Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ9103

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
101453 HA ZA 09-403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over de afwikkeling na beeindiging samenwerking; schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 101453 HA ZA 09-403

datum vonnis: 8 juni 2011 (mljk)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

inzake:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ubbink B.V.,

gevestigd te Doesburg,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

verder te noemen Ubbink,

advocaat mr. Ph.C. Kleyn van Willigen te Almelo,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Teha Groep B.V.,

gevestigd te Haaksbergen,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

verder te noemen Teha,

advocaat mr. B.T.J.A. van Aalst te Enschede.

De weergave van het procesverloop

In conventie en in reconventie:

1. Voor een weergave van het procesverloop moet hier eerst worden verwezen naar wat daarover staat vermeld in het in deze zaak tussen partijen op 24 november 2010 gewezen tussenvonnis. In vervolg op dat vonnis hebben partijen achtereenvolgens een akte in het geding gebracht. Daarna is weer vonnis gevraagd waarvan de uitspraak na diverse aanhoudingen uiteindelijk is bepaald op heden.

De verdere beoordeling van het geschil

In conventie en in reconventie:

2. Ook hier moet eerst worden verwezen naar voormeld tussenvonnis, en wel in het bijzonder naar wat daarin is vastgesteld (de feiten waarvan kan worden uitgegaan), is weergegeven (de standpunten van partijen) en is overwogen en beslist. De rechtbank volhardt daarbij tenzij hierna alsnog anders mocht worden overwogen en beslist. Dit ook nu door partijen niet alsnog bezwaren zijn verwoord tegen de vaststelling van de feiten en de weergave/samenvatting van hun standpunten.

3. In vervolg hierop moet als volgt worden overwogen en beslist, waarbij de rechtbank er voor kiest om eerst te treden in de beoordeling of een van partijen in rechte verantwoordelijk kan worden gehouden voor het (als eerste) een eind maken aan deze samenwerking van partijen en/of het niet nakomen van juist in het kader van die samenwerking gemaakte afspraken.

De beëindiging van de samenwerking als grondslag

4. Op basis van wat partijen desgevraagd elk bij akte hebben bericht, moet thans in rechte de conclusie worden getrokken dat ondanks het door partijen in de Partnershipovereenkomst van 2 juni 2006 vastgelegde voornemen, het niet is gekomen tot het toen of even later vastleggen in een van die overeenkomst deel uitmakende bijlage, van “(…) alle openstaande aspecten die in deze periode contractueel, procesmatig, productietechnisch en commercieel bepaald moeten worden”. Vast is namelijk komen te staan dat van die overeenkomst, zoals toen overeengekomen, geen bijlagen deel hebben uitgemaakt, ook niet een voorloper van SLA 2007.

5. In het licht van wat aldus toen wel en niet door partijen is overeengekomen, heeft de rechtbank verder te gaan met de in het tussenvonnis onder 15 – 23 aangevangen beoordeling of toerekenbaar is tekortgeschoten in de gemaakte (nadere) samenwerkingsafspraken, en zo ja, door welke partij (als eerste).

6. Ook het ontbreken van de in de Partnershipovereenkomst van 2 juni 2006 aangeduide bijlage maakt duidelijk dat partijen bij het aangaan van die overeenkomst er voor hebben gekozen om toen niet meteen middels het maken van afspraken vast te leggen “alle openstaande aspecten” van hun “strategische” samenwerking ten aanzien van (eerst) de “standaard HSB” dakkapel, dit ook procesmatig, productietechnisch en commercieel. Feit is ook dat eerst later alsnog door partijen enkele afspraken zijn gemaakt, een en ander zoals in het tussenvonnis onder 1 is vastgesteld. Een beperkt aantal in de samenwerking nader inkleurende praktische afspraken zijn dus eerst gaandeweg de samenwerking alsnog gemaakt.

7. Partijen hebben aldus bewust gekozen voor de aanpak “om in de samenwerking te groeien” en om eerst alleen daar waar gaandeweg vereist, nadere samenwerkings- en afrekeningsafspraken te maken. Dit strookt ook met de in de Partnershipovereenkomst van 2 juni 2006 gemaakte afspraken zoals die zijn aangehaald in het tussenvonnis onder 3. Partijen hebben er voor gekozen om “een gezamenlijk traject = partnerschap” aan te gaan, waarbij als “de € 1450 niet door TEHA wordt gehaald”, dit tussen partijen bespreekbaar is en blijft. Ook Ubbink heeft zich van aanvang af aan verplicht tot het bijdragen “in de aanloopkosten”. Partijen waren het – naar zeggen in die overeenkomst: door slechte ervaringen in het verleden - bij het maken van deze afspraak er over eens dat zij “realistisch” hadden bij te dragen aan de inhoud van het partnership. Ook hebben zij expliciet afgesproken: “Bij het niet halen van de doelstellingen zullen zij niet elkaars nek omdraaien. Dit is niet de bedoeling van een partnership. Deze intentie is helder voor beide bedrijven.”.

8. Gesteld noch gebleken is dat juist deze laatste afspraak ongedaan is gemaakt door latere prijs- en productieafspraken. Duidelijk is ook dat deze “strategische” samenwerking van partijen ondanks het maken van enige nadere afspraken, niet is gegroeid naar een niveau waarbij de wijze en de intentie van de samenwerking (nader) is vastgelegd in een afspraak die tot doel heeft om de bereikte mate van samenwerking en de wijze waarop die plaatsvindt, meer definitief vast te leggen. Zover is het niet gekomen, want hun samenwerking is naar eigen zeggen van partijen nog “in de voorbereidingsperiode” vroegtijdig beëindigd zonder dat de “gewenste uitgangssituatie omtrent de “standaard HSB” dakkapel” is bereikt, en partijen zijn ieder huns weegs gegaan. Geen van partijen verlangt alsnog voortzetting van de samenwerking. Het gaat blijkens het in conventie en in reconventie gevorderde alleen nog om de financiële afwikkeling daarvan.

9. De in deze vorm aangegane “open” samenwerkingsafspraak “in de voorbereidingsperiode”, brengt naar het oordeel van de rechtbank mee, dat daar waar vorderingen zijn gebaseerd op niet-, niet volledig of niet snel genoeg (kunnen) bereiken van de (uiteindelijk) beoogde wijze en mate van samenwerking, dat als toerekenbare tekortkoming niet ten grondslag kan worden gelegd aan enige (schade)vordering. Partijen hebben immers ook afgesproken om elkaar bij het (deels) mislukken of het niet snel genoeg groeien in de beoogde mate van samenwerking, niet tussentijds “de maat te nemen”. Deze wijze van samenwerking vereist dan ook dat partijen voordurend nadere afspraken maken om de intensiteit en de wijze van de (werkelijke) samenwerking nader te duiden en vooral ook om ieders - tussentijdse - verplichtingen duidelijk te krijgen. Ondanks die inspanningen heeft het niet mogen lukken om (tijdig) de beoogde vergaande mate van samenwerking te bereiken met de daarbij verwachte verkoop- en productieaantallen, kostenreductie en rentabiliteit. De beoogde kostenreductie waarvan partijen aannamen dat die bij de productie van grote aantallen standaard dakkapellen, “vanzelf” zou moeten optreden, is helaas niet gerealiseerd. Partijen geven elkaar daarvan de schuld, maar de beoordeling daarvan zal de rechtbank dus achterwege moeten laten omdat de gemaakte afspraken - zoals hiervoor is overwogen - nu juist elke partij de ruimte bieden om niet alleen in de samenwerking te groeien, maar ook om daar (deels) mee te stoppen in het geval technische, financiële of bedrijfskundige redenen daartoe tijdelijk of zelfs definitief nopen.

10. Noch (adequaat) gesteld noch gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over hoe door hen bij een beëindiging van de samenwerking moet worden afgerekend en/of verrekend. De rechtbank trekt op basis van wat wel is overeengekomen, de conclusie dat partij Ubbink zich hangende de samenwerking heeft verplicht tot (alleen) het bijdragen in de “aanloopkosten” van Teha. Deze afspraak is niet nader ingekleurd zodat het er voor moet worden gehouden dat Ubbink zelf kon en mocht uitmaken of en in hoeverre zij wenste bij te dragen in de aanloopkosten van Teha, die verband hielden met het door Teha inhoud geven aan de samenwerking. Feit is dat Ubbink aan deze verplichting ook daadwerkelijk inhoud heeft gegeven. Niet is weersproken dat het de bedoeling van partijen is geweest dat een dergelijke betaling door Ubbink aan Teha zich na verloop van tijd als de samenwerking vruchtbaar zou verlopen, zou terugverdienen. Nu echter gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat die betaling moet worden terugbetaald bij beëindiging van de samenwerking, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat Ubbink geen recht toekomt om dat bedrag in de voorliggende situatie terug te vorderen van Teha. De betaling door Ubbink is niet onverschuldigd gedaan, immers was conform afspraak vereist om de samenwerking aan de productiezijde gestalte te geven. Ook Teha heeft daar onmiskenbaar in geïnvesteerd, en heeft door de beëindiging van de samenwerking ook “verlies te nemen”. Niet voor niets is immers door partijen overeengekomen: “Ubbink steekt vanaf nu ook de nek uit door bij te dragen in de aanloop kosten.”. Het bestaan van een (nader) overeengekomen “tussenfinanciering” die (dus) noopt tot het moeten terugbetalen door Teha aan Ubbink van wat door Ubbink is betaald aan Teha, is niet in rechte gebleken.

11. Voorts is noch gesteld noch gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat zij bij een beëindiging van deze in voormelde vorm summier overeengekomen “strategische” samenwerking gehouden zijn om over en weer bij te dragen in de juist door die beëindiging bij ieder van hen mogelijk veroorzaakte schade. Het tegenovergestelde is immers juist het geval: partijen zijn het bij het maken van hun afspraken er kennelijk over eens geweest dat bij een tussentijdse beëindiging van de samenwerking ieder in beginsel de eigen kosten en mogelijke schade veroorzaakt door die beëindiging, heeft te dragen. Niet voor niets zijn partijen immers als volgt overeengekomen: “Bij het niet halen van de doelstellingen zullen zij niet elkaars nek omdraaien. Dit is niet de bedoeling van een partnership (…)”.

12. Naar het oordeel van de rechtbank zou alleen daar waar door partijen binnen de samenwerking onmiskenbaar op zichzelf staande – namelijk los van het bestaan en de duur van deze samenwerking – “harde” afspraken hebben gemaakt of onrechtmatig hebben gehandeld, sprake kunnen zijn van een verplichting tot schadevergoeding. Onrechtmatig handelen is echter niet als grondslag aangevoerd, zodat beoordeling daarvan buiten beschouwing kan worden gelaten.

13. Kijkend naar wat in conventie ten grondslag is gelegd aan het gevorderde, betekent dit dat in het licht van het hiervoor overwogene de conclusie moet zijn dat de volgende door Ubbink (in conventie) gestelde tekortkomingen niet als zodanig kunnen gelden en daarom niet kunnen leiden tot het daarmee beoogde doel, te weten het zijn van een rechtsgeldige basis voor de toekenning van schadevergoeding:

- (tekortkoming I) het hangende de samenwerking niet in staat blijken zijn om de dakkapellen tegen de overeengekomen prijs te produceren, en niet over de juiste machines te beschikken om de beoogde aantallen dakkapellen te kunnen produceren;

- (tekortkoming 3) door hangende deze samenwerking in strijd met de in SLA 2007 gemaakte (prijs)afspraken, reeds in 2007 bij Ubbink prijsverhogingen af te dwingen van 9 en 14%, welke verhogingen Ubbink noodgedwongen heeft moeten aanvaarden;

- (tekortkoming 4) door hangende de samenwerking in strijd met de in SLA 2008 gemaakte (prijs)afspraken, bij Ubbink prijsverhogingen af te dwingen van 23%, welke verhoging Ubbink eveneens noodgedwongen heeft moeten aanvaarden;

- (tekortkoming 5) door hangende samenwerking het gezamenlijke project Casco Dakkapel zonder nader overleg stil te leggen, zodat daarvan niet een marktintroductie per medio april 2008 heeft kunnen plaatsvinden. Dit brengt ook mee dat de hier gevorderde (extra) schadevergoeding van € 9.293,41 zich niet leent voor toewijzing.

14. Het hiervoor overwogene brengt tevens mee dat achteraf – na feitelijke beëindiging van de samenwerking - niet kan worden gezegd dat het experiment van deze samenwerking moet worden weggedacht en dat om die reden een deel van de betalingsverplichtingen zijn ontbonden en dat daarom alsnog moet worden aangenomen dat – achteraf bekeken – op basis van de grondslag van onverschuldigde betaling alsnog aan Ubbink moet worden terugbetaald door Teha het gestelde pro resto totaalbedrag van € 432.576,20 (inclusief BTW; te weten

€ 479.114,11 minus € 46.538,60). Ubbink heeft zoals blijkend uit de betreffende betalingen alsnog - en hoewel met ongenoegen – in het kader van de samenwerking en de handhaving daarvan in de hoop op een betere toekomst, ingestemd met de betreffende prijsverhogingen van Teha. Van onverschuldigde betaling kan aldus beschouwd dus geen sprake zijn (geweest). Het voortgaan van de samenwerking noopte nu eenmaal tot het alsnog in rekening brengen van hogere prijzen. Ubbink is in dat verlangen van Teha tot een zeker moment en tot op een zekere hoogte meegegaan, waarbij steeds werd voldaan aan een verplichting uit de samenwerking al dan niet op basis van een nader gemaakte afspraak. Nogmaals: van onverschuldigde betaling kan daarom – ook achteraf bekeken – dus geen sprake zijn op alleen de grond dat de samenwerking is beëindigd.

15. Ook in reconventie heeft voormelde aanpak consequenties. Het (vertraagd) beëindigen van de samenwerking is – zoals hiervoor is overwogen – in het licht van de gemaakte afspraken niet aan te merken als een toerekenbaar tekortschieten, ook niet van Ubbink. Partijen hebben bij het maken van de afspraken over het groeien in de samenwerking zeer bewust de mogelijkheid open gelaten dat een van partijen of mogelijk beiden op enig moment alsnog het standpunt in gaat/gaan nemen dat (verdere) samenwerking geen zin heeft en dat daarom die samenwerking moet worden beëindigd. Zulks dan zonder de vervelende consequenties dat partijen elkaar op basis daarvan gaan bestoken met schadevorderingen die nu juist zijn gebaseerd op het niet verder/langer doorgaan met de samenwerking. Immers is - zoals reeds eerder is overwogen - door partijen overeengekomen dat zij tijdens de samenwerking (nog steeds) zonder kleerscheuren van elkaar af kunnen. Het in reconventie door Teha gevorderde totaalbedrag van € 3.903.000,- te vermeerderen met rente, kan dan ook niet worden toegewezen op daartoe aangevoerde algemene grondslag. Dit dus omdat – het wordt eentonig - vanwege de gemaakte samenwerkingsafspraken niet als toerekenbare tekortkoming kan worden aangemerkt het feit dat de samenwerking is beëindigd, zelfs als dat in hoofdzaak te wijten is aan één van partijen. Hetgeen hiervoor onder 10 en 11 is overwogen, geldt ook hier onverkort. De door Teha gestelde operationele verliezen in de jaren 2006, 2007 en 2008 laten zich in dit kader dus niet als schadevergoeding verhalen op Ubbink. Een en ander is voor rekening en risico van Teha gebleven.

16. Het hiervoor overwogene brengt tevens mee dat niet voldoende is komen vast te staan het belang dat Teha nog kan hebben bij toewijzing van de door haar in reconventie gevorderde verklaring voor recht. Genoegzaam is immers ook komen vast te staan dat deze samenwerking van partijen is beëindigd, waarbij het er dus om reden zoals hierboven uiteen is gezet, in rechte niet (meer) toe doet waardoor die samenwerking is geëindigd. Zulks volgt uit de gemaakte samenwerkingsafspraken van partijen.

De afrekening van de samenwerking

17. De vervolgvraag is dan welke geschillen van partijen er hier in rechte dan nog wel toe doen, en waar de rechtbank dus wel op heeft te beslissen. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank alleen de geschillen die zijn gebaseerd op nakoming/niet-nakoming van door partijen hangende de samenwerking gemaakte afspraken, waarvan moet worden aangenomen dat die verplichtingen zijn aangegaan ongeacht of de onverhoopte beëindiging van de samenwerking nu wel of niet zou gaan plaatsvinden.

18. Naar het oordeel van de rechtbank zouden dit in beginsel alleen nog de volgende geschilpunten/vorderingen kunnen betreffen:

In conventie:

- (tekortkoming 2) Na aflevering van enkele proefmodellen is geen aanvang gemaakt met de (tijdige) productie van 279 dakkapellen die benodigd waren voor het renovatieproject te Eindhoven. Hierdoor is Ubbink op haar beurt jegens haar afnemer tekortgeschoten. Ook heeft Ubbink de productie en de montage van de benodigde dakkapellen elders moeten onderbrengen, hetgeen naar zeggen van Ubbink € 266.042,- extra heeft gekost;

- (tekortkoming 6) In 49 gevallen zijn incomplete en/of beschadigde dakkapellen aan Ubbink uitgeleverd door Teha;

- (tekortkoming 7) Door hangende de samenwerking te stoppen met het uitvoeren van de op grond van SLA 2007 en SLA 2008 voor haar rekening komende reparaties en onderhoudsbeurten aan door haar geleverde dakkapellen. Ubbink heeft die werkzaamheden in eigen beheer moeten uitvoeren. Ook heeft Ubbink hiervoor materialen moeten aanschaffen tot een totaal van € 15.425,-;

- Voor wat betreft de in conventie door Ubbink gevorderde schadevergoeding van in totaal € 3.189.150,23 en de daarbij behorende diverse grondslagen (zie schema bij punt 38 van de dagvaarding) is de rechtbank voorlopig – en dus onder voorbehoud van heroverweging – van oordeel dat het hier zo goed als uitsluitend om (schade)posten gaat die zich om redenen zoals hierboven uiteengezet (dus) niet lenen voor toewijzing. Alvorens daarover definitief te beslissen, acht de rechtbank het geraden dat partijen eerst nog achtereenvolgens in de gelegenheid worden gesteld om bij akte duidelijk te maken waartoe het aanleggen van voormelde maatstaven op de diverse in dat schema bij punt 38 van de dagvaarding aangeduide grondslagen, zou moeten leiden. Ditzelfde moet gelden voor de in conventie afzonderlijk gevorderde bedragen van € 18.969,92 en € 11.324,64 wegens naar zeggen van Ubbink door haar geleden vertragingsschade die naar haar zeggen steeds is veroorzaakt door Teha.

In reconventie:

- € 537.238,45 (te weten € 562.632,25 minus € 25.393,80) aan openstaande nota’s, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na factuurdatum tot 8 maart 2009, zijnde de laatste vervaldag, tot de dag van de algehele voldoening;

Hoe verder

19. In het tussenvonnis zijn ter zake deze dan nog resterende geschilpunten tevens de standpunten/verweren van de wederpartij samengevat weergegeven. Nadat daarover alsnog voldoende duidelijkheid is verkregen middels de hiervoor onder 18, 4e aandachtstreepje, aangeduide aktewisseling, zal de rechtbank daarover nader moeten beslissen.

20. Alvorens echter verder te beslissen, acht de rechtbank het in dit stadium van het geding van belang om eerst een comparitie van partijen te gelasten. Dit in hoofdzaak met de bedoeling om van partijen te weten te komen of bij (één van) hen het verlangen bestaat om het in de overwegingen 4 tot en met 16 begrepen oordeel van de rechtbank (zoals dat voortbouwt op wat is overwogen in het tussenvonnis) eerst in hoger beroep te laten toetsen op juistheid. Het betreft hier immers over en weer een belangrijk oordeel waarmee aanzienlijke delen van het over en weer gevorderde niet toewijsbaar worden geoordeeld.

21. Op basis van wat daarover door partijen ter comparitie wordt aangevoerd zal de rechtbank aansluitend beslissen of tussentijds hoger beroep bij wijze van uitzondering moet worden toegestaan in een nader te wijzen tussenvonnis.

22. De comparitie van partijen zal tevens worden benut om te bekijken in hoeverre partijen thans – met als uitgangspunt dit tussenvonnis - alsnog bereid zijn te vinden tot het aangaan van een geheel of gedeeltelijk vergelijk.

23. Ook door de rechtbank noodzakelijk geoordeelde aktewisseling zal ter comparitie nog in procedurele termen aan de orde moeten worden gesteld.

24. In afwachting van het resultaat van die comparitie van partijen zal elke nadere beslissing worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank, alvorens nader te beslissen:

I. Draagt partijen op om, in persoon en vertegenwoordigd door iemand die volledig van de zaak op de hoogte is en bovendien gemachtigd is om rechtshandelingen te verrichten, op een nader te bepalen dag te verschijnen in het gerechtsgebouw te Almelo voor

mr. M.L.J. Koopmans om voormelde inlichtingen te verstrekken en ook om een vereniging te beproeven;

II. Verwijst de zaak naar de civiele rolzitting van woensdag 22 juni 2011 voor dagbepaling comparitie en draagt Ubbink op om ervoor zorg te dragen dat uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk bericht ter griffie is ontvangen betreffende de verhinderdata van beide partijen;

III. Houdt daartoe elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans en op 8 juni 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.