Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ9995

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
: 121172 / KG ZA 11-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging maatschapovereenkomst.

Tussen partijen is in geschil de rechtsgeldigheid van de opzegging van de maatschapovereenkomst per 1 juli 2011. In het bijzonder is daarbij in geschil of bij die opzegging is uitgegaan van een juiste lezing en toepassing van artikel 17 lid 1 aanhef en onder b. van de maatschapovereenkomst.

De vraag of eiser door de in artikel 17 lid 1 onder b van de maatschapovereenkomst aangeduide ogenschijnlijk “harde” drempel “is gezakt”, laat zich in deze voorlopige voorzieningenprocedure procedure niet beantwoorden. Dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter allereerst omdat de beschrijving van die drempel als zodanig niet aanstonds duidelijkheid verschaft of partijen daarbij (ook) zijn overeengekomen dat die drempel ook inhoudt de zelfstandige eis dat bij arbeidsongeschiktheid hoe dan ook altijd minimaal 50% van de diensten moeten worden gedraaid. De maatschap vindt van wel en voert daartoe aan dat dat (ook) uit de tekst van de bepaling volgt. Naar zeggen van eiser volgt dit nu juist niet uit de tekst en gaat het er om dat “zijn totale workload” niet onder die 50% mag komen. Daarvan is naar zijn zeggen geen sprake geweest door diens beperkt gebleven arbeidsongeschiktheid, door het doen van extra spreekuren en door het beperkt draaien van de diensten.

Zowel de vraag hoe voormelde bepaling indachtig de door partijen gemaakte afspraken moet worden gelezen/geïnterpreteerd als de beoordeling in hoeverre eiser in het licht van die nog te geven interpretatie door die drempel is gezakt, behoeft een gedegen inhoudelijke beoordeling, waartoe de voorlopige voorziening vanwege de daaraan klevende beperkte onderzoekmogelijkheden, niet de geëigende rechtsgang is.

Daarbij komt dat de vordering van eiser zoals verwoord in het petitum onder “A“ in belangrijke mate een constitutief karakter heeft en zelfs materieel een declaratoir inhoudt. Immers leidt de verzochte opschorting van de opzegging in afwachting van het oordeel van de arbiters tot nieuwe en onomkeerbare verplichtingen, anders dan die welke bestaan bij het rechtsgeldig zijn van de opzegging van de maatschap per 1 juli 2011. De aard van de kort geding procedure, met name het voorlopige karakter daarvan, staat aan het wijzen van een dergelijk constitutief vonnis in de weg.

De vorderingen moeten worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1655
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2011/605
JONDR 2011/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 121172 / KG ZA 11-123

datum vonnis: 30 juni 2011 (jm)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. A.H. Wijnberg te Groningen,

tegen

1. de maatschap

[gedaagde 1],

gevestigd te [plaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [plaats],

4. [gedaagde 4],

wonende te [plaats],

5. [gedaagde 5]

wonende te [plaats],

6. [gedaagde 6]

wonende te [plaats],

7. [gedaagde 7],

wonende te [plaats],

8. [gedaagde 8],

wonende te [plaats],

9. [gedaagde 9],

wonende te [plaats],

10. [gedaagde 10],

wonende te [plaats],

11. [gedaagde 11],

wonende te [plaats],

gedaagden,

verder samen te noemen de maatschap,

advocaat: mr. L. Bezoen te Enschede.

Het procesverloop

[eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 27 juni 2011. Ter zitting zijn verschenen: [eiser] vergezeld door mr. Wijnberg en [gedaagde 9] en [gedaagde 4] namens de maatschap vergezeld door mr. Bezoen. De standpunten zijn met behulp van pleitaantekeningen toegelicht. Na verder debat is tevergeefs gepoogd om een vergelijk te treffen. Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd. Het vonnis is vervolgens bij vervroeging uitgesproken per heden.

De standpunten van partijen

1. In deze zaak staat het navolgende vast. Partijen zijn op 16 maart 2010 met ingang van

1 januari 2010 een overeenkomst van Praktijkassociatie (hierna maatschapovereenkomst) als bedoeld in artikel 7A:1655 BW aangegaan. Het doel van de maatschap is het voor gezamenlijke rekening en risico uitoefenen van een praktijk in gynaecologie en obstetrie te Enschede en omgeving. De maatschap is aangegaan voor onbepaalde tijd. [eiser] heeft een praktijkomvang van 0,8 fte.

2. In artikel 8 lid 1 van de maatschapovereenkomst staat, voor zover van belang vermeld:

De werkzaamheden tussen partijen zullen met inachtneming van ieders deelgerechtigdheid in de maatschap in onderling overleg zoveel mogelijk gelijkelijk worden verdeeld, met dien verstande dat partijen een nagenoeg gelijke inzet/werkbelasting hebben en een nagenoeg gelijk aantal uren per werkdag in de praktijk werkzaam zullen zijn. De nachtdienst, de weekenddienst en de dienst op feestdagen zullen bij toerbeurt door partijen worden verricht.

Een dienst draaien houdt in dat de specialist 24 uren aaneengesloten dient heeft. De dag erna is de specialist vrij. Bij een volledige praktijkomvang dienen 32 diensten per jaar te worden gedraaid.

3. Tijdens de maatschapvergadering van 2 maart 2010 hebben partijen afgesproken dat [eiser] in de periode 1 juni 2010 tot 1 januari 2011 geen diensten draait. [eiser] heeft hiervoor 19% van zijn winstaandeel ingeleverd. Tijdens de maatschapvergadering van 5 oktober 2010 zijn partijen overeengekomen dat de diensten van [eiser] tot 1 juli 2011 zullen worden waargenomen door de andere maten.

4. Bij brief van 30 mei 2011 heeft de maatschap op grond van artikel 17 lid 2 van de maatschapovereenkomst de maatschapovereenkomst jegens [eiser] opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand met ingang van 1 juli 2011.

5. Partijen zijn in artikel 23 lid 1 van de maatschapovereenkomst ondermeer overeengekomen dat als zich tussen twee of meerdere partijen een geschil voordoet (of dreigt voor te doen) met betrekking tot de uitleg van deze overeenkomst dan wel andere zaken die op de samenwerking tussen partijen betrekking hebben, de betrokken partijen in eerste instantie gezamenlijk zullen trachten met behulp van een mediation tot een oplossing te komen.

6. Partijen zijn in artikel 23 lid 2 van de maatschapovereenkomst ondermeer overeengekomen dat, als het niet mogelijk is gebleken het (dreigend) geschil op de wijze als in het vorige lid is bepaald op te lossen, met uitsluiting van de gewone rechter - behoudens eventuele voorzieningen in kort geding – over het geschil zal worden beslist door drie scheidslieden ten verzoeke van de meest gerede partij te benoemen door de voorzitter van de Orde van Medisch Specialisten.

7. Op 8 juni 2011 heeft mr. Wijnberg namens [eiser] conform het bepaalde in artikel 23 lid 2 van de overeenkomst van Praktijkassociatie de Orde van Medisch Specialisten verzocht drie scheidslieden te benoemen. Uit de brief van 23 juni 2011 van de Orde van Specialisten volgt dat zij inmiddels drie scheidslieden heeft benoemd.

8. [eiser] vordert thans in kort geding dat de voorzieningenrechter zal bevelen (“A”) dat de opzegging van de maatschapovereenkomst per 1 juli 2011 wordt opgeschort totdat de te benoemen arbiters zich hebben uitgelaten over de rechtmatigheid van de opzegging. Tevens vordert [eiser] dat de rechtbank zal bevelen dat (“B”) de maatschap hem vanaf

1 juli 2011 zal toelaten tot zijn werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom van € 500, - per dag dat de maatschap niet aan het vonnis voldoet tot een maximum van

€ 25.000, -. Tenslotte vordert [eiser] veroordeling van de maatschap in de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.

9. [eiser] stelt daartoe dat opzegging van de maatschap op grond van artikel 17 van de maatschapovereenkomst niet mogelijk is aangezien er geen sprake is van in dat artikel genoemde situaties. [eiser] stelt dat hij - hoewel hij vanaf 1 juni 2010 geen diensten meer draaide - de praktijk materieel voor meer dan 50% heeft uitgeoefend. Het aandeel van diensten in de totale praktijk van [eiser] is volgens hem marginaal. Daarnaast is de door de maatschap in acht genomen opzegtermijn van één maand gelet op de niet-toepasselijkheid van artikel 17 van de maatschapovereenkomst in strijd met artikel 2 lid 3 van die overeenkomst. In dat artikellid is de opzegtermijn bepaald op zes maanden. Gelet hierop is de opzegging van 30 mei 2011 onrechtmatig, aldus [eiser].

10. De maatschap voert verweer. Voor zover van belang zal hieronder op dat verweer nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

11. De tijdig aangetekend verzonden opzegging van de maatschapovereenkomst jegens [eiser] is blijkens haar tekst gebaseerd op het bepaalde in artikel 17 lid 1 sub b van die overeenkomst. Dat artikel luidt als volgt:

“1. De maatschap eindigt door opzegging van alle partijen gezamenlijk aan de partij die: (“….”) b. in een verstreken periode van 547 kalenderdagen gedurende 365 kalenderdagen in totaal, waarbij delen van dagen naar evenredigheid meetellen, wegens arbeidsongeschiktheid niet voor meer dan 50% in staat is geweest de praktijk in volle omvang (d.w.z. gerekend vanaf fulltime basis en inclusief diensten) uit te oefenen.”.

12. Tussen partijen is in geschil de rechtsgeldigheid van deze opzegging van de maatschapovereenkomst per 1 juli 2011. In het bijzonder is daarbij in geschil of bij die opzegging is uitgegaan van een juiste lezing en toepassing van artikel 17 lid 1 aanhef en onder b. van de maatschapovereenkomst. Naar zeggen van de maatschap is die grond terecht aan de opzegging ten grondslag gelegd. [eiser] bestrijdt dat onder aanvoering dat diens bijdrage ondanks diens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en ondanks dat hij geen diensten draait, niet is c.q. kan zijn gezakt onder de in dat artikel genoemde drempel, zoals die tussen partijen indachtig de gemaakte afspraken heeft te gelden.

13. Partijen zijn overeengekomen om geschillen met betrekking tot de uitleg en toepassing van de maatschapovereenkomst voor te leggen aan door de Orde van Medische Specialisten te benoemen scheidslieden. De scheidslieden zullen rechtspreken als goede mannen naar billijkheid, volgens artikel 23 van de maatschapovereenkomst. Die arbitrage is inmiddels voortvarend door [eiser] in gang gezet. De arbiters zijn al bekend gemaakt en naar verwachting is in september/oktober 2011 in dat geschil een arbitrale beslissing te verwachten.

14. Partijen zijn het over eens dat niet is overeengekomen dat alleen arbiters hangende die arbitrale procedure voorlopige voorzieningen kunnen treffen. Partijen zijn het er ook over eens dat hier een taak resteert voor de voorzieningenrechter als restrechter, en de voorzieningenrechter is het daarmee eens.

15. De vraag of [eiser] door de in artikel 17 lid 1 onder b van de maatschapovereenkomst aangeduide ogenschijnlijk “harde” drempel “is gezakt”, laat zich in deze voorlopige voorzieningenprocedure procedure niet beantwoorden. Dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter allereerst omdat de beschrijving van die drempel als zodanig niet aanstonds duidelijkheid verschaft of partijen daarbij (ook) zijn overeengekomen dat die drempel ook inhoudt de zelfstandige eis dat bij arbeidsongeschiktheid hoe dan ook altijd minimaal 50% van de diensten moeten worden gedraaid. De maatschap vindt van wel en voert daartoe aan dat dat (ook) uit de tekst van de bepaling volgt. Naar zeggen van [eiser] volgt dit nu juist niet uit de tekst en gaat het er om dat “zijn totale workload” niet onder die 50% mag komen. Daarvan is naar zijn zeggen geen sprake geweest door diens beperkt gebleven arbeidsongeschiktheid, door het doen van extra spreekuren en door het beperkt draaien van de diensten.

16. Zowel de vraag hoe voormelde bepaling indachtig de door partijen gemaakte afspraken moet worden gelezen/geïnterpreteerd als de beoordeling in hoeverre [eiser] in het licht van die nog te geven interpretatie door die drempel is gezakt, behoeft een gedegen inhoudelijke beoordeling, waartoe de voorlopige voorziening vanwege de daaraan klevende beperkte onderzoekmogelijkheden, niet de geëigende rechtsgang is.

17. Niet kan reeds nu worden gezegd dat de kans groot moet worden ingeschat dat [eiser] het gelijk aan zijn zijde heeft. De lezing/uitleg van de maatschap komt voorshands oordelend namelijk niet als onmogelijk voor. Dit terwijl uit de tekst van deze bepaling niet aanstonds kan worden afgeleid dat een van partijen evident van het juiste standpunt uitgaat. De voorzieningenrechter wenst op een mogelijk oordeel van de arbiters thans dan ook niet vooruit te lopen.

18. Ter zitting is door en namens [eiser] verklaard dat diens huidige gezondheidssituatie dusdanig is, dat hij – tijdelijk – als zijnde geheel arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt. Deze discussie met de maatschap heeft hem gebroken en hij heeft zich mede hierdoor onder behandeling van een medicus en een psycholoog moeten stellen.

Ter zitting is van de zijde van [eiser] de verwachting uitgesproken dat door hem te rekenen vanaf de zitting zeker enkele maanden niet zal kunnen worden gewerkt. Tevens is van de zijde van [eiser] meegedeeld dat diens financiële omstandigheden op zich (nog) niet nopen tot het treffen van de gevraagde voorzieningen. Dit vooral ook omdat diens partner inkomsten blijft genereren. De optelsom van deze omstandigheden maakt de conclusie van de voorzieningenrechter gerechtvaardigd, dat voor de duur van de in gang gezette arbitrageprocedure geen c.q. onvoldoende belang bestaat bij toewijzing van de onder “B” van het petitum als voorlopige voorziening verzochte toelating tot diens werkzaamheden per 1 juli 2011.

19. Daarbij komt dat de vordering van [eiser] zoals verwoord in het petitum onder “A“ in belangrijke mate een constitutief karakter heeft en zelfs materieel een declaratoir inhoudt. Immers leidt de verzochte opschorting van de opzegging in afwachting van het oordeel van de arbiters tot nieuwe en onomkeerbare verplichtingen, anders dan die welke bestaan bij het rechtsgeldig zijn van de opzegging van de maatschap per 1 juli 2011. De aard van de kort geding procedure, met name het voorlopige karakter daarvan, staat aan het wijzen van een dergelijk constitutief vonnis in de weg.

20. De slotsom is dat in na te melden zin moet worden beslist. [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van de wederpartij.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst de vorderingen af.

II. Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de maatschap begroot op € 258, - aan verschotten en € 816, - aan salaris van de advocaat.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.