Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BR1116

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
08/770003-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met zijn personenauto een verkeersongeluk veroorzaakt waarbij het slachtoffer gewond is geraakt (zwaar lichamelijk letsel). De rechtbank veroordeelt verdachte daarvoor tot een werkstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/770003-11

datum vonnis: 6 juli 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonadres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juni 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met zijn personenauto een verkeersongeluk heeft veroorzaakt waarbij het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer], gewond is geraakt dan wel dat hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht waarbij hij mevrouw [slachtoffer] heeft aangereden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 3 januari 2011,

in de gemeente Wierden,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, de Stationsstraat, en bij nadering van en/of gekomen ter

hoogte van de kruising en/of splitsing van die weg en de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Kerkhofstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden,

immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, terwijl de

ruiten van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig nog (half) bevroren

en/of beslagen waren, genoemde kruising of splitsing opgereden en/of gaan

oprijden (juist) op het moment dat een voor hem, van rechts komende

bestuurster van een fiets, rijdende op de Kerkhofstraat, tot op (vrij) korte

afstand was genaderd, en/of met een zodanige snelheid dat hij zijn voertuig

niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon

overzien en/of waarover deze vrij is en/althans met een te hoge snelheid voor

een veilige verkeersafwikkeling ter plaatse,

waardoor (vervolgens) hij, verdachte, met dat door hem bestuurde

motorrijtuig tegen die bestuurster van een fiets en/of haar fiets is

aangereden en/of gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten

een gebroken nekwervel, een gebroken sleutelbeen en een wond aan de enkel (elf

hechtingen), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 3 januari 2011,

in de gemeente Wierden,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de

weg, de Stationsstraat, en bij nadering en/of gekomen ter hoogte van de

kruising en/of splitsing van die weg en de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Kerkhoftsraat, genoemde kruising en/of splitsing is

opgereden en/of is gaan oprijden, terwijl de ruiten van dat door hem,

verdachte, bestuurde motorrijtuig nog (half) bevroren en/of beslagen waren,

(juist) op het moment dat een voor hem, verdachte, van rechts komende

bestuurster van een fiets, rijdende op de Kerkhofstraat, tot op (vrij) korte

afstand was genaderd, en/of met een zodanige snelheid dat hij zijn voertuig

niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon

overzien en/of waarover deze vrij is en/althans met een te hoge snelheid

voor een veilige verkeersafwikkieling ter plaatse,

waardoor (vervolgens) hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig

tegen die bestuurster van een fiets en/of haar fiets is aangereden en/of

gebotst;

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdachte

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij weliswaar op 3 januari 2011 in Wierden mevrouw [slachtoffer] heeft aangereden, maar dat deze aanrijding niet is veroorzaakt doordat de ruiten van zijn auto bevroren danwel beslagen zijn, zoals hem is tenlastegelegd. Hij stelt dat hij ter hoogte van de kruising van de Stationsstraat met de Kerkhofstraat vaart minderde omdat hij mevrouw [slachtoffer] aan zag komen fietsen op een voor hem van rechts komende weg. Hij zag dat mevrouw [slachtoffer] op de t-splitsing stopte met haar fiets. Hij was in de veronderstelling dat zij zou blijven staan, zodat hij vervolgens verder is gereden. Mevrouw [slachtoffer] is volgens verdachte plotseling voor de auto langs gefietst en verdachte kon niet meer remmen waarop een aanrijding is ontstaan.

5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt de volgende feiten vast, waarbij zij tussen haakjes steeds het nummer van het bewijsmiddel vermeldt waaraan een feit met name is ontleend. De bewijsmiddelen zelf zijn opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

Verdachte reed op maandagochtend 3 januari 2011 omstreeks 9.30 uur in een personenauto op de Stationsstraat in Wierden vlakbij de splitsing met de Kerkhofstraat (1). Mevrouw [slachtoffer] fietste diezelfde maandagochtend op de Kerkhofstraat in Wierden. Zij kwam bij de Stationsstraat aan en heeft al fietsend naar links en rechts gekeken. Er kwam geen verkeer aan, waarop zij linksaf is geslagen richting het centrum van Wierden (3). Op het moment dat zij bijna de Stationsstraat was overgestoken, is zij aangereden door een van links komende personenauto (2) bestuurd door verdachte (1). Zowel door mevrouw [slachtoffer] (2) als door verschillende getuigen (4, 5, 6) als door de bij het ongeval ter plaatse gekomen verbalisanten (3) is gezien dat de ramen van de auto van verdachte bevroren/beslagen waren. Mevrouw [slachtoffer] is met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en daar is geconstateerd dat zij haar zesde nekwervel en haar sleutelbeen aan de linkerzijde gebroken heeft. Ook heeft zij elf hechtingen in haar linker enkel (2, 7).

Op basis van de getuigenverklaringen en het overige bewijs is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld. De bewering van verdachte dat mevrouw [slachtoffer] stopte en daarna onverwacht de straat overstak, volgt de rechtbank niet. Mevrouw [slachtoffer] verklaart namelijk dat zij al fietsend naar links en rechts heeft gekeken en toen linksaf sloeg. Bovendien heeft de aanrijding plaatsgevonden aan de linkerkant van de weg, zodat kan worden aangenomen dat mevrouw [slachtoffer] met enige vaart van rechts de Stationsstraat op kwam. De juiste verklaring voor de aanrijding ligt daarin dat verdachte met bevroren en beslagen ruiten heeft gereden waardoor hij geen vrij zicht had op de weg. Verder is hij met zodanige snelheid een kruising opgereden dat hij niet meer tijdig kon stoppen om een aanrijding met een van rechts komende fietser die voorrang had, te voorkomen. Dit levert verwijtbare schuld op in de zin van artikel 6 WVW 1994. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen op de hierna vermelde wijze.

5.3 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van alle in de bijlage vermelde wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 januari 2011 in de gemeente Wierden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Stationsstraat, en bij nadering van en gekomen ter hoogte van de splitsing van die weg en de voor het openbaar

verkeer openstaande weg, de Kerkhofstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, immers is hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, terwijl de ruiten van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig nog bevroren en beslagen waren, genoemde splitsing opgereden op het moment dat een voor hem, van rechts komende bestuurster van een fiets, rijdende op de Kerkhofstraat, tot op korte afstand was genaderd, en met een zodanige snelheid dat hij zijn voertuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij is waardoor vervolgens hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen die bestuurster van een fiets en haar fiets is aangereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken nekwervel, een gebroken sleutelbeen en een wond aan de enkel (elf hechtingen) werd toegebracht;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft de oriƫntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (LOVS), voor overtreding van artikel 6 WVW 1994, als uitgangspunt voor de op te leggen straf genomen. Dat oriƫntatiepunt houdt in dat in het geval een aanmerkelijke verkeersfout wordt gemaakt, waarvan zwaar lichamelijk letsel het gevolg is en waarbij geen alcoholgebruik in het spel is, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden als uitgangspunt geldt.

Verdachte heeft als relatief onervaren bestuurder van een auto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Hij reed met bevroren en beslagen ruiten en met een zodanige snelheid dat hij zijn auto niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien een splitsing op. Daarbij heeft hij geen voorrang verleend aan een fietsster, die hij heeft aangereden. Zij heeft ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij een regelmatige betrokkenheid bij het slachtoffer heeft gehad. Mede gelet op zijn jeugdige leeftijd zal de rechtbank in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een werkstraf opleggen. Bij de vaststelling van de hoogte daarvan houdt de rechtbank rekening met de ernst van het feit. Ook een ontzegging van de rijbevoegdheid acht de rechtbank noodzakelijk, te meer nu verdachte in 2009 door de kantonrechter voor overtreding van artikel 5 WVW 1994 is veroordeeld. De rechtbank zal deze ontzegging van de rijbevoegdheid echter geheel voorwaardelijk doen zijn om verdachte een kans te geven zijn chauffeursrijbewijs te halen en hem een waarschuwing te geven voor de toekomst.

Op grond van al deze overwegingen vindt de rechtbank een werkstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, op zijn plaats. De rechtbank zal daarbij bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 Sr en op artikel 179 WVW 1994.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

- veroordeelt verdachte tot ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden;

- bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M.E. van Wees en mr. B.C. Maresch-Evers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.

Buiten staat

Mr. Van Wees is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.