Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BR6117

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
116646 / HA ZA 10-1228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3:178 BW verdeling gemeenschappelijk goed, woning

3:300 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 116646 / HA ZA 10-1228

datum vonnis: 10 augustus 2011 (p.l.)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats],

eiseres,

verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. G.B. Meijer te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

verder te noemen de man,

advocaat: mr. H.C. van der Sijs te Enschede.

Het procesverloop

1.1. Bij tussenvonnis van 29 december 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen

gelast.

1.2. Op 17 maart 2011 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. Van de comparitie is

een proces verbaal opgemaakt dat aan dit vonnis is gehecht.

1.3. In verband met nader onderzoek naar de mogelijkheden tot toescheiding van de door

partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende woning aan de man, dan wel financiering van een bij verkoop en na aftrek van de hypotheekschuld mogelijk negatief saldo, is de voltooiing van de verdeling aangehouden.

1.4. Op 13 april en 8 juni 2011 heeft de vrouw nadere aktes genomen.

1.5. Op 8 juni en 3 augustus 2011 heeft de man een nadere akte respectievelijk nadere

stukken in het geding gebracht.

1.6. Het vonnis is bepaald op heden.

De feiten

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 29 december 2010 over de feiten, de vordering en de onderbouwing daarvan is overwogen en beslist.

2.2. Als gesteld en erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, staat naar het oordeel van de rechtbank het volgende vast.

2.3. Aan partijen, ieder voor de gelijke helft, behoort in eigendom toe het onroerend goed staande en gelegen aan [adres] en [plaats].

2.4. De onder 2.3. genoemde woning is bezwaard met een hypotheek van € 145.000,-. Voor de hypothecaire geldlening is geen Nationale Hypotheekgarantie (NHG) verleend.

2.5. Partijen hebben hun samenleving beëindigd op 9 maart 2010 en wensen tot verdeling van de beperkte gemeenschap over te gaan, waarvan thans nog resteert de voormalige gezamenlijk bewoonde woning. Deze wordt door de man bewoond.

De standpunten van partijen

3.1. De vrouw stelt bij nadere akte dat een eventuele schuldrest niet door NHG is gedekt.

3.2. Voorts stelt de vrouw dat vooralsnog de mogelijkheid niet haalbaar lijkt een eventuele restschuld met een lening te financieren.

3.3. De vrouw stelt voor de woning opnieuw te laten taxeren aangezien de taxatiewaarde van € 130.000,- dateert uit 2006.

3.4. De vrouw handhaaft haar subsidiaire vordering tot verkoop van de woning met verdeling van de restschuld bij helfte.

4.1. De man stelt dat zijn inkomen thans (nog) te laag is om de gehele schuld op zich te kunnen nemen. De man maakt door ziekte minder uren. Vanaf september 2011 zal de man weer volledig gaan werken.

4.2. De man stelt dat de hypotheekhouder niet bereid is om de restschuld te financieren. De hypotheekbank is onder de gegeven omstandigheden - een verwachte restschuld van ongeveer € 20.000,- en een schuld aan de Interbank van € 20.000,- - niet bereid tot het verlenen van royement voor de hypothecaire schuld bij onderhandse verkoop.

4.3. Onder die omstandigheden is de man van mening dat het weinig zin heeft om moeite te doen en kosten te maken voor een onderhandse verkoop. De vordering van de vrouw met betrekking tot de woning en de hypothecaire geldlening, dient te worden afgewezen.

De beoordeling en de motivering

5.1. Artikel 3:178 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) bepaalt dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen.

5.2. Aangezien het bij de huidige stand van zaken niet waarschijnlijk is dat de man in staat zal zijn om het aandeel van de vrouw in de woning aan [adres] en [plaats]over te nemen onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijkheid jegens de hypotheekverstrekker, zal het primaire door de vrouw gevorderde worden afgewezen.

5.3. De rechtbank zal bepalen dat de woning aan [adres] en [plaats] aan een derde zal worden verkocht en dat de over- of onderwaarde tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld. De rechtbank zal daartoe een makelaar aanwijzen die – desgevraagd – de verkoop van de woning ter hand zal nemen. De makelaar zal de woning daartoe taxeren en een vraagprijs dienen vast te stellen. Indien de makelaar oordeelt dat een door een potentiële gegadigde gedaan aanbod redelijk is, en dit bod niet lager is dan 90% van de door die makelaar getaxeerde waarde, dan dienen partijen met dit bod in te stemmen. De rechtbank wijst Albert Post, van Post jr Makelaars, Boulevard 1945 202, te 7511 AG Enschede, aan als makelaar. De kosten verbonden aan de dienstverlening door de makelaar zullen door ieder der partijen bij helfte worden gedragen.

5.4. De man zal zijn medewerking dienen te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde mede door een verkoopopdracht aan voornoemde makelaar te geven. Tevens zal de man medewerking dienen te verlenen aan de voorbereidingen van de verkoop waaronder doch niet uitsluitend begrepen de gelegenheid bieden aan potentiële gegadigden tot het doen van een of meer bezichtigingen. De vordering dat de rechtbank zal bepalen dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW mede in de plaats zal treden van de toestemming van de man bij de door de notaris op te stellen akte van levering, is niet voor toewijzing vatbaar nu de overige verkoopcondities, naast de verkoopprijs, op dit moment nog niet bekend zijn.

5.5. Mocht de man na taxatie door de makelaar en voordat een koopovereenkomst met een derde tot stand is gekomen, alsnog in staat blijken het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen op basis van de vraagprijs dan wel een door de makelaar redelijk geachte prijs, dan staat het partijen uiteraard vrij om in onderling overleg te treden en te besluiten de woning niet aan een derde te verkopen, maar het aandeel van de vrouw aan de man over te dragen met betaling van de helft van de waarde door de man aan de vrouw.

5.6. Voor zoveel nodig wijst de rechtbank mr. W.H. Kesler van Daniëls Huisman Advocaten te Enschede aan, als onzijdig persoon, om de man te vertegenwoordigen.

5.7. De rechtbank ziet aanleiding om de kosten van de procedure te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

I. Bepaalt dat de goederen en vorderingen worden toegescheiden aan de vrouw c.q. aan de man overeenkomstig het van de comparitie d.d. 17 maart 2011 opgemaakte proces verbaal dat aan deze beschikking is gehecht en hierin geacht wordt woordelijk te zijn opgenomen.

II. Stelt vast dat ieder der partijen voor de helft eigenaar is van de woning aan [adres] en [plaats].

III. Bepaalt dat de woning dient te worden verkocht aan een derde en wijst daartoe Albert Post van Post jr. Makelaars, Boulevard 1945 202, te 7511 AG Enschede, aan als makelaar die de woning dient te taxeren en een vraagprijs dient te bepalen.

IV. Bepaalt dat de man zijn volledige medewerking dient te verlenen aan het verkopen van de woning en dat hij een verkoopopdracht aan de makelaar dient te verstrekken.

V. Bepaalt dat partijen de kosten aan de dienstverlening door de makelaar ieder bij helfte dienen te dragen.

VI. Bepaalt dat partijen met een op de woning uitgebracht bod dienen in te stemmen, indien de makelaar oordeelt dat een door een potentiële gegadigde gedaan bod redelijk is en dit bod in elk geval 90% van de door de makelaar getaxeerde waarde bedraagt.

VII. Wijst als onzijdig persoon aan om de man desnodig te vertegenwoordigen:

mr. W.H. Kesler, advocaat te Enschede.

VIII. Compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

IX. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

X. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. P.L. Alers en is op 10 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.