Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BT2026

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
115775 / HA ZA 10-1121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring derdenbeslag 477a lid 1 en 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 115775 / HA ZA 10-1121

datum vonnis: 31 augustus 2011 (mgl)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hollandsche Disconto Voorschotbank B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres,

verder te noemen de Voorschotbank,

advocaat: mr. J.G. Keizer te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. G.J. Hollema te Almelo.

1 Het procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar de volgende door partijen ingediende stukken:

- inleidende dagvaarding met producties;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek met producties;

- conclusie van dupliek.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De vorderingen/de standpunten van partijen

2.1 De Voorschotbank vordert - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - het volgende:

- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 63.120,31 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 oktober 2010 tot de dag van de algehele voldoening;

- veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Aan de vordering van het bedrag van € 63.120,31 legt de Voorschotbank - samengevat- volgende ten grondslag:

a) de Voorschotbank heeft op 20 april 2010 onder [gedaagde] beslag laten leggen op al hetgeen [gedaagde] verschuldigd is of uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding verschuldigd zal worden aan de echtelieden [S] en [V], hierna verder tezamen genoemd “de hypotheekschuldenaren”, om betaling te verkrijgen van al hetgeen de Voorschotbank van de hypotheekschuldenaren te vorderen heeft uit hoofde van de notariële akte van 26 februari 2007, voor eerste grosse uitgegeven op 24 februari 2010;

b) bij het proces-verbaal van de hiervoor onder a aangehaalde beslaglegging heeft de Voorschotbank aan [gedaagde] bevel gedaan om, zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, het mede-betekende formulier als verklaring derdenbeslag in te vullen en te retourneren aan GGN Alkmaar/Gerechtsdeurwaarders, hierna verder genoemd “de gerechtsdeurwaarders”;

c) de gerechtsdeurwaarders hebben [gedaagde] bij brief van 1 juni 2010 gerappelleerd om afdrachten te doen en de verklaring derdenbeslag alsnog toe te sturen;

d) de Voorschotbank heeft [gedaagde] bij exploot van 15 juli 2010 gesommeerd om alsnog binnen 48 uur de verklaring derdenbeslag in te invullen en te retourneren aan de gerechtsdeurwaarders en aan hun de onder het beslag vallende gelden af te dragen, dit met aanzegging dat gerechtelijke maatregelen zouden worden ondernomen om in rechte betaling te verkrijgen, indien [gedaagde] aan de sommatie geen gevolg zou geven;

e) [gedaagde] heeft ook aan de sommatie van 15 juli 2010 geen gevolg gegeven, reden waarom de Voorschotbank in deze procedure vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de vordering waarvoor beslag is gelegd.

2.2 [Gedaagde] voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde.

Het verweer van [gedaagde] kan als volgt verkort worden weergegeven:

- [gedaagde] heeft de door de Voorschotbank gestelde rappelbrief van 1 juni 2010 niet ontvangen en heeft ook geen telefonisch contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarders op 20 april 2010 zoals de Voorschotbank stelt;

- [gedaagde] heeft niet gereageerd naar aanleiding van de sommatie van 15 juli 2010, omdat hij aan de hypotheekschuldenaren niets meer verschuldigd zou worden en ervan uitging dat het geen zin meer zou hebben de verklaring derdenbeslag in te vullen en te retourneren aan de gerechtsdeurwaarders;

- de hypotheekschuldenaar [S] had [gedaagde] medegedeeld dat hij de vordering van de Voorschotbank betwistte, daartegen in een bodemprocedure verweer zou voeren en middels een executiegeschil de staking van de executie op basis van de grosse van de notariële akte van 26 februari 2007 zou vorderen;

- de advocaat van [gedaagde] heeft bij faxbrief van 5 november 2010 de alsnog door [gedaagde] ingevulde en ondertekende verklaring derdenbeslag aan de deurwaarder verzonden.

Aan de vordering van de Voorschotbank is de grondslag komen te ontvallen, omdat alsnog door [gedaagde] verklaring derdenbeslag is gedaan.

[Gedaagde] concludeert de vordering van de Voorschotbank als ongegrond af te wijzen, met veroordeling van de Voorschotbank in de kosten van de procedure, althans de proceskosten aldus te compenseren dat ieder van de partijen zijn/haar eigen kosten draagt.

2.3 Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] dat door de alsnog afgelegde verklaring derdenbeslag de grondslag voor de vordering van de Voorschotschot is komen te vervallen, stelt de Voorschotbank zich op het standpunt de vordering te handhaven, omdat [gedaagde] heeft verzuimd de verklaring derdenbeslag tijdig af te leggen en heeft verzuimd aan de gerechtsdeurwaarders de gelden af te dragen, die onder het beslag vielen. In dat verband voert de Voorschotbank onder meer ook aan dat de verklaring derdenbeslag van [gedaagde] vlak voor de zittingsdatum werd ontvangen en de verklaring vergezeld ging van informatie, die onmogelijk op korte termijn geverifieerd kon worden. Verder voert de Voorschotbank aan dat bij het faxbericht van 5 november 2010 van de advocaat van [gedaagde], waarbij de verklaring werd toegezonden, geen voorstel werd gedaan voor vergoeding van kosten, terwijl in de dagvaarding van 15 oktober 2010 vergoeding van kosten was aangezegd.

Voorts betwist de Voorschotbank – subsidiair - de juistheid van de door [gedaagde] afgelegde verklaring derdenbeslag.

[Gedaagde] persisteert bij zijn standpunt dat door het alsnog afleggen van de verklaring derden-beslag de grondslag voor de vordering van de Voorschotbank is komen te vervallen.

Volgens [gedaagde] kan de Voorschotbank ten hoogste aanspraak maken op vergoeding van kosten voor de betekening van de sommatiebrief van 15 juni 2010 en de kosten van het opstellen en het betekenen van de dagvaarding van 15 oktober 2010.

[Gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de door hem afgelegde verklaring derdenbeslag juist is en de mogelijkheid voor de Voorschotbank om de verklaring te betwisten is vervallen, omdat de Voorschotbank niet tijdig de daarvoor voorgeschreven dagvaardingsprocedure heeft ingesteld. [Gedaagde] beroept zich daarbij op artikel 477a, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3. De vaststaande feiten

Gelet op hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, alsmede gelet op de niet of niet-voldoende weersproken inhoud van overgelegde producties, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten:

a) door de Voorschotbank is bij exploot van 20 april 2010 (productie 1 dagvaarding) executoriaal beslag gelegd op al hetgeen [gedaagde] verschuldigd is en/of uit een bestaande rechtsverhouding verschuldigd zal worden aan de hypotheekschuldenaren alsmede op alle roerende zaken, geen registergoederen zijnde, die [gedaagde] van hen onder zich mocht hebben;

b) bij het onder a gemelde exploot is [gedaagde] aangezegd verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen, zodra vier weken na het leggen van het beslag zijn verstreken;

c) de Voorschotbank heeft [gedaagde] bij exploot van 15 juli 2010 (productie 6 dagvaarding) gesommeerd alsnog de verlangde verklaring derdenbeslag in te vullen en te retourneren aan de gerechtsdeurwaarders en de onder het beslag vallende gelden aan laatstgenoemden af te dragen. [Gedaagde] heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven;

d) de advocaat van [gedaagde] heeft bij faxbrief van 5 november 2010 (productie 1 conclusie van antwoord) de alsnog door [gedaagde] ingevulde en ondertekende verklaring derden-beslag aan de door de Voorschotbank ingeschakelde deurwaarder verzonden.

4. De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

4.1 De Voorschotbank heeft de onderhavige procedure tegen [gedaagde] ingesteld op grond dat [gedaagde] in gebreke bleef de verklaring af te leggen, die hij naar aanleiding van het onder hem gelegde derdenbeslag verplicht was af te leggen.

Omdat ervan kan worden uitgegaan dat [gedaagde] - in elk geval - geen gevolg gaf aan de door de Voorschotbank bij exploot van 15 juli 2010 (productie 6 dagvaarding) gedane sommatie ontstond voor de Voorschotbank - overeenkomstig artikel 477a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering- het recht om van [gedaagde] betaling te vorderen van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd.

4.2 Na het uitbrengen van de dagvaarding, doch vóór de dag waartegen [gedaagde] werd gedagvaard, heeft deze alsnog aan de Voorschotbank de verklaring derdenbeslag doen toekomen bij de in rechtsoverweging 3 sub d bedoelde faxbrief van zijn advocaat.

Door het alsnog doen van een verklaring derdenbeslag kan een derde-beslagene voorkomen om veroordeeld te worden tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd.

Nu ervan kan worden uitgegaan dat [gedaagde] alsnog de verklaring derdenbeslag heeft gedaan, slaagt het door [gedaagde] op die verklaring gedane beroep. Het verzuim van [gedaagde] om de verklaring tijdig te doen staat niet in de weg aan dat beroep. Volgens het systeem van de wet kan immers een derde een betalingsveroordeling op grond van artikel 477 a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorkomen door alsnog een (gerechtelijke) verklaring te doen. De slotsom is dat aan de betalingsvordering van de Voorschotbank ad € 63.120,31 de grondslag is komen te ontvallen.

4.3 De Voorschotbank betwist de juistheid van de door [gedaagde] uitgebrachte verklaring. De verklaring van [gedaagde] komt erop neer dat hij niets verschuldigd is aan de hypotheekschuldenaren. Het gevolg daarvan is dat die verklaring niet leidt tot een afdracht- verplichting van [gedaagde] tegenover de Voorschotbank. De stelling van de Voorschotbank bij conclusie van repliek dat [gedaagde] verzuimd heeft gelden af te dragen, gaat dan ook niet op.

[Gedaagde] bestrijdt dat de verklaring onjuist is en voert voorts aan dat de Voorschotbank ter betwisting van de verklaring [gedaagde] binnen twee maanden na zijn verklaring had moeten dagvaarden, op straffe van verval tot bevoegdheid tot betwisting. [Gedaagde] beroept zich daarbij op artikel 477a, lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Volgens dit artikel dient de Voorschotbank ter betwisting van de onderhavige verklaring [gedaagde] binnen vorenbedoelde termijn te dagvaarden tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling van de rechter aan de Voorschotbank zal blijken toe te komen. Aangenomen moet worden dat de Voorschotbank ook de mogelijkheid had de verklaring te betwisten door een wijziging van eis, zodanig dat de gewijzigde vordering aangemerkt kan worden als een vordering in de zin van artikel 477a lid 2 (eerste volzin) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, mits zo’n wijziging van eis binnen de onderhavige vervaltermijn van twee maanden geschiedt.

De omstandigheid dat de Voorschotbank [gedaagde] opnieuw heeft gedagvaard doet zich niet voor.

Verder is de door de Voorschotbank genomen conclusie van repliek niet als een genoegzame wijziging van eis, binnen de fatale vervaltermijn van twee maanden, te beschouwen.

De conclusie is dat de door de Voorschotbank bij conclusie van repliek gedane betwisting geen effect heeft. De inhoud van de door [gedaagde] gedane verklaring kan in deze procedure niet aan de orde komen.

4.4 Enkel uit het overwogene in rechtsoverweging 4.2 volgt de slotsom dat de rechtbank de vordering van de Voorschotbank tot betaling van het bedrag van € 63.120,31 niet toewijsbaar acht. Hetgeen overigens door partijen in verband met dat geschilpunt is aangevoerd, behoeft dan ook geen nadere bespreking.

4..5 Met betrekking tot de door de Voorschotbank gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat de Voorschotbank de onderhavige procedure heeft ingesteld naar aanleiding van het verzuim van [gedaagde] gevolg te geven aan herhaald bevel (bij exploten van

20 april 2010 en 15 juli 2010) om de voorgeschreven verklaring derdenbeslag te doen. De door de Voorschotbank ter zake van het instellen van de onderhavige procedure gemaakte kosten dienen te worden beschouwd als nodeloos door [gedaagde] te zijn veroorzaakt, nu deze eerst na het uitbrengen van de dagvaarding overging tot het doen van de voorgeschreven verklaring derdenbeslag. De rechtbank acht het redelijk [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan de Voorschotbank van de voor haar ontstane proceskosten voor zover nodeloos door [gedaagde] veroorzaakt.

Tot de nodeloze kosten moet ook het door de Voorschotbank voldane griffierecht worden gerekend. In dit verband overweegt de rechtbank het niet onredelijk van de kant van de Voorschotbank te achten om niet tot intrekking van de procedure te zijn overgegaan, omdat de verklaring eerst vlak vóór de zittingsdatum werd ontvangen en bij de faxbrief van

5 november 2010 geen vergoeding werd aangeboden van gemaakte kosten.

De aldus door [gedaagde] te vergoeden kosten worden op basis van de gebruikelijke liquidatietarieven als volgt begroot:

Kosten uitbrengen dagvaarding: € 94,93 (inclusief verschotten Kamer van Koophandel);

Kosten advocaat opstellen dagvaarding: € 894,--;

Griffierecht: € 1.165, --;

in totaal € 2.153,93.

Wat de overige proceskosten van partijen betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, gelet op de aanleiding en uitkomst van het geschil.

De beslissing

De rechtbank:

I. Veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de Voorschotbank van een bedrag groot

€ 2.153,93 (zegge tweeduizend honderddrie en vijftig euro en drie en negentig eurocent) ter zake van nodeloos veroorzaakte proceskosten.

II. Bepaalt dat ieder van de partijen – behoudens het dictum sub I – zijn eigen proceskosten draagt.

III. Wijst af het anders of meer door de Voorschotbank gevorderde.

IV. Verklaart de veroordeling tot betaling als bepaald sub I van het dictum uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Th. Hekker en uitgesproken ter openbare zitting

van 31 augustus 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.