Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BR5076

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
08-069194-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op tijdstippen in de periode van 6 oktober 2009 tot en met 9 oktober 2009 gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een mini camera/-stick, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, in een niet voor het publiek toegankelijke plaats een afbeelding heeft vervaardigd. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 40 (veertig) uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Almelo

Sector strafrecht

Parketnummer: 08/069194-11

Datum vonnis: 16 augustus 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[Verdachte]

geboren op [1972] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

2 augustus 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.P. Dronkers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primiar: zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding door met een camera opnames te maken van vrouwen die gebruik maakten van het toilet en

Subsidiair: deze afbeeldingen heeft vervaardigd, in een niet voor het publiek toegankelijke ruimte, zonder dat de aanwezigheid van deze camera kenbaar was gemaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 september 2009 tot en met 9 oktober 2009, te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, (telkens) door feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), (telkens) bestaande uit het maken van een video-opname en/of een foto-opname van deze vrouw(en) terwijl zij gebruik maakte(n) van het toilet van zijn kapperszaak en daarbij hun onderbroek naar beneden hebben gedaan, en bestaande die feitelijkhe(i)d(en) uit het toen en daar op dat toilet

-verborgen in een op de grond staand mandje- door hem, verdachte, plaatsen en/of geplaatst hebben van een (schuin omhoog gerichte) mini camera/-stick en/of vervolgens het filmen en/of opnemen met die camera/stick van (onder meer) naakte (onder)lichaams-delen van die vrouw(en);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 september 2009 tot en met 9 oktober 2009 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een mini camera/-stick, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of G .Heine en/of

[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten een toilet in zijn, verdachtes, kapperszaak een afbeelding heeft vervaardigd;

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 het primair tenlastegelegde feit

5.1.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie is van oordeel dat het primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, echter uitsluitend ten aanzien van [slachtoffer 3], aangezien zij als enige voorkomt op de gemaakte camerabeelden. Van de overige op de tenlastelegging genoemde vrouwen zijn op de camera geen beelden aangetroffen. Voor een bewezenverklaring van de aanranding is volgens de officier van justitie het motief van de dader niet van belang. Er is sprake van strijd met de sociaal ethische normen en het is daarnaast voldoende dat het slachtoffer zich gekwetst voelt en dat de maatschappij dit ook als zodanig ervaart. De officier van justitie verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 juni 2006 (LJN AX8978).

De raadsman heeft aangevoerd dat de wetgever met een ontuchtige handeling een handeling van seksuele aard bedoelt. Gelet op hetgeen er op de beelden te zien is, is er naar de mening van de raadsman geen sprake van een seksuele handeling en daarmee dus ook niet van een ontuchtige handeling.

Voorts stelt de raadsman dat – mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel sprake is van een seksuele handeling – het de vraag is of het filmen van een persoon op het toilet een ontuchtige handeling kan opleveren. De raadsman heeft bij zijn pleitnota een arrest gevoegd van het gerechtshof Amsterdam van 30 september 2010 in welk arrest deze vraag ontkennend werd beantwoord.

Concluderend is de raadsman van mening dat het bestanddeel ontuchtige handeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

5.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

In het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam stelt het hof het volgende vast.

Het heimelijk fotograferen en filmen van personen die in een afgesloten doucheruimte aan het douchen zijn, kan – ook in geval de persoon die filmt of fotografeert, de intentie had om die foto’s of filmpjes nadien te gebruiken ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens of die van derden – naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als handelingen van seksuele aard en dientengevolge ook niet opleveren het verrichten van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank kan zich vinden in de opvatting van het Amsterdamse Hof, sluit zich hierbij aan en stelt vast dat het in casu een soortgelijk verwijt betreft. Het maken van filmopnamen is immers op zichzelf geen seksuele handeling met behulp waarvan een ander wordt gedwongen tot ontuchtige handelingen, danwel gedwongen wordt zodanige handelingen te dulden. En dat is waar de strafbepaling van artikel 246 Sr op ziet. Dat wordt naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders wanneer het onderwerp van de film- of foto-opnamen een seksuele lading hebben of kunnen hebben. Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank geen bewezenverklaring volgen voor het primair tenlastegelegde feit. Daar komt in dit geval nog bij dat – anders dan in voormeld arrest – niet buiten twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte seksuele motieven had.

5.1.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.2.1 het subsidiair tenlastegelegde feit

Evenals de officier van justitie en de verdachte acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde feit ten aanzien van [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen , , .

Weliswaar heeft de raadsman betoogd dat het bestanddeel “een niet voor het publiek toegankelijke plaats” niet bewezen kan worden, omdat het toilet toegankelijk was voor een onbeperkt aantal personen, te weten het publiek dat in de kapperszaak kwam, maar de rechtbank volgt de raadsman hierin niet.

De rechtbank is van oordeel dat, door het feit dat iemand tijdens het toiletgebruik deze ruimte afsluit, daarmee onmiskenbaar de wil te kennen wordt gegeven dat op dat moment die ruimte niet voor het publiek toegankelijk is.

De rechtbank zal de periode waarbinnen het bewezenverklaarde zich heeft voorgedaan vaststellen van 6 tot en met 9 oktober 2009, aangezien er geen bewijs is dat verdachte in de periode daarvoor ook opnames heeft gemaakt.

5.2.2 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 6 oktober 2009 tot en met 9 oktober 2009 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een mini camera/-stick, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, te weten [slachtoffer 3], aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten een toilet in zijn, verdachtes, kapperszaak een afbeelding heeft vervaardigd;

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 139f Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: Gebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

het tijdsverloop

Allereerst merkt de rechtbank op dat het onwenselijk lang heeft geduurd voordat deze zaak bij de rechtbank is aangebracht. Alle betrokken hebben hierdoor gedurende lange tijd in onzekerheid verkeerd. Weliswaar heeft de officier van justitie ter terechtzitting hiervoor een verklaring gegeven, maar de rechtbank is van oordeel dat met dit tijdsverloop wel rekening moet worden gehouden bij de strafoplegging.

de uitgangspunten bij de strafoplegging

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank verder rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

De wetgever heeft op het bewezenverklaarde een gevangenisstraf gesteld van maximaal zes maanden. Door het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) zijn voor dit feit geen oriëntatiepunten vastgesteld. Ook is er slechts een klein aantal uitspraken gepubliceerd waarbij sprake was van overtreding van het hier bewezenverklaarde artikel 139f Sr. Deze zaken laten zich echter moeilijk vergelijken met de feiten en omstandigheden als die hier aan de orde zijn.

het motief

Verdachte geeft als reden voor zijn handelen dat hij wilde achterhalen waardoor er zich telkens opnieuw verstoppingen voordeden in dit toilet. De rechtbank zal hier geen waardeoordeel over uitspreken, maar zij sluit niet uit dat andere motieven een rol hebben gespeeld, temeer nu er verklaringen zijn waaruit blijkt dat er al gedurende lange tijd geen verstoppingen meer waren geweest. Voor verdachte hadden andere wegen opengestaan om zijn gepretendeerde doel te bereiken.

de impact van het bewezenverklaarde

De door verdachte gepleegde feiten hebben een grote inbreuk gemaakt op de privacy van de betrokkenen. Er moet met recht op vertrouwd kunnen worden dat men in een dergelijke ruimte niet bespied wordt. Dat er uiteindelijk – voor zover kon worden nagegaan – slechts één medewerkster op de beelden voorkomt is geen omstandigheid waar verdachte de hand in heeft gehad. Hij wist immers vooraf niet wie er van het toilet gebruik zouden maken. Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen dat zijn medewerksters in hem hadden op grove wijze beschaamd. Zoals hiervoor aangegeven is er slechts een bewezenverklaring gevolgd ten aanzien van één persoon, maar de rechtbank heeft ook kennis genomen van de overige verklaringen die zich in het dossier bevinden en ook van de afgelegde slachtoffer-verklaringen. Hieruit komt in veel gevallen niet alleen boosheid jegens verdachte naar voren, maar ook teleurstelling en ongeloof over het gedrag van de verdachte die zij dachten te kunnen vertrouwen.

Voor deze zaak is zeer veel media-aandacht geweest, zowel op landelijk als op regionaal niveau. Daarnaast heeft het gebeuren de relatief kleine gemeenschap van Nijverdal niet onberoerd gelaten. Uiteraard is verdachte degene geweest van wie uit het is begonnen, maar de gevolgen voor hem en een aantal familieden zijn, zowel zakelijk als privé, buitengewoon groot geweest en zijn dat ook nu nog steeds. De media-aandacht en het daarmee gepaard gaande “schandpaaleffect” leveren voor verdachte al een vorm van bestraffing op. De rechtbank zal ook dat bij de strafoplegging betrekken.

de strafoplegging

Een opgelegde straf heeft een tweeledig doel. Enerzijds richting de dader als vergelding voor de door hem gepleegde strafbare feiten en anderzijds dient er een preventieve werking uit te gaan richting de samenleving.

De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een voorwaardelijke werkstraf passend is. In haar ogen wordt daarmee voldoende recht gedaan aan de ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen die het strafbaar handelen van verdachte bij derden teweeg heeft gebracht, maar ook aan de gevolgen die het strafbare feit al heeft gehad voor de verdachte en zijn familieleden. Het opleggen van een onvoorwaardelijke straf, in welke vorm dan ook, heeft, mede gelet op het aanzienlijke tijdsverloop, geen toegevoegde waarde.

9. De schade van benadeelden

De vorderingen van de benadeelde partijen

De rechtbank zal de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen en bepalen dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Reden hiervoor is dat verdachte wordt vrijgesproken van strafbare feiten ten opzichte van hen gepleegd, zodat niet gezegd kan worden dat hun schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde. Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke eis voor het toekennen van schadevergoeding.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

12. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het subsidiair bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Gebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder subsidiair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 40 (veertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

- bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd, die hier op twee jaren wordt bepaald, schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Civiele vorderingen

Verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. P.L. Alers en mr. N.R. Visser, rechters, in tegenwoordigheid van J. Last, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op

16 augustus 2011.