Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ9960

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
10 / 417 WET BN1 A
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW3879, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigeren projectbesluit ten behoeve van permanente bewoning recreatiewoningen Luttermolenveld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 417 WET BN1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[Eiser A] e.a.,

wonende te De Lutte, eisers,

gemachtigde: mr. J.T. Fuller, werkzaam bij Benthem & Gratama Advocaten te Zwolle,

en

de raad van de gemeente Losser,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 9 februari 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2009 heeft verweerder geweigerd een projectbesluit te nemen voor het gebruik van een vijftiental recreatiewoningen in het plangebied Luttermolenveld voor permanente bewoning.

Bij besluit van 9 februari 2010 zijn de hiertegen gemaakte bezwaren deels gegrond verklaard, doch is – onder verbetering van de motivering - de weigering om een projectbesluit te nemen gehandhaafd. Het besluit is op 12 maart 2010 bekend gemaakt.

Tegen dit besluit hebben eisers op 16 april 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 24 mei 2011, waar van de zijde van eisers zijn verschenen [eiser B], [eiser C], [eiser D], [eiser E], [eiser F], [eiser G], [eiser H], [eiser I], [eiser J] en [eiser K], bijgestaan door mr. Fuller, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H.A.M. Plegt, werkzaam bij de gemeente Losser.

3. Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat het beroep mede is ingesteld door [eiser L]. [Eiser L] heeft evenwel niet mede een aanvraag gedaan om een projectbesluit te nemen en heeft tegen de weigering daarvan ook geen bezwaar gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. Voor de overige eisers is hun beroep wel ontvankelijk. Op hetgeen door hen is aangevoerd, zal de rechtbank hieronder nader ingaan.

Eisers zijn allen woonachtig op het terrein van het voormalige recreatiepark Luttermolenveld, aan de oostzijde van de kern De Lutte. Met de inwerkingtreding van het thans ter plaatse geldende bestemmingsplan “Luttermolenveld” is dit recreatiepark grotendeels omgevormd tot een woonwijk. Van de circa 500 kavels op het terrein hebben 27 kavels de recreatieve bestemming behouden, waaronder de kavels van eisers.

Eisers hebben verweerder gevraagd om een projectbesluit te nemen, teneinde de permanente bewoning van de door hen bewoonde recreatiewoningen mogelijk te maken. Uitdrukkelijk is niet beoogd, zoals ter zitting is bevestigd, om ook de bouwmogelijkheden die horen bij een reguliere woning van toepassing te laten verklaren.

Verweerder heeft geweigerd het gevraagde projectbesluit te nemen. Dit besluit is in bezwaar gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers op geen enkele wijze hebben aangetoond dat een projectbesluit in overeenstemming zou zijn met de goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan “Luttermolenveld”, dat door eisers als ruimtelijke onderbouwing is aangedragen, kan dit naar de mening van verweerder in ieder geval niet zijn, nu dat bestemmingsplan was ingegeven door de volgens verweerder volstrekt scheefgegroeide situatie ter plaatse met een zware handhavingslast. Van zodanig zware handhavingslast is, gelet op het beperkt aantal resterende recreatiebestemmingen, thans geen sprake meer. Daarbij geldt dat individuele verzoeken tot permanente bewoning volgens bestendig beleid niet worden gehonoreerd.

Aan het voorgaande heeft verweerder toegevoegd dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project niet is verzekerd. Bij de overige bewoners van het voormalige recreatiepark zal immers geen draagvlak bestaan, zo stelt verweerder, nu eisers niet hebben bijgedragen in de ontwikkelkosten die gepaard gingen met de omvorming van recreatiepark naar woonwijk. Het alsnog toestaan van de permanente bewoning van recreatiewoningen waarvoor niet is bijgedragen, zou dan ook onredelijk zijn ten opzichte van degenen die dat wel hebben gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij uitspraak van 27 januari 2010 (nr. 200808233/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) de goedkeuring van de voortgezette recreatieve bestemming van de percelen van eisers in het bestemmingsplan “Luttermolenveld” vernietigd. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat voortzetting van de vorige recreatieve bestemming enkel is ingegeven vanwege de weigering van de eigenaren om te voldoen aan de door de projectontwikkelaar gevraagde bijdrage in de kosten van de algemene voorzieningen ten behoeve van de wijziging van het recreatiepark in een woonwijk. Dit argument kon echter niet slagen, omdat de uitvoerbaarheid van het plan ook zonder die bijdrage was verzekerd. Nu niet aan de hand van andere ruimtelijk relevante argumenten was onderbouwd waarom voor de voortzetting van de recreatieve bestemming op de percelen van eisers werd gekozen, moest het er volgens de Afdeling voor worden gehouden dat “een voortzetting van de recreatieve bestemming van de percelen niet passend is”.

De vernietiging door de Afdeling van het goedkeuringsbesluit heeft er in geresulteerd dat het oude bestemmingsplan “Luttermolenveld” op de percelen van eisers nog steeds geldend is, evenals de daarin neergelegde recreatieve bestemming. Dit neemt niet weg dat, zoals de Afdeling heeft overwogen, op dat moment voor deze recreatieve bestemming geen goed ruimtelijk argument was gegeven, terwijl verweerder dit ruimtelijk argument ook nadien niet heeft ingebracht. In zoverre kan in de verwijzing van eisers naar het nieuwe bestemmingsplan, gelezen in de context van de uitspraak van de Afdeling, voor het gevraagde projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing worden gevonden. Het is vervolgens aan verweerder om (alsnog) voldoende draagkrachtig te motiveren welk ruimtelijk argument aan een gebruik van de recreatiewoningen voor permanente bewoning in de weg staat.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Het standpunt van verweerder dat geen sprake meer is van een onuitvoerbare handhavingslast, kan in ieder geval niet als een adequaat ruimtelijk argument hebben te gelden. Hiermee is immers nog niet gegeven dat een goede ruimtelijke ordening zich tegen de permanente bewoning van de in geding zijnde recreatiewoningen verzet. De vraag of het bestemmingsplan feitelijk kan worden gehandhaafd dient, anders dan verweerder kennelijk heeft gedaan, los te worden gezien van de vraag of sprake is van een gerechtvaardigd belang bij het handhaven van het bestemmingsplan als zodanig. Enkel die laatste vraag raakt de goede ruimtelijke ordening.

Het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat ook bij inwilliging van het gevraagde projectbesluit nog steeds sprake is van een woonwijk met een enkele verspreide recreatiewoning (niet alle eigenaren van een kavel met een recreatiebestemming hebben om het projectbesluit gevraagd) is evenmin een voldoende adequaat ruimtelijk argument. Bovendien is dit standpunt in het licht van de voorgeschiedenis enigszins merkwaardig te noemen, nu het juist verweerder is geweest die deze situatie in het leven heeft geroepen. Indien verweerder al meent dat een enkele recreatiewoning in een overwegend reguliere woonwijk vanuit ruimtelijk oogpunt minder wenselijk is, oordeelt de rechtbank dat het gevraagde projectbesluit er toe leidt dat het aantal verspreide recreatiewoningen, althans het gebruik van die woningen voor recreatief gebruik, afneemt, waardoor de planologisch ongewenste situatie in omvang afneemt.

Een goed ruimtelijk argument kan evenmin worden gevonden in het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat de Wet ruimtelijke ordening, anders dan voorheen, de mogelijkheid biedt om een grondexploitatieplan vast te stellen, teneinde de kosten (ook) op zogenaamde “free riders” te kunnen verhalen. De rechtbank volstaat in dit verband met de opmerking dat een zodanig plan in dit geval niet is vastgesteld.

Verder brengt de omstandigheid dat niet bij iedereen draagvlak is voor het gevraagde projectbesluit niet mee dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan in gevaar is.

Dat verweerder het onredelijk vindt dat eisers hun recreatiewoning permanent zouden mogen bewonen zonder een bijdrage te hebben betaald in de kosten voor de algemene voorzieningen maakt dit niet anders. De economische uitvoerbaarheid van het omvormen van het recreatiepark in een gewone woonwijk is beoordeeld in de procedure inzake het bestemmingsplan “Luttermolenmolenveld” en dit bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk geworden.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom hij heeft geweigerd het gevraagde projectbesluit te nemen. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op de bezwaren van eisers moeten beslissen.

De rechtbank acht het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten voor rechtsbijstand, welke worden bepaald op

€ 874,- (twee punten ad € 437,-, te weten 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting), alsmede de reiskosten ad EURO 128,--. Voorts dient verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep, voor zover ingediend door [eiser L], niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige gegrond en vernietigt het besluit van 9 februari 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EURO 1002,--, door verweerder te betalen aan eisers;

- verstaat dat verweerder aan eisers het griffierecht ad € 150,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzitter, en mrs. W.M.B. Elferink en L.M. Tobé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. E.M. Lever, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011

Afschrift verzonden op

mtl