Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ9590

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
08-710009-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Verdachte heeft als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol in een personenauto deelgenomen aan het verkeer en hierbij te hard gereden. Als gevolg van zijn rijstijl heeft hij twee personen aangereden, die hierdoor zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Uit het advies van de reclassering komt naar voren dat de geringe (coping)vaardigheden van verdachte, zijn beperkte zelfinzicht en zijn soms impulsieve gedrag, samen met het alcoholgebruik, aandacht verdienen. De rechtbank acht het daarom van belang dat bij de strafoplegging de noodzaak van begeleiding en eventueel behandeling gewaarborgd worden. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en met de gevolgen die een lange gevangenisstraf voor hem zal hebben. De rechtbank straft zwaarder dan geëist door de officier van jusitie.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Hieraan verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Ook wordt aan de verdachte een elektronisch huisarrest opgelegd van zes maanden. De rechtbank legt aan verdachte daarnaast een werkstraf op van 240 uur. Ten slotte acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid van 48 maanden passend en geboden

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 7
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/710009-11

datum vonnis: 28 juni 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [datum] 1987 in [plaats],

wonende [adres] en [plaats],

nu verblijvende in het huis van bewaring De Karelskamp te Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13 april 2011 en 15 juni 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Grooters en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair en feit 2 primair:

zich op 1 januari 2011 te Vriezenveen schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag;

feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair:

op 1 januari 2011 te Vriezenveen met een auto onder invloed van alcohol een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;

feit 1 meer subsidiair en feit 2 meer subsidiair:

op 1 januari 2011 te Vriezenveen gevaar op de weg heeft veroorzaakt waardoor het verkeer op die weg werd verhinderd;

feit 3:

op 1 januari 2011 te Vriezenveen meermalen de plaats van een ongeval heeft verlaten;

feit 4:

op 1 januari 2011 te Vriezenveen als beginnend bestuurder onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

voetganger, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, immers heeft

verdachte, met dat opzet een personenauto bestuurd

- terwijl hij, verdachte (in aanmerkelijke mate) onder invloed verkeerde van

alcohol, zijnde een stof welke de rijvaardigheid kan beïnvloeden en/of;

- met een gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid en/of met een hogere

snelheid dan gezien de situatie ter plaatse was toegestaan (binnen bebouwde

kom, donker, nat wegdek, afloop nieuwjaarsfeest met veel vertrekkende

bezoekers) en

- in elk geval heeft gereden met een hogere dan de ter plaatste geldende

maximum snelheid;

- terwijl (vanwege besneeuwde trottoirs) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of een of meer andere personen op de (linkerzijde van de) rijbaan liep(en) en

- verdachte met zijn personenauto over de linker weghelft is gaan rijden en

- vervolgens met de (linker)wielen over de stoeprand (en rakelings langs een

betonnen bloembak) is gereden (terwijl kort daarvoor [slachtoffer 2] als

voetganger aldaar nog op de rijbaan aanwezig was) en

- verdachte vervolgens een corrigerende stuurbeweging maakt en

- verdachte vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt

- terwijl hij, verdachte, terwijl hij de auto bestuurde (niet handsfree) heeft

getelefoneerd en

- verdachte (vervolgens wederom) met zijn auto op de linker weghelft is gaan

rijden en vervolgens die [slachtoffer 1] (die als voetganger op de linker weghelft

van de rijbaan liep) met die personenauto heeft aangereden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, Westeinde, althans enige voor het openbaar verkeer

openstaande weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een

motorrijtuig (auto), hierin bestaande dat

- hij (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde en/of;

- hij reed met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse is

toegestaan en/of

- hij reed met een hogere snelheid dan ter plaatse is gerechtvaardigd met het

oog op een veilige verkeersafwikkeling (donker, nat wegdek, bebouwde kom,

afloop nieuwjaarsfeest met veel vertrekkende bezoekers) en/of

- terwijl (vanwege besneeuwde trottoirs) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of een of meer andere personen op de (linkerzijde van de) rijbaan van die

weg liep(en) en

- verdachte met zijn personenauto over de linker weghelft van die weg is gaan

rijden en

- vervolgens met de (linker)wielen over de stoeprand (en rakelings langs een

betonnen bloembak) is gereden (terwijl kort daarvoor [slachtoffer 2] als

voetganger aldaar nog op de rijbaan aanwezig was) en

- verdachte vervolgens een corrigerende stuurbeweging maakt en

- verdachte vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt

- terwijl hij, verdachte, terwijl hij de auto bestuurde (niet handsfree) heeft

getelefoneerd en

- verdachte (vervolgens wederom) met zijn auto op de linker weghelft is gaan

rijden en/of

- hij (vervolgens) (zonder snelheid te minderen) in botsing is gekomen met

[slachtoffer 1], die aldaar als voetganger liep, waardoor die voornoemde

[slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gat in haar hoofd en/of

hersenschudding en/of gekneusde ribben, althans zodanig lichamelijk letsel

werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de

toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de

Wegenverkeerswet 1994;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg,

Westeinde, terwijl

- hij (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde en/of;

- hij reed met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse is

toegestaan, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse is gerechtvaardigd

met het oog op een veilige verkeersafwikkeling en/of

- hij reed terwijl hij telefoneerde en/of

- hij (vervolgens) (zonder snelheid te minderen) in botsing is gekomen met

[slachtoffer 1], die aldaar als voetganger liep, waardoor die voornoemde

[slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gat in haar hoofd en/of

hersenschudding en/of gekneusde ribben werd toegebracht

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

fietser, te weten [slachtoffer 3], van het leven te beroven immers heeft

verdachte, met dat opzet een personenauto bestuurd

- terwijl hij, verdachte (in aanmerkelijke mate) onder invloed verkeerde van

alcohol, zijnde een stof welke de rijvaardigheid kan beïnvloeden en/of;

- met een gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid en/of met een hogere

snelheid dan gezien de situatie ter plaatse was toegestaan (binnen bebouwde

kom, donker, nat wegdek, afloop nieuwjaarsfeest met veel vertrekkende

bezoekers) en

- in elk geval heeft gereden met een hogere dan de ter plaatste geldende

maximum snelheid;

- terwijl (vanwege besneeuwde trottoirs) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of een of meer andere personen op de (linkerzijde van de) rijbaan liep(en)

en

- verdachte met zijn personenauto over de linker weghelft is gaan rijden en

- vervolgens met de (linker)wielen over de stoeprand (en rakelings langs een

betonnen bloembak) is gereden (terwijl kort daarvoor [slachtoffer 2] als

voetganger aldaar nog op de rijbaan aanwezig was) en

- verdachte vervolgens een corrigerende stuurbeweging maakt en

- verdachte vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt

- terwijl hij, verdachte, terwijl hij de auto bestuurde (niet handsfree) heeft

getelefoneerd en

- verdachte (vervolgens wederom) met zijn auto op de linker weghelft is gaan

rijden en vervolgens die [slachtoffer 1] (die als voetganger op de linker weghelft

van de rijbaan liep) met die personenauto heeft aangereden en

- verdachte (vervolgens wederom) met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt

en vervolgens die [slachtoffer 3] met die personenauto heeft aangereden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede

rijdende over de weg, Westeinde, althans enige voor het openbaar verkeer

openstaande weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden met een

motorrijtuig (auto), hierin bestaande dat

- hij (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde en/of;

- hij reed met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse is

toegestaan en/of

- hij reed met een hogere snelheid dan ter plaatse is gerechtvaardigd met het

oog op een veilige verkeersafwikkeling (donker, nat wegdek, bebouwde kom,

afloop nieuwjaarsfeest met veel vertrekkende bezoekers) en/of

- terwijl (vanwege besneeuwde trottoirs) J[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en/of een of meer andere personen op de (linkerzijde van de) rijbaan van die

weg liep(en) en

- verdachte met zijn personenauto over de linker weghelft van die weg is gaan

rijden en

- vervolgens met de (linker)wielen over de stoeprand (en rakelings langs een

betonnen bloembak) is gereden (terwijl kort daarvoor [slachtoffer 2] als

voetganger aldaar nog op de rijbaan aanwezig was) en

- verdachte vervolgens een corrigerende stuurbeweging maakt en

- verdachte vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt

- terwijl hij, verdachte, terwijl hij de auto bestuurde (niet handsfree) heeft

getelefoneerd en

- verdachte (vervolgens wederom) met zijn auto op de linker weghelft is gaan

rijden en/of

- hij (vervolgens) (zonder snelheid te minderen) in botsing is gekomen met

[slachtoffer 1], die aldaar als voetganger liep, en/of

- hij vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt en

- hij (vervolgens) (zonder snelheid te minderen) in botsing is gekomen met

[slachtoffer 3], die aldaar als fietser op de rijbaan aanwezig was, waardoor die

voornoemde [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten (zeven) gebroken

ribben en/of een gekneusd hart, althans zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand

als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg,

Westeinde,terwijl hij

- hij (in aanmerkelijke mate) onder invloed van alcoholhoudende drank

verkeerde en/of;

- hij reed met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse is

toegestaan, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse is gerechtvaardigd

met het oog op een veilige verkeersafwikkeling en/of

- hij reed terwijl hij telefoneerde en/of

- hij (vervolgens) (zonder snelheid te minderen) in botsing is gekomen met

[slachtoffer 3], die aldaar als fietser op de rijbaan aanwezig was, waardoor die

voornoemde [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten (zeven) gebroken

ribben en/of een gekneusd hart werd toegebracht,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

3.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand,

meermalen, althans eenmaal, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij

een of meer verkeersongeval(len) of door wiens gedraging een of meer

verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt op het Westeinde, (steeds) de

plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len) naar

hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een of meer ander(en) (te weten

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3]) letsel en/of schade was toegebracht;

4.

hij op of omstreeks 01 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als

bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd

na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn

adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a

van de Wegenverkeerswet 1994, 590 microgram, in elk geval hoger dan 88

microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het

besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum

waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf

jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30

maart 2002 heeft plaatsgevonden.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf dient als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht te worden verbonden, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, een locatiegebod voor de duur van 6 maanden (elektronisch toezicht middels de ‘RFId’ enkelband), een gedragsinterventie (CoVa-training) of een behandelverplichting optioneel op te leggen en uit te voeren door JusTact. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Ook dient aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 48 maanden te worden opgelegd.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1.1 Feit 1: De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn auto op

1 januari 2011 onder invloed van alcohol met een te hoge snelheid [slachtoffer 1] heeft aangereden. Bovendien heeft verdachte onderweg met zijn mobiele telefoon gebeld en heeft hij tot twee keer toe over de linker weghelft gereden en is hij hierbij één keer met de linkerwielen van de auto de stoeprand op gereden. Volgens de officier van justitie kunnen de diverse gedragingen van verdachte worden bewezen op grond van diverse getuigenverklaringen en het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnayse (VOA).

Verdachte had er gezien de weersomstandigheden rekening mee moeten houden dat er zich voetgangers op het wegdek zouden kunnen begeven. De trottoirs waren immers besneeuwd en het was druk op de weg vanwege het einde van de oud en nieuwviering, waaraan ook verdachte zelf had deelgenomen. Gelet op de handelwijze van verdachte stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat niet het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, maar het subsidiair ten laste gelegde. Er is volgens de raadsman geen sprake geweest van puur opzet, noch van voorwaardelijk opzet. Dit met name omdat verdachte aanvankelijk niet van plan was om die nacht te gaan rijden. Bovendien is onduidelijk gebleven wat de rijsnelheid van verdachte is geweest. Ook staat niet vast dat verdachte tijdens het rijden heeft getelefoneerd. Verder wist verdachte niet wat hij deed.

5.1.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

- Rijden door verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 1 januari 2011 omstreeks 06.00 uur vanaf café Zandwijk in Vriezenveen over het Westeinde in de richting van Geesteren is gereden. Hij reed in een Volkswagen, type […], kenteken […]. Deze is rood van kleur.

- Alcoholgebruik

Verdachte heeft verklaard dat hij, voordat hij wegreed, ongeveer 30 tot 40 glazen bier heeft gedronken. Uit de uitslag van het ademonderzoek, uitgevoerd op 1 januari 2011 om 7.05 uur, blijkt dat verdachte op dat moment een alcoholgehalte had van 590 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht.

De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van de aanrijding op 1 januari 2011 onder invloed verkeerde van alcohol. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit een stof is die de rijvaardigheid kan beïnvloeden.

- Passeren [slachtoffer 2] en plantenbak

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 1 januari 2011 heeft gezien dat een rode Volkswagen [..], op het Westeinde te Vriezenveen hem voorbij reed. De auto reed volgens [getuige 1] veel te hard. [getuige 1] zag dat deze auto op de verkeerde weghelft reed en dat de auto, toen hij hem passeerde, met de linkerwielen over de stoep reed ter hoogte van een plantenbak. [getuige 1] verklaart dat zijn vriendin, [slachtoffer 2] iets verder voor hem liep. Op het moment dat de auto haar passeerde liep zij aan de andere zijde van de plantenbak. [getuige 1] verklaart dat de bestuurder van de auto zich corrigeerde en weer het Westeinde opreed richting de verkeerslichten. Kort daarop hoorde hij mensen gillen. Verdachte verklaart dat hij tijdens het rijden aan de linkerzijde van de weg een stoeprand heeft geraakt.

Gelet op de bovenstaande verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn auto aan de linkerzijde van de weg heeft gereden en vervolgens met de linkerwielen over de stoeprand en rakelings langs een bloembak is gereden, terwijl kort hiervoor [slachtoffer 2] als voetganger nog op de rijbaan aanwezig was. Daarnaast acht de rechtbank op grond van de bovenstaande getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vervolgens een corrigerende stuurbeweging heeft gemaakt en daarna met onverminderde snelheid zijn weg heeft vervolgd.

- Aanrijding [slachtoffer 1]

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat een rood/roze Volkswagen […] hem en zijn vriendin op 1 januari 2011 inhaalde op het Westeinde te Vriezenveen. Deze auto reed met hoge snelheid en naar het gevoel van [getuige 2] veel te hard. [getuige 2] heeft gezien dat vóór hem, aan de linkerzijde van de weg, twee meisjes naast elkaar liepen. Hij verklaart dat hij vervolgens heeft gezien dat de bestuurder van de auto de meest rechtse voetgangster aanreed. Hierop reed de auto door, zonder zijn snelheid te minderen.

Getuige [getuige 3] verklaart dat zij op 1 januari 2011 met haar vriendin, het slachtoffer . [slachtoffer 1], aan de linkerzijde van de rijbaan over het Westeinde liep. Zij liepen over de rijbaan omdat het trottoir glad was. Zij liepen zoveel mogelijk tegen de trottoirrand en waren juist links gaan lopen om goed zicht te hebben op het verkeer dat hen van de voorzijde naderde. [getuige 3] verklaart dat zij aan de trottoirkant liep en haar vriendin [slachtoffer 1] aan de wegzijde. Het slachtoffer werd plotseling door iets geraakt. [getuige 3] heeft gezien dat zij door de lucht vloog, een smak maakte op de weg en gewond was aan haar hoofd.

De rechtbank acht gelet op de bovenstaande getuigenverklaringen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wederom met zijn auto op de linkerweghelft is gaan rijden en voetgangster [slachtoffer 1], die vanwege besneeuwde trottoirs links op de rijbaan liep, met zijn personenauto heeft aangereden.

- Rijsnelheid

Op 1 januari 2011 omstreeks 6.40 uur is door de regiopolitie Twente een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het plaatsgevonden verkeersongeval en de technische staat van de daarbij betrokken voertuigen. Uit de rapportage van de VOA komt naar voren dat bepaalde delen van het trottoir en de rijbaankanten van het Westeinde waren besmeurd met sneeuw en/of ijs. Het wegdek wordt door de VOA dan ook als vervuild en nat aangemerkt. Bij de lichtgesteldheid wordt vermeld dat het nacht was. Het Westeinde is gelegen binnen de bebouwde kom. Getuige [getuige 2] verklaart dat hij over het Westeinde fietste en dat er wel meer mensen op straat waren omdat het feest bij Zandwijk was afgelopen.

Gelet hierop en op de bovenstaande getuigenverklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 2], alsmede de rapportage van de VOA, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid heeft gereden op het moment dat hij [slachtoffer 1] aanreed. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman op dit punt.

(Voorwaardelijk) opzet

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daartoe is vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard, dat wil zeggen op de koop toe heeft genomen. De aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, zijn daarbij van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Verdachte is, na een groot aantal glazen bier te hebben gedronken, in zijn auto gestapt. Hij heeft vervolgens te hard gereden over het Westeinde te Vriezenveen. Verdachte is als gevolg van zijn rijgedrag aan de verkeerde kant van de weg geraakt en heeft met zijn linkerwielen de stoeprand geraakt. Hij heeft vervolgens voetgangster [slachtoffer 1] aangereden, waardoor zij ten val is gekomen en lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat het slachtoffer links op de weg liep, is een omstandigheid waar verdachte gelet op de situatie rekening mee had moeten houden. Het nieuwjaarsfeest was immers net afgelopen en de wegen en trottoirs waren vanwege sneeuw en ijzel minder goed begaanbaar dan anders. Gezien de weersomstandigheden en de drukte op de weg, had verdachte extra voorzichtigheid moeten betrachten. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte op het moment van de aanrijding heeft getelefoneerd. Maar dat doet aan het onvoorzichtige rijgedrag van verdachte zoals wel bewezenverklaard, niet af. Verdachte heeft onder invloed, hard en zwabberend over een weg en trottoir gereden waar voetgangers en fietsers aanwezig waren. De kans op een dodelijk ongeluk is dan groot. Die kans is zo evident dat het niet anders kan dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft kans aanvaard dat hij met zijn voertuig het slachtoffer, als voetgangster een zwakkere verkeersdeelneemster, dodelijk zou raken. Op grond hiervan acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

5.2.1 Feit 2: De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn auto op

1 januari 2011 onder invloed van alcohol met een te hoge snelheid [slachtoffer 3] heeft aangereden. Volgens de officier van justitie kan het feit worden bewezen op grond van diverse getuigenverklaringen en de rapportage van de VOA.

Gelet op de handelwijze van verdachte stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.

De raadsman herhaalt zijn standpunt zoals naar voren gebracht bij het onder 1 tenlastegelegde.

5.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Vaststelling van de feiten zoals tenlastegelegd

De rechtbank verwijst voor de vaststelling van de feiten ten aanzien van feit 2 naar hetgeen zij bij feit 1 reeds heeft overwogen, nu onder feit 2 aan verdachte hetzelfde feitencomplex wordt tenlastegelegd als onder feit 1, met dien verstande dat feit 2 ziet op de aanrijding van [slachtoffer 3].

Ten aanzien van de aanrijding van [slachtoffer 3] stelt de rechtbank in aanvulling op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen en vastgelsteld, het volgende vast.

- Rijsnelheid en aanrijding [slachtoffer 3]

De VOA concludeert op basis van de deformatie van de auto van verdachte en het voorhanden zijnde referentiemateriaal dat de door de auto gereden (bots)snelheid beduidend hoger zal zijn geweest dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur.

Getuige [getuige 4] heeft bij de politie over de rijsnelheid van verdachte en over de aanrijding verklaard. [getuige 4] verklaart dat hij op 1 januari 2011 in zijn auto op het Westeinde te Vriezenveen reed. Hij reed ongeveer 45 kilometer per uur. Op een gegeven moment zag hij vanuit zijn binnenspiegel een auto van achteren naderen. Hij kreeg de indruk dat deze auto hard reed omdat de lichten van de auto snel bij hem waren. Ter hoogte van perceel Westeinde wordt [getuige 4] door deze auto ingehaald. De auto reed hem hard voorbij. [getuige 4] dacht nog bij zichzelf: “Dit kan nooit goed gaan”. Ter hoogte van perceel Westeinde 259 heeft [getuige 4] gezien dat er een persoon over die auto vloog. [getuige 4] zag dat deze persoon zojuist op een fiets had gezeten. [getuige 4] zag dat de auto er na de aanrijding vandoor ging en hard bleef rijden. Uiteindelijk komt de auto, na een bloembak en een stoeprand geraakt te hebben, tot stilstand.

Ook getuige [getuige 5} heeft bij de politie over de rijsnelheid van verdachte en over de aanrijding verklaard. [getuige 5} verklaart dat zij op 1 januari 2011 met vrienden, onder wie het slachtoffer, over het Westeinde te Vriezenveen, naar huis fietste. Het slachtoffer fietste linksachter, [getuige 5} fietste rechts naast hem. Op het Westeinde hoorde zij een auto die hard reed. Het geluid kwam volgens [getuige 5} van achteren. Zij hoorde daarna een harde knal en zag dat de auto die hen van achteren naderde het slachtoffer van achteren aanreed. [getuige 5} zag dat het slachtoffer met fiets en al door de lucht vloog. Enkele meters verderop belandde het slachtoffer op het wegdek. [getuige 5} zag dat de bestuurder van de auto doorreed. Verderop raakte hij een bloembak aan de rechterzijde van de weg. Nog weer verderop kwam de auto tot stilstand.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren dat zij kort na 06.26 uur op het Westeinde kwamen en daar een beschadigde Volkswagen, type[..], met kenteken [….]aantroffen.

Gelet op de bovenstaande getuigenverklaringen en de rapportage van de VOA, stelt de rechtbank vast dat verdachte te hard heeft gereden op het moment dat hij [slachtoffer 3] aanreed. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman op dit punt.

- Zichtbaarheid [slachtoffer 3]

Aangever [slachtoffer 3] heeft bij de politie verklaard dat hij op 1 januari 2011 vanaf café Zandwijk samen met een drietal vrienden over het Westeinde naar huis is gefietst. Hij heeft verklaard dat zijn verlichting het deed omdat hij net een nieuwe fiets had. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat het slachtoffer verlichting heeft gevoerd. De rapportage VOA meldt verder dat op het moment van de aanrijding de aanwezige straatverlichting in werking was. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het slachtoffer voor de bestuurder goed zichtbaar moet zijn geweest.

(Voorwaardelijk) Opzet

De rechtbank verwijst hier naar hetgeen zij hiervoor bij feit 1 al heeft overwogen over het bestaan van voorwaardelijk opzet. Zij voegt daaraan toe dat verdachte na de aanrijding met [slachtoffer 1] zijn gedrag op geen enkele wijze heeft aangepast.

5.3.1 Feit 3: De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van onder 3 tenlastegelegde. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tot twee keer toe de plaats van een ongeval heeft verlaten.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat nu verdachte zich niet bewust is geweest van het feit dat hij ongelukken had veroorzaakt, hij niet expres is doorgereden.

5.3.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De verbalisanten hebben verklaard dat zij verdachte op 1 januari 2011, omstreeks 6.28 uur hebben aangehouden. Volgens de bevindingen van de verbalisanten had verdachte twee personen aangereden en de plaats van het ongeval verlaten. Hij veroorzaakte hierna een eenzijdige aanrijding, waarna hij kon worden aangehouden.

- doorrijden na aanrijding [slachtoffer 1]

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat nadat de bestuurder de meest rechtse voetgangster aanreed, de auto doorreed, zonder snelheid te minderen.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij als gevolg van de aanrijding een hoofdwond en een hersenschudding heeft opgelopen.

De rechtbank heeft reeds geconcludeerd dat verdachte op het moment dat hij [slachtoffer 1] aanreed, een hogere rijsnelheid heeft gehanteerd dan ter plekke op dat moment verantwoord was. Daarnaast staat vast dat hij in ernstige mate onder invloed was van alcohol. Eveneens is echter bewezen verklaard dat verdachte, voordat hij [slachtoffer 1] aanreed, een corrigerende stuurbeweging heeft gemaakt. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte wel heeft waargenomen wat er onderweg gebeurde. Hij heeft hier ook op gereageerd. Nadat hij eerder met zijn linkerwielen over de stoeprand reed, heeft hij immers een corrigerende stuurbeweging gemaakt om weer recht op de weg te komen. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat verdachte moet hebben waargenomen dat hij de voetgangster heeft aangereden, waarna hij is doorgereden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat aan het slachtoffer letsel was toegebracht.

- doorrijden na aanrijding [slachtoffer 3]

Verdachte heeft verklaard dat hij op een gegeven moment een klap hoorde. Verdachte weet alleen nog dat hij iemand op de motorkap heeft gehad.

Getuige [getuige 4] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat de bestuurder er na de aanrijding vandoor ging en hard bleef rijden.

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij als gevolg van de aanrijding vijf gebroken ribben, een gebroken jukbeen, gekneusde benen, een gekneusd hart en een kleine klaplong heeft opgelopen.

De rechtbank ziet op de foto’s in de rapportage van de VOA dat de fiets van [slachtoffer 3] en de voorruit en het dak van de auto van verdachte zeer ernstig zijn beschadigd.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte geweten moet hebben van de aanrijding. Hij heeft immers een klap gehoord en weet dat hij iemand op zijn motorkap heeft gehad. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat aan het slachtoffer letsel en schade was toegebracht.

5.4.1 Feit 4: De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder

4 tenlastegelegde heeft begaan.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.4.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte is op 1 januari 2011 na afloop van een feest in Vriezenveen met ongeveer

30 tot 40 glazen bier op in zijn auto weggereden. Uit de uitslag van het ademonderzoek, uitgevoerd op 1 januari 2011 om 7.05 uur, blijkt dat het alcoholgehalte van de adem van verdachte 590 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht bedroeg. De rechtbank heeft de relevante bewijsmiddelen hiervoor al genoemd.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 april 2011 verklaard dat hij op 1 januari 2011 een half jaar zijn rijbewijs had.

Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.

5.5 De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1 primair, sub 2 primair, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 1 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

voetganger, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet een personenauto heeft bestuurd

- terwijl hij, verdachte, onder invloed verkeerde van alcohol, een stof welke de rijvaardigheid kan beïnvloeden en;

- met een gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid (binnen bebouwde kom, donker, nat wegdek, afloop nieuwjaarsfeest met veel vertrekkende bezoekers) en

- terwijl (vanwege besneeuwde trottoirs) die [slachtoffer] op de linkerzijde van de rijbaan liep en

- verdachte met zijn personenauto over de linker weghelft is gaan rijden en

- vervolgens met de linkerwielen over de stoeprand en rakelings langs een

bloembak is gereden terwijl kort daarvoor [slachtoffer 2] als voetganger aldaar nog op de rijbaan aanwezig was en

- verdachte vervolgens een corrigerende stuurbeweging maakt en

- verdachte vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt en

- verdachte vervolgens wederom met zijn auto op de linker weghelft is gaan rijden en vervolgens die [slachtoffer 1] die als voetganger op de linker weghelft van de rijbaan liep met die personenauto heeft aangereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 1 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een fietser, te weten[slachtoffer 3], van het leven te beroven, met dat opzet een personenauto heeft bestuurd

- terwijl hij, verdachte onder invloed verkeerde van alcohol, zijnde een stof welke de rijvaardigheid kan beïnvloeden en

- met een gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid (binnen bebouwde kom, donker, nat wegdek, afloop nieuwjaarsfeest met veel vertrekkende bezoekers) en

- terwijl (vanwege besneeuwde trottoirs) die [slachtoffer 1] op de linkerzijde van de rijbaan liep en

- verdachte met zijn personenauto over de linker weghelft is gaan rijden en

- vervolgens met de linkerwielen over de stoeprand en rakelings langs een bloembak is gereden terwijl kort daarvoor [slachtoffer 2] als voetganger aldaar nog op de rijbaan aanwezig was en

- verdachte vervolgens een corrigerende stuurbeweging maakt en

- verdachte vervolgens met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt en

- verdachte (vervolgens wederom) met zijn auto op de linker weghelft is gaan rijden en vervolgens die [slachtoffer 1] die als voetganger op de linker weghelft van de rijbaan liep met die personenauto heeft aangereden en

- verdachte (vervolgens wederom) met onverminderde snelheid zijn weg vervolgt en vervolgens die [slachtoffer 3] met die personenauto heeft aangereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 1 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op het Westeinde, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander te weten [slachtoffer 1] letsel was toegebracht;

en

hij op 1 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op het Westeinde, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander te weten

[slachtoffer 3] letsel en schade was toegebracht;

4.

hij op 1 januari 2011 te Vriezenveen, gemeente Twenterand, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 590 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en

4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft kennelijke verschrijvingen in de tenlastelegging verbeterd gelezen, nu verdachte daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang wordt geschaad.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 287 Sr en 7 en 8 Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en feit 2 primair

telkens het misdrijf: poging tot doodslag;

feit 3:

het misdrijf: overtreding van artikel 7, eerste lid in aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;

feit 4:

het misdrijf: overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan

6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf dient als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht te worden verbonden, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, een locatiegebod voor de duur van 6 maanden (elektronisch toezicht middels de RFId enkelband), een gedragsinterventie (CoVa-training), of een behandelverplichting optioneel op te leggen en uit te voeren door JusTact. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis. Ook dient aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 48 maanden te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd dat indien de rechtbank het tenlastegelegde feiten bewezen acht, hij zich kan vinden in de door de officier van justitie geformuleerde eis.

De overweging van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

Verdachte heeft in beschonken toestand als automobilist deelgenomen aan het verkeer en heeft hierdoor twee personen aangereden, die hierdoor letsel hebben opgelopen. De rechtbank concludeert dat verdachte door in die toestand en onder de omstandigheden zoals bewezenverklaard, met te hoge snelheid te gaan rijden, het risico heeft aanvaard dat hij mensen zou aanrijden met hun dood als mogelijk gevolg. Uit de zich in het dossier bevindende slachtofferverklaring blijkt dat het ongeluk op het slachtoffer [slachtoffer 3] een enorme impact heeft gehad. Het ongeluk heeft niet alleen hemzelf, maar ook zijn vriendin erg aangegrepen. [slachtoffer 3] heeft veel pijn geleden en heeft een tijd lang niet kunnen werken. Ook heeft hij aan het ongeluk lichamelijk schade overgehouden, in de vorm van littekens op rug en buik. De rechtbank overweegt dat ook voor het slachtoffer [slachtoffer 1] de aanrijding ingrijpend moet zijn geweest.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf en de hoogte daarvan rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Hierbij merkt de rechtbank op dat de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in vergelijkbare gevallen gebruikelijk is.

De rechtbank zal de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval echter beperken. Hoewel het gaat om (onder meer) pogingen tot doodslag, is er geen sprake geweest van de zwaarste vorm van opzet, maar van voorwaardelijk opzet, de ondergrens van opzet. Het ging om uitermate gevaarlijk rijgedrag. Verdachte is nog niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest en hij is nog erg jong. Een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal, gelet op zijn persoonlijkheid (zie hierna), zeer waarschijnlijk een negatief effect hebben op de rest van zijn leven. Het is in het voordeel van verdachte dat hij zich op de zitting schuldbewust heeft getoond.

Uit het advies van de reclassering d.d.10 maart 2011 komt naar voren dat de geringe (coping)vaardigheden van verdachte, zijn beperkte zelfinzicht en zijn soms impulsieve gedrag, samen met het alcoholgebruik, aandacht verdienen. De rechtbank acht het daarom van belang dat bij de strafoplegging de noodzaak van begeleiding en eventueel behandeling gewaarborgd worden.

In opdracht van de rechtbank heeft de reclassering op 10 juni jl. aanvullend gerapporteerd over de mogelijkheden van elektronisch toezicht. De reclassering acht oplegging van deze maatregel haalbaar en ziet mogelijkheden om verdachte hierin te begeleiden.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk moet worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Hieraan zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht verbinden, zoals omschreven in het reclasseringsadvies van 10 juni 2011. Dit betekent ook dat aan verdachte een elektronisch toezicht zal worden opgelegd voor de duur van zes maanden. Dat elektronisch toezicht dient ter compensatie van het opleggen van een lager onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dan in de regel voor feiten als deze wordt opgelegd. Ter terechtzitting heeft verdachte zich bereid verklaard te voldoen aan de voorwaarden voor elektronisch toezicht, zoals in eerdergenoemd adviesrapport nader omschreven.

De rechtbank zal verdachte daarnaast een werkstraf opleggen van 240 uur en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende detentie zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen. Deze werkstraf is hoger dan de eis van de officier van justitie. Ook daarvoor is de reden dat het gaat om zeer ernstige strafbare feiten en dat de duur van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf beperkt is gebleven.

Daarnaast acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid van 48 maanden passend en geboden.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 91 Sr en de artikelen 176, 179 en 179a Wegenverkeerswet 1994.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair en feit 2 primair:

telkens het misdrijf: poging tot doodslag

feit 3:

het misdrijf: overtreding van artikel 7 eerste lid in aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

feit 4:

het misdrijf: overtreding van artikel 8 derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden een meldingsgebod, een locatiegebod, het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining, een behandelverplichting, een en ander zoals omschreven in het reclasseringsadvies van 10 juni 2011;

- stelt voorts als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen, met inachtneming van hetgeen op basis daarvan tussen veroordeelde en de Reclassering Nederland nader is overeengekomen;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 48 maanden, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd is geweest als bedoeld artikel 179, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994.

Opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van 30 juni 2011.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Wees, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en

mr. B.C. Maresch-Evers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Falkmann, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2011.

Buiten staat

Mr. Maresch-Evers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.