Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BR2461

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
08-770056-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring artikel 6 WVW. Aanmerkelijk onvoorzichtig rijden door verdachte, waardoor een ongeval met dodelijke afloop is ontstaan. Aanrijding tussen een zwaar beladen trekker, bestuurd door verdachte, en een quad op een onoverzichtelijke gelijkwaardige kruising. Veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/770056-10

datum vonnis: 20 juli 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats] aan de [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 juli 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

[Nabestaande], partner van het slachtoffer, was op de zitting aanwezig. Zij heeft gebruik gemaakt van haar spreekrecht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

als bestuurder van een tractor met silage wagen zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander gedood is;

subsidiair:

als bestuurder van een tractor met silage wagen zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2010, te Fleringen, in de gemeente Tubbergen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tractor met silage wagen), daarmede rijdende over de weg, de Fleringerveldweg, en bij nadering en/of gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van die weg en de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Putmansweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, immers is hij, verdachte, terwijl die wegen ter plaatse waren gelegen buiten de bebouwde kom en voor motorvoertuigen een maximumsnelheid gold van 60 kilometer per uur, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, genoemde kruising opgereden, althans op gaan rijden met een (onverminderde) snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur, althans met een snelheid welke, gelet op de op hem, verdachte, rustende voorrangsplicht, (veel) te hoog was voor een veilige verkeersafwikkeling ter plaatse, terwijl hij, verdachte, door de aanwezige

begroeiing, geen en/of slecht, althans onvoldoende zicht had op genoemde kruising, (juist) op het moment dat een voor hem, verdachte, gezien verdachtes rijrichting, van rechts komende bestuurder van een quad voornoemde kruising tot op (vrij) korte afstand was genaderd en verdachte die quad niet (tijdig) heeft opgemerkt, waardoor (vervolgens) hij, verdachte, met door hem bestuurde motorrijtuig tegen die bestuurder van die quad en/of diens quad is aangereden en/of gebotst, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 28 juni 2010, te Fleringen, in de gemeente Tubbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (tractor met silage wagen), daarmee rijdende op de weg, de Fleringerveldweg, en bij nadering en/of gekomen ter hoogte van de kruising en/of splitsing van die weg en de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Putmansweg, terwijl die wegen waren gelegen buiten de bebouwde kom en voor motorvoertuigen een maximumsnelheid gold van 60 kilometer per uur, genoemde kruising is opgereden en/of is gaan oprijden met een (onverminderde) snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur, althans met een snelheid welke, gelet op de op hem, verdachte, rustende voorrangsplicht, (veel) te hoog was voor een veilige verkeersafwikkeling ter plaatse, terwijl hij, verdachte, door de aanwezige begroeiing, geen en/of slecht, althans onvoldoende zicht had op genoemde kruising, (juist) op het moment dat een voor hem, verdachte, gezien verdachtes rijrichting, van rechts komende bestuurder van een quad, genoemde kruising, tot op (vrij) korte afstand was genaderd en verdachte die quad niet (tijdig) heeft opgemerkt, waardoor (vervolgens) hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen die bestuurder van die quad en/of diens quad is aangereden en/of gebotst;

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren. Aan die voorwaardelijke rijontzegging dient volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarde te worden verbonden dat verdachte gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd enkel een motorrijtuig mag besturen, indien hij daartoe opdracht heeft gekregen van zijn werkgever.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft op 28 juni 2010 als bestuurder van een tractor met silage wagen gereden op de Fleringerveldweg te Fleringen in de gemeente Tubbergen. Hij reed in de richting van de Putmansweg. Op de kruising van de Fleringerveldweg met de Putmansweg, gelegen buiten de bebouwde kom, is verdachte met de voorzijde van zijn trekker tegen de linkerzijde van een quad gereden. Deze kruising betrof een gevaarlijke gelijkwaardige kruising. Verdachte reed met een snelheid van ongeveer 25 km/u rechtdoor de kruising op. Verdachte had de van rechts komende quadbestuurder voorrang moeten verlenen. Het zicht van de Fleringveldweg op de Putmansweg was door begroeiing slecht. Pas vlak voor de kruising was er voldoende zicht. Tengevolge van de aanrijding bekwam de quadbestuurder lichamelijk letsel. Aan de gevolgen van dit letsel is de quadbestuurder, [slachtoffer], overleden.

5.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Volgens de officier van justitie is er sprake van aanmerkelijke schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Verdachte heeft geen voorrang verleend aan een van rechts komende bestuurder van een quad. Het betrof een gevaarlijk kruispunt met slecht zicht op van rechts komend verkeer, terwijl verdachte reed in een groot landbouwvoertuig met veel laadgewicht en contragewichten aan de voorzijde. Volgens de officier van justitie is door met een snelheid van 25 km/u een dergelijk kruispunt op te rijden met voornoemd voertuig sprake van aanmerkelijke schuld.

De verdediging heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Verdachte heeft zich niet verwijtbaar gedragen. Het enkel geen voorrang verlenen aan een andere verkeersdeelnemer is onvoldoende om schuld aan te nemen in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte heeft de quad niet kunnen waarnemen vanwege het slechte zicht ter plaatse. Op de momenten dat er wel goed zicht was, heeft betrokkene geen quad waargenomen op de Putmansweg. Volgens de verdediging kan evenmin bewezenverklaring van artikel 5 WVW volgen, nu verdachte de quad niet heeft kunnen waarnemen en verdachte zich gedragen heeft zoals van een zorgvuldig verkeersdeelnemer verwacht mag worden. Er is nimmer een reële kans op gevaar veroorzaakt door verdachte.

5.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een andere weggebruiker werd gedood. Het begrip “schuld” in dat artikel houdt als minimale eis in dat er sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen. Bij de beoordeling daarvan gaat het om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.

Over het geheel van gedragingen van verdachte stelt de rechtbank op basis van de vaststaande feiten en de overige inhoud van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse en op de hoogte van het feit dat hij een gevaarlijke gelijkwaardige kruising naderde en dat er sprake was van slecht zicht door begroeiing bij het betreffende kruispunt. Bovendien bestuurde hij een omvangrijk, zwaar beladen en van zware contragewichten voorzien landbouwvoertuig. Een en ander vond plaats in de uitoefening van zijn dagelijks werk. Verdachte was gelet daarop ook bekend met de eigenschappen van het voertuig dat hij bestuurde. Vaststaat dat verdachte pas vlak voor de kruising voldoende zicht had om (van rechts komende) verkeersdeelnemers op de kruisende weg (de Putmansweg) waar te nemen. Zoals de raadsman heeft betoogd, kan er weliswaar op een eerder moment (op meer dan vijf meter van de kruising) zicht worden verkregen op de Putmansweg, echter door de ter plekke aanwezige wal wordt het zicht op een voertuig zoals een quad mogelijk ontnomen. Gezien die specifieke omstandigheden ter plaatse - waarvan verdachte op de hoogte was - en het feit dat verdachte met een hem vertrouwd omvangrijk en zwaar beladen landbouwvoertuig reed, mocht naar het oordeel van de rechtbank van verdachte verwacht worden dat hij ter hoogte van het kruispunt zijn snelheid aanzienlijk zou matigen dan wel zou stoppen om zich ervan te (kunnen) vergewissen of er verkeer van rechts zou komen. Dat heeft hij niet gedaan, integendeel, hij is met een snelheid van ongeveer 25 km/u het kruispunt opgereden. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat het voertuig van verdachte niet voor de kruising tot stilstand was gekomen, wanneer met een snelheid van 25 km/u op 5 meter van de kruising een noodremming was uitgevoerd. Het voertuig had een stopafstand van 10,38 meter (een remweg van 3,44 meter plus een reactieweg van 6,94 meter) bij een gemiddelde snelheid van 25 km/u. Zelfs wanneer verdachte de quad had opgemerkt, had hij dus een aanrijding niet meer kunnen voorkomen. Door met een voertuig met een aanzienlijke massa, met een dergelijke snelheid een gelijkwaardige kruising - waarvan verdachte wist dat deze zeer onoverzichtelijk was - op te rijden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig gereden. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5.4 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 juni 2010, te Fleringen, in de gemeente Tubbergen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tractor met silage wagen), daarmede rijdende over de Fleringerveldweg, en bij nadering en gekomen ter hoogte van de kruising van die weg en de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Putmansweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden, immers is hij, verdachte, terwijl die wegen ter plaatse waren gelegen buiten de bebouwde kom, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, genoemde kruising opgereden met een (onverminderde) snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur, terwijl hij, verdachte, door de aanwezige begroeiing, geen en/of slecht zicht had op genoemde kruising, juist op het moment dat een voor hem, verdachte, gezien verdachtes rijrichting, van rechts komende bestuurder van een quad voornoemde kruising tot op (vrij) korte afstand was genaderd en verdachte die quad niet (tijdig) heeft opgemerkt, waardoor (vervolgens) hij, verdachte, met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die bestuurder van die quad en diens quad is aangereden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft kennelijke verschrijvingen in de tenlastelegging verbeterd gelezen, nu verdachte daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 van de WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Zoals hiervoor vermeld heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van twee jaren. Aan die voorwaardelijke rijontzegging dient volgens de officier van justitie de bijzondere voorwaarde te worden verbonden dat verdachte gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd enkel een motorrijtuig mag besturen, indien hij daartoe opdracht heeft gekregen van zijn werkgever.

De verdediging heeft verzocht om in het geval van een bewezenverklaring te volstaan met een rechterlijk pardon.

8.2 De gronden voor een straf of maatregel

De rechtbank stelt voorop dat er sprake is geweest van een verwijtbaar door verdachte veroorzaakt verkeersongeval op 28 juni 2010 met een zeer ernstig gevolg. Als gevolg daarvan is het slachtoffer, de heer [slachtoffer] overleden. Dit heeft een zeer grote impact op de levens van de nabestaanden, echter ook op het leven van verdachte. Gebleken is dat de gebeurtenis verdachte enorm heeft aangegrepen en dat verdachte daarvan ook uitdrukkelijk blijk heeft gegeven in de richting van de nabestaanden, die daarvoor open stonden.

Voor een feit als hier bewezen verklaard zijn er door het Landelijk Overleg Voorzitters van de Strafsectoren (het LOVS) oriëntatiepunten ontwikkeld voor de straftoemeting. Indien sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout – zijnde de minst zware vorm van schuld in de zin van artikel 6 WVW – waarbij sprake is van een dodelijk slachtoffer, geldt als richtlijn een gevangenisstraf van twee maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.

Daarnaast dient de rechtbank rekening te houden met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het feit dat het ongeval verdachte enorm heeft aangegrepen en de wijze waarop verdachte zijn berouw en medeleven heeft getoond richting de nabestaanden, strekt daarbij in het voordeel van verdachte. Verdachte is voorts - behoudens een transactie voor een overschrijding van de maximumsnelheid in 2010 - niet eerder met justitie in aanraking geweest met betrekking tot verkeersdelicten.

Gelet op de ernst van het feit dient er naar het oordeel van de rechtbank wel een straf te volgen, echter rekening houdend met voornoemde omstandigheden is de rechtbank evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf niet passend is. De rechtbank zal verdachte derhalve tot een taakstraf veroordelen, bestaande uit een werkstraf. Met inachtneming van de oriëntatiepunten straftoemeting op dit punt zal de rechtbank de eis van de officier van justitie met betrekking tot de op te leggen werkstraf van 120 uren geheel volgen en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende detentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Ten aanzien van de vordering tot oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij fulltime werkt bij een loon- en grondverzetbedrijf. In het kader daarvan dient hij dagelijks met landbouwmachines te rijden. De rechtbank is gelet op de ernst van het feit met de officier van justitie van oordeel dat er in het kader van een duidelijke waarschuwing aan verdachte een voorwaardelijke rijontzegging dient te worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met voornoemde persoonlijke omstandigheden en het feit dat het ongeval een jaar geleden heeft plaatsgevonden en een eerdere berechting in de rede had gelegen. De rechtbank zal derhalve het belang van verdachte om met behoud van zijn rijbewijs zijn werk te kunnen verrichten zwaarder wegen dan het belang van de samenleving bij oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en de rijontzegging geheel voorwaardelijk opleggen. De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding om daaraan de bijzondere voorwaarde te verbinden zoals door de officier van justitie gevorderd.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 Sr en op de artikelen 178 en 179 van de WVW.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

- ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden;

- bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. B.C. Maresch-Evers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J.S. Koekkoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2011.

Mrs. Heijink en Maresch-Evers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.