermalen (telkens) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of zijn, verdachtes, tong in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en de vagina van die [slachtoffer 2] gelikt/betast en de borst(en) van die [slachtoffer 2] betast en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld uit het (in de nachtelijke uren) binnengaan van de woning van die [slachtoffer 2], voorzien van een of meerdere zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) en het (vervolgens) met die/dat zwa(a)r(e) en/of hard(e) voorwerp(en) meermalen, (telkens) met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] slaan en met een mes stekende beweging(en) maken naar/in de richting van die [slachtoffer 2] en daarmee ten overstaan van die [slachtoffer 2] manipuleren en opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 2] zeggen: "Ik kan je wel doodslaan" en "Als je gaat schreeuwen ga ik je steken", en aldus voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 242, 287 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair:

het misdrijf: poging zware mishandeling;

feit 2 meer subsidiair:

het misdrijf: poging doodslag;

feit 3 primair:

het misdrijf: verkrachting.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor feit 1 primair, feit 2 subsidiair, feit 3 primair en feit 4 tot een gevangenisstraf van 6 jaar onvoorwaardelijk. Tevens vordert zij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in geval van bewezenverklaring open staat voor behandeling in de vorm van TBS, maar dan zonder het bevel tot verpleging. Aan de voorwaarden voor het opleggen tbs is volgens de verdediging voldaan. Om recidive te voorkomen is volgens de verdediging het opleggen van TBS met voorwaarden voldoende.

De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten.

Hij heeft de aanmerkelijke kans aanvaard om het slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar met een hard voorwerp te raken. Uit de aangifte en de onderbouwing van de civiele vordering van het slachtoffer komt naar voren dat het voorval voor haar grote gevolgen heeft gehad. Zij heeft er diverse lichamelijke klachten aan overgehouden en ook mentaal heeft het voorval zijn sporen bij haar nagelaten. Het slachtoffer beschrijft dat zij enorm geschrokken is van het voorval en dat zij sindsdien schrikachtig is en alert. Dat ook de kinderen van het slachtoffer niet meer langs de tunnel durven te fietsen en nachtenlang slecht hebben geslapen, weegt voor het slachtoffer uiteraard zwaar.

De verkrachting van het slachtoffer [slachtoffer 2] en de poging doodslag van ditzelfde slachtoffer kunnen gekwalificeerd worden als zeer ernstige en gewelddadige feiten. Verdachte heeft het slachtoffer in haar eigen huis verkracht en heeft hierbij fysiek en verbaal geweld gebruikt. Hij heeft hiermee het slachtoffer angst aangejaagd en pijn toegebracht. Uit de aangifte en de slachtofferverklaring, komt naar voren dat de gebeurtenis een enorme impact op haar heeft gehad. Hoewel er sindsdien al ruim een jaar is verstreken, ondervindt zij nog dagelijks de nadelige gevolgen van de gebeurtenis. In het huis waar het is gebeurd kon ze niet meer wonen en daarom is zij verhuisd. Bij het slachtoffer is een post traumatische stress stoornis geconstateerd, waardoor zij afhankelijk is geworden van verschillende hulpverlenende instanties. Het is de vraag of zij in de toekomst weer volledig zal herstellen.

Bij het bepalen van de duur van de straf voor de feiten, heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank ook de door het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS) vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover die voor het onderhavige feiten zijn vastgesteld. Deze geven als uitgangspunt voor een verkrachting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. De rechtbank neemt als strafvermeerderende factoren in aanmerking dat verdachte hierbij grof geweld heeft gebruikt en het feit dat de verkrachting in de eigen woning van het slachtoffer, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen, heeft plaatsgevonden. Als uitgangspunt voor een zware mishandeling, waarbij een wapen, niet zijnde een vuurwapen is gebruikt, hanteert het LOVS een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Omdat het in het onderhavige geval om een poging gaat dient een gevangenisstraf voor de duur van ongeveer 5 maanden als uitgangspunt te gelden.

Ten aanzien van de poging tot doodslag zijn geen oriëntatiepunten bepaald. De rechtbank constateert dat als strafmaximum voor een voltooide doodslag een strafmaximum van 15 jaren is vastgesteld.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon van de verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de besproken rapportages is gebleken. De rechtbank heeft in dit kader kennisgenomen van de psychologische rapportage van 16 maart 2011 opgemaakt door prof. dr. J.J. Baneke, forensisch psycholoog en de psychiatrische rapportage van

21 maart 2011 opgemaakt door J.R. Douglas Broers, psychiater, en de hierop ter terechtzitting van 4 oktober 2011 gegeven toelichting van deze beide deskundigen.

De beide gedragsdeskundigen komen tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, antisociale en theatrale trekken. Daarnaast is er volgens de deskundigen bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van verslavingsproblematiek. De deskundigen merken ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte op dat hij als gevolg van psychische stoornissen niet als volledig toerekeningsvatbaar is te beschouwen. Echter evenmin is aannemelijk dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is omdat hij zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan gerichte agressie.

De deskundigen zijn het erover eens dat een intensieve en langdurige behandeling van verdachte noodzakelijk is om in de toekomst recidive te voorkomen. Over het kader waarbinnen deze behandeling dient te geschieden zijn zij eensluidend. Beide deskundigen adviseren om aan verdachte een TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Het is van groot belang dat verdachte goede psychotherapie krijgt. Een strak kader is noodzakelijk om hem te beschermen tegen zichzelf en zijn ouders. Verdachte heeft namelijk weinig doorzettingsvermogen. Omdat ook zijn ouders niet in staat zijn om hem te begrenzen, is het strakke kader van de TBS-maatregel noodzakelijk om te voorkomen dat verdachte voortijdig zijn behandeling staakt. Gelet op de nog zeer jeugdige leeftijd van verdachte en zijn problematiek, wijzen de beide deskundigen erop dat de behandeling een grotere kans van slagen heeft indien deze op korte termijn van start gaat. Gezien de leeftijd van verdachte is door de rechtbank aan de beide deskundigen de vraag voorgelegd in hoeverre zij een behandeling in het kader van een PIJ-maatregel haalbaar en wenselijk achten. De beide deskundigen merken hierover op dat een behandeling in het kader van een PIJ-maatregel wat hen betreft ontoereikend is. Een TBS-maatregel biedt verdachte meer behandelmogelijkheden. De problematiek van verdachte vergt volgens deskundige Baneke een behandeling op volwassen niveau. Hij verklaart dat met name de Van der Hoeven Kliniek de deskundigheid heeft om de problematiek als die van verdachte goed te behandelen en ook daarom gaat de voorkeur uit naar TBS boven PIJ.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten aan verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend en sluit zich wat dat betreft aan bij de door de externe deskundigen getrokken conclusie. Dit is een strafverminderende omstandigheid, net als het vrijheidsbeperkende karakter van de hieronder te noemen maatregel, alsmede het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van drie en een half jaar met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet op de ernst van de feiten en de absolute behandelnoodzaak van verdachte, acht de rechtbank een TBS-maatregel met dwangverpleging, zoals de beide deskundigen hebben geadviseerd, geïndiceerd. De rechtbank is van oordeel dat een behandelverplichting in het kader van een TBS met voorwaarden onvoldoende waarborgen biedt voor een succesvolle behandeling van verdachte.

Ten aanzien van de gevangenisstraf overweegt de rechtbank dat zij de eis van de officier van justitie om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar op te leggen, reëel acht. Echter gelet op de behandelnoodzaak van verdachte en de voornoemde strafverminderende omstandigheden, als ook met het oog op de wenslijk geachte kans op succesvolle TBS-behandeling, is de rechtbank van oordeel dat met een gevangenisstraf voor de duur van drie en een half jaar dient te worden volstaan.

De rechtbank overweegt dat aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van een TBS-maatregel is voldaan nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en gelet op het feit dat het bewezenverklaarde misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. Ter onderbouwing van dit laatste oordeel wijst de rechtbank op de door Baneke omschreven plotselinge eruptie van ernstig gewelddadig seksueel gedrag. Dat zou de kans op soortgelijke ernstige feiten kunnen verhogen. De rechtbank overweegt verder dat de maatregel kan worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

8.2 Het beslag

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat het inbeslaggenomen schilmes, (kleur: geel/wit, nummer 12 van de beslaglijst) wordt onttrokken aan het verkeer. Voorts vordert zij de teruggave van de inbeslaggenomen sportschoenen (nummer 10 van de beslaglijst), de zwarte mobiele telefoon (merk: Apple iPhone, nummer 14 van de beslaglijst) en diverse kleding (nummer 18 van de beslaglijst) aan verdachte.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de inbeslaggenomen sportschoenen, de zwarte mobiele telefoon (merk: Apple iPhone), en de kleding aan verdachte dienen te worden teruggegeven. Het inbeslaggenomen schilmes is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu het feit met behulp van dit goed is begaan en dit goed van zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

9. De schade van benadeelden

9.1 [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1], wonende te Enschede aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 800,00 wegens smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 800,00, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 subsidiair is toegebracht.

9.2 [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert na vermeerderen van haar vordering ter zitting op 4 oktober 1011, veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 44.071,70 + PM (als voorschot), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering om de volgende redenen:

1. Op grond van artikel 346 lid 2 Sv is het niet mogelijk om de door [slachtoffer 2] op 4 oktober 2011 aangevulde civiele vordering ter terechtzitting te behandelen. Het gaat in casu immers om een gesloten heropening van de zaak teneinde twee deskundigen op zitting te horen.

2. Op grond van artikel 51g lid 3 Sv dient de civiele vordering gevoegd te worden voordat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld om te het woord te voeren overeenkomstig artikel 311 Sv en volgens de verdediging was dit requisitoir al op 14 juni 2011.

3. De civiele vordering is te omvangrijk en complex om door de strafrechter te worden beoordeeld en dient daarom bij de burgerlijke rechter te worden aangebracht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en dat deze vordering dient te worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat de heropening van de zaak teneinde een tweetal deskundigen ter zitting te doen horen, niet de beperking inhoudt dat de benadeelde partij haar vordering niet mag aanvullen. Ook artikel 51g Sv staat aan de indiening van de aangevulde vordering niet in de weg omdat de officier van justitie door de heropening van de strafzaak ter terechtzitting van 4 oktober 2011 opnieuw de gelegenheid heeft gekregen om te rekwireren.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat door de benadeelde partij ingediende vordering, in ieder geval deels, van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor beoordeling door de strafrechter.

De benadeelde heeft de schade onderverdeeld in de volgende posten:

- Materiële kosten ad € 8256,70;

- Herstelkosten ziekte ad € 5470,00 + € PM;

- Kosten blijvende invaliditeit € PM;

- Arbeidsvermogenverlies ad € 15345,00,-

- Andere kosten € PM

- Smartengeld ad € 15.000,00

Totale schade: € 44.071,70 + € PM, waarbij de rechtbank vaststelt dat geen veroordeling tot betaling van kosten van rechtsbijstand wordt gevorderd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terecht¬zitting is komen vast te staan dat de verdachte door de onder 5.2 en 5.3 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

De opgevoerde schadepost met betrekking tot de materiële kosten acht de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk, met uitzondering van de posten genoemd onder punt 1, 4 en 5, waarbij de rechtbank in het bijzonder niet overtuigd is van de noodzaak om deze kosten te maken. De rechtbank is eveneens van oordeel dat de kosten genoemd onder punt 1 (aanschaf nieuw bed) onvoldoende onderbouwd zijn. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stellingen nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering voor dat gedeelte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De kosten genoemd onder punt 4 (kosten na verhuizing) zijn naar het oordeel van de rechtbank niet het gevolg van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de onder punt 5 opgevoerde benzinekosten/vergoeding verhuismensen te hoog is. Dit bedrag dient gematigd te worden tot € 1000,-.

De opgevoerde schadepost met betrekking tot de herstelkosten ziekte acht de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk, met uitzondering van de posten genoemd onder punt 3, 6 en 7. De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde kosten onder punt 3 (reiskosten) te hoog zijn. Dit bedrag dient te worden gematigd tot € 300,-

De kosten genoemd onder punt 6 komen naar het oordeel van de rechtbank niet reeds nu voor vergoeding in aanmerking nu de benadeelde partij hiervoor bijzondere bijstand heeft aangevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de onder punt 7 opgevoerde kosten voor thuiszorg/mantelzorg te hoog zijn. Dit bedrag dient gematigd te worden tot € 500,-.

De benadeelde partij dient naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard te worden ten aanzien van de opgevoerde schadeposten met betrekking tot de kosten blijvende invaliditeit en andere kosten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat deze schadeposten onvoldoende zijn vastgesteld. Ten aanzien van de gevorderde schade door arbeidsvermogenverlies, is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van deze schade en het causale verband tussen deze schade en de onder 5.2 en 5.3 bewezenverklaarde feiten onvoldoende zijn onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stellingen nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering voor dat gedeelte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De opgevoerde schadepost met betrekking het smartengeld acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 8000,00 (als voorschot toe te kennen). De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering voor dat gedeelte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank heeft aldus de volgende schadekosten beraamd:

- Materiële kosten ad € 8256,70 minus € 458,00 minus € 2416,00 minus € 2000 = € 3382,70;

- Herstelkosten ziekte ad € 5470,00 minus € 212,40 minus 450,00 minus € 3100,00 = € 1707,60;

- Smartengeld ad € 8.000,00 (als voorschot toe te kennen).

Totaal: € 13.090,30

De rechtbank acht de vordering daarom toewijsbaar tot een bedrag van € 13.090,30, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 meer subsidiair en feit 3 primair is toegebracht.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f , 37a en 37b en 57 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, onder feit 2 primair en subsidiair en onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, onder feit 2 meer subsidiair en onder feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair:

het misdrijf: poging zware mishandeling;

feit 2 meer subsidiair:

het misdrijf: poging doodslag;

feit 3 primair:

het misdrijf: verkrachting;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld;

- beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd;

- verstaat dat de maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (artikel 359 lid 7 Sv);

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) en aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 13.090,30 (dertienduizendnegentig euro en dertig eurocent) beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, waarbij het bedrag dat aan smartengeld aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] wordt toegewezen, te weten een bedrag van € 8.000,=, als voorschot wordt toegekend;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 subsidiair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 800,00 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 1] met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 16 dagen zal worden toegepast;

- legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 meer subsidiair en feit 3 primair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 13.090,30 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 2], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 100 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde bedragen daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partijen het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partijen de verschuldigde bedragen heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van die bedragen komt te vervallen;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: schilmes, (kleur: geel/wit, nummer 12 van de beslaglijst)

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: sportschoenen (nummer 10 van de beslaglijst), een zwarte mobiele telefoon (merk: Apple iPhone, nummer 14 van de beslaglijst) en diverse kleding (nummer 18 van de beslaglijst).

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bloebaum, voorzitter, mr. J.H. Olthof en mr. A. Flos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. H. Falkmann-Herber, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2011.