Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ9113

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
116842 / HA ZA 10-1257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft niet binnen bekwame tijd geprotesteerd. Vordering tot schadevergoeding afgewezen. Voorwaarde van de bank dat de gezamenlijke erven toestemming geven alvorens bankafschriften van de erlater aan één van hen worden verstrekt, niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 116842 / HA ZA 10-1257

datum vonnis: 22 juni 2011 (p.l.)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser]

wonende te [plaats],

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. M.J.E.C. Camps te Enschede,

tegen

DE COÖPERATIEVE RABOBANK TWENTE OOST U.A.

gevestigd te Oldenzaal,

gedaagde,

verder te noemen Rabobank,

procesadvocaat: mr. J.A. Holsbrink te Enschede,

behandelend advocaat: mr. T.M.D. van den Beld te Utrecht.

Het procesverloop

1.1. Bij vonnis van 30 maart 2011 is een comparitie van partijen gelast.

1.2. Op 26 mei 2011 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-

verbaal is opgemaakt. Tijdens de comparitie hebben partijen nadere stukken in het geding gebracht waarvan de wederpartij telkens afschrift heeft ontvangen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

1.3. Het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling en de motivering

2.1. De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 30 maart 2011 over de feiten, de vordering en de onderbouwing daarvan en het verweer is overwogen en beslist.

2.2. Als gesteld en erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, staat naar het oordeel van de rechtbank het volgende vast.

2.3. Op 24 december 2005 is [X], vader van [eiser] overleden. [eiser] is met zijn broers, waaronder [Y], erfgenaam. Tot de nalatenschap behoort een tweetal bankrekeningen bij de Rabobank, te weten een betaalrekening met nummer […] en een spaarrekening met nummer […].

2.4. Na het overlijden van [eisers] vader heeft een van de erven, [Y] opdracht gegeven aan de Rabobank om met behulp van de betaalrekening een vijftal betalingen te verrichten in verband met de begrafenis van zijn vader. Het betreft de volgende betalingen:

- € 4.450,75 aan Dela te Oldenzaal wegens ‘begrafenis’;

- € 873,18 aan de gemeente Oldenzaal wegens grafrechten;

- € 345,22 aan [..] te Denekamp wegens ‘grafsteen’;

- € 175,- aan [..] te Oldenzaal wegens ‘grafkransen’ en

- € 250,- zijnde een overboeking van aan de Drie-eenheidskerk te Oldenzaal wegens ‘begrafenis [X]’.

In totaal is een bedrag van € 6.094,15 van de betaalrekening afgeschreven.

2.5. [eiser] verwijt de Rabobank dat zij na het overlijden van vader [X] zonder toestemming van de gezamenlijke erfgenamen betalingen heeft verricht aan derden in verband waarmee [eiser] een verklaring voor recht vordert en wegens schade een bedrag van € 6.094,15. Voorts vordert [eiser] een verklaring voor recht dat de Rabobank gehouden is om een overzicht van alle bankafschriften van voormelde bankrekeningen vanaf

31 december 2003 te verstrekken.

2.6. Het verweer van de Rabobank komt er kort gezegd op neer dat [eiser] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd tegen de vermeende tekortkoming van de Rabobank en alle aanspraken heeft verloren. Rabobank betoogt verder dat er geen verplichting op haar rust om bankafschriften vóór datum overlijden aan één erfgenaam te verstrekken. Tenslotte voert de Rabobank aan dat de gezamenlijke erfgenamen, waaronder [eiser], geen schade ter grootte van de begrafeniskosten van € 6.094,15 hebben geleden.

2.7. De rechtbank zal eerst het meest vergaande verweer van de Rabobank behandelen, namelijk de stelling dat [eiser] niet tijdig in de zin van artikel 6:89 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) tegen de handelwijze van de Rabobank heeft geprotesteerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.8. Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.

Aan de onderdelen 1 en 3 van het petitum ligt de stelling ten grondslag dat de Rabobank door zonder toestemming van de gezamenlijke erfgenamen na het overlijden van vader [X] bedragen over te maken naar derden, ten opzichte van de erfgenamen tekort is geschoten in de nakoming van de met de Rabobank gesloten bankovereenkomst. Door die tekortkoming heeft [eiser] schade geleden ter grootte van het bedrag dat met de onbevoegd verrichte betalingen was gemoeid, zijnde € 6.094,15.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [eiser] eerst bij brief van

28 juli 2010 van zijn raadsman de Rabobank aansprakelijk heeft gesteld wegens schending van de zorgplicht nu de Rabobank de bankrekeningen van vader [X] niet op het moment van zijn overlijden op 24 december 2005 zou hebben geblokkeerd. In verband daarmee verlangt [eiser] dat alle transacties die na die datum zijn verricht worden teruggedraaid. In dat verband vordert [eiser] € 6.094,15 in rechte als schadevergoeding voortvloeiende uit de gestelde tekortkoming van de Rabobank.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het verweer van de Rabobank dat [eiser] niet binnen bekwame tijd tegen de handelwijze van de Rabobank heeft geprotesteerd. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat hij direct na ontdekking van de beweerde onbevoegde betalingen bij de Rabobank heeft geprotesteerd in verband waarmee hij ter zitting de brief d.d. 19 juni 2006 van zijn toenmalige raadsman mr. M. Tijken heeft overgelegd, doch met deze brief verzoekt [eiser] slechts om het toezenden van bankafschriften vanaf 1 januari 2005 ‘ter vaststelling van zijn erfdeel’. Uit deze brief blijkt niet dat [eiser] protesteert tegen de vermeende schending van de zorgplicht door de Rabobank en het onbevoegd verrichten van betalingen in verband met de begrafenis van vader [X]. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Rabobank in redelijkheid uit voormelde brief niet kunnen of behoren af te leiden dat de aansprakelijkheidstelling zich toen mede richtte op de beweerde schending van haar zorgplicht en dat als consequentie daarvan onbevoegd verrichte betalingen dienden te worden teruggedraaid. Ook overigens heeft [eiser] de rechtbank geen ander bewijs bijgebracht waaruit zou kunnen blijken dat hij eerder dan bij de brief van 28 juli 2010 terzake bij de Rabobank heeft geprotesteerd, terwijl [eiser] evenmin feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie zouden moeten leiden dat [eiser] niet eerder dan bij brief van 28 juli 2010 had kunnen protesteren. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat door eerst 4,5 jaar het overlijden van vader [X] te protesteren, niet gezegd kan worden dat [eiser] binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW heeft geprotesteerd.

De consequentie van het voorgaande moet zijn dat [eiser] alle rechten en bevoegdheden om tegen de vermeende tekortkomingen van de Rabobank op te komen, heeft verloren. Daarom zal de rechtbank zowel de gevraagde verklaring voor recht als de gevorderde schade-vergoeding afwijzen.

2.10. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat ook wanneer [eiser] tijdig zou hebben geprotesteerd, de vordering tot schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen, nu de rechtbank van oordeel is dat [eiser] geen schade ter grootte van

€ 6.094,15 kan hebben geleden. [eiser] heeft immers tegen de verrichte werkzaamheden en leveranties in verband met de begrafenis van vader [X] nimmer enig bezwaar geuit. De gehoudenheid tot betaling van de facturen door de erven, waaronder [eiser], stond daarmee vast. Dat slechts een der erven opdracht aan de bank tot betaling van de facturen heeft gegeven, maakt dat niet anders.

2.11. Met betrekking tot onderdeel 2 van het petitum overweegt de rechtbank het volgende. De voorliggende vraag is of de Rabobank door middel van de gevraagde verklaring voor recht verplicht kan worden om aan [eiser] overzicht te verstrekken van de afschriften van genoemde bankrekeningen vanaf 31 december 2003. Aanvankelijk begreep de rechtbank op grond van de brief van de Rabobank d.d. 29 januari 2010 (productie 1a bij conclusie van antwoord) de vordering aldus dat verlangd werd overzicht te verstrekken van de bankafschriften t/m 1 februari 2006, doch uit het petitum en de toelichting ter zitting blijkt dat [eiser] een overzicht verlangt tot heden.

[eiser] voert hiertoe in hoofdzaak aan dat hij de bankafschriften nodig heeft ter vaststelling van zijn erfdeel en om inzicht te krijgen welke betalingen na het overlijden van vader [X] zijn verricht nu de bankrekeningen nog steeds niet zijn geblokkeerd. Voorts heeft hij van een medewerker van de Rabobank vernomen dat er op de spaarrekening op de dag van overlijden van vader [X] meer dan € 10.000,- zou hebben gestaan.

De Rabobank stelt dat zij niet verplicht is om rekeninginformatie aan [eiser] te verstrekken over de periode vóór het overlijden van vader [X]. Voorts stelt de Rabobank dat het opvragen van rekeningafschriften een handeling is die valt onder artikel 3:170, lid 3 BW. Dit brengt mee dat alleen de erfgenamen gezamenlijk bevoegd zijn. Verstrekking van de gevraagde gegevens aan één van de erfgenamen zonder toestemming van de overige erfgenamen heeft de bank dan ook geweigerd.

2.12. Artikel 9 lid 3 van de door [eiser] aangehaalde algemene voorwaarden bepaalt:

‘Wij hoeven geen informatie te geven over wat er op de rekening is gebeurd voor uw overlijden.’ Artikel 5 van de door de Rabobank aangehaalde algemene voorwaarden bepaalt: ‘(…) De bank behoeft aan rechtverkrijgende(n) van de rekeninghouder geen inlichtingen te verstrekken over het verloop van de rekening vóór de datum van overlijden van de rekeninghouder.’

Uit de geciteerde bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de Rabobank niet verplicht is om aan de erven [,,], waaronder [eiser], inlichtingen te verstrekken over het verloop van de bankrekeningen vanaf 31 december 2003 tot de datum van overlijden van vader [X]. De Rabobank heeft aangegeven daartoe evenwel bereid te zijn onder het stellen van een aantal voorwaarden, waaronder een door de gezamenlijke erfgenamen ondertekende verklaring waarin toestemming wordt gegeven om de door [eiser] gevraagde informatie aan hem te verstrekken. De voorwaarde tot het verlenen van toestemming door de overige erfgenamen is volgens de Rabobank ingegeven door het feit dat de erven verdeeld zijn en de Rabobank mogelijke claims van de overige erven voorziet als zonder meer aan het verlangen van [eiser] wordt voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de Rabobank onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid aan het verstrekken van informatie een voorwaarde als de onderhavige verbinden. Dat één of meer mede-erfgenamen niet aan de gestelde voorwaarden wensen te voldoen, is een omstandigheid in de risicosfeer van [eiser] ligt en niet in die van de Rabobank. Een verplichting om medewerking te verlenen aan het verstrekken van een overzicht van bankafschriften is er immers niet, terwijl evenmin gesteld of gebleken is dat de gestelde voorwaarden zo onredelijk zijn dat [eiser] en zijn mede-erfgenamen daaraan in redelijkheid niet kunnen worden gehouden. Voorts bepaalt artikel 3:170, lid 3 BW dat voor handelingen als het opvragen van een overzicht, alleen de erfgenamen gezamenlijk bevoegd zijn zodat ook om die reden de toestemming van de overige erfgenamen niet zonder reden is.

De stelling van [eiser] dat er op de dag van het overlijden van vader [X] op de spaarrekening meer dan € 10.000,- zou hebben gestaan, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu deze stelling op geen enkele wijze nader is onderbouwd.

Volgens opgave van de Rabobank bedroeg het saldo van de spaarrekening op

24 december 2005 € 1.094,63. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze opgave te twijfelen. Tenslotte overweegt de rechtbank nog dat over de periode waarop dit onderdeel van de vordering ziet (31 december 2003 tot 25 december 2005) onbetwist door de Rabobank is gesteld dat vader [X] bankafschriften heeft ontvangen. Deze maken derhalve deel uit van de (administratie van de) nalatenschap.

2.13. Voor wat betreft de gevraagde verklaring voor recht die ziet op het verstrekken van een overzicht van bankafschriften vanaf de datum van overlijden, overweegt de rechtbank het volgende. Nu [eiser] zelf ter zitting bankafschriften heeft overgelegd van de betaalrekening met betrekking tot de periode van 30 december 2005 t/m 23 januari 2006 heeft hij - voor zover het die periode betreft - geen belang meer bij zijn vordering.

2.14. Met betrekking tot de periode vanaf februari 2006 tot heden overweegt de rechtbank het volgende. [eiser] stelt slechts dat de betaalrekening volgens hem nog steeds actief is. Enig nader bewijs heeft [eiser] daarvoor niet bijgebracht, terwijl evenmin gebleken is van concrete aanwijzingen die de stelling van [eiser] ondersteunen. De Rabobank heeft ter zitting verklaard dat de betaalrekening is geblokkeerd. In de brieven van 29 januari en

29 september 2010 (producties 1a en 3 bij conclusie van antwoord) heeft de Rabobank verklaard dat van de betaalrekening alleen de kosten zijn afgeschreven die verband houden met het overlijden van vader [X] en dat nog enkele automatische betalingen zijn verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] terzake onvoldoende gesteld, c.q. zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Voor een bewijsopdracht aan [eiser] ziet de rechtbank dan ook onvoldoende aanleiding.

Met betrekking tot de spaarrekening overweegt de rechtbank dat de Rabobank heeft gesteld dat met die rekening na het overlijden van vader [X] geen transacties meer hebben plaatsgevonden (productie 1a bij conclusie van antwoord). Nu [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat er na het overlijden van zijn vader wel transacties met de spaarrekening hebben plaatsgevonden, staat dit de gevraagde verklaring reeds om die reden in de weg.

2.15. De conclusie met betrekking tot onderdeel 2 van het petitum moet dan ook zijn dat ook de gevraagde verklaring voor recht moet worden afgewezen.

2.16. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de rechtbank dat nu [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, hij zal worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op € 560,- aan griffierecht en ingevolge het liquidatietarief aan salaris advocaat € 768,-

(2 punten x € 384,-).

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst de vordering af.

II. Veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van de Rabobank tot deze uitspraak begroot op € 560,- aan verschotten en € 768,- aan salaris advocaat.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. P.L. Alers en is op 22 juni 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.