Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ8941

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
120581 KG ZA 107/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot nakoming van overeenkomst ter zake van levering van pekingeenden gedurende de opzegtermijn en veroordeling van afnemer van eenden tot voldoening van betalingsverplichtingen, waarvan de betalingstermijn, uitgaande van een termijn van 30 dagen, is verlopen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 120581 KG ZA 107/11

datum vonnis: 15 juni 2011 (ck)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

De vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Brei B.V.,

gevestigd te Harderwijk,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

verder ook te noemen: Brei,

advocaten: mr. V.R.M. Appelman en mr. P.A.C.E. Kortmann te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2];

3. [gedaagde 3];

4. [gedaagde 4];

5. [gedaagde 5],

gevestigd en wonende te [plaats] en [adres],

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

verder ook te noemen: [gedaagde 1],

advocaat: mr. W.H.J.M. Haafkes te Hengelo (O),

Het procesverloop

Eiseres heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. Gedaagden hebben een eis in reconventie ingesteld.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 1 juni 2011. Van hetgeen besproken is, zijn aantekeningen gemaakt.

Ter zitting zijn verschenen: de heer [L], namens eiseres, vergezeld door

mr. Appelman en mr. Kortmann, en de gedaagden in conventie, vergezeld door mr. Haafkes.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. Bij de dagvaarding zijn de wettelijke formaliteiten in acht genomen.

2. In deze zaak staat het volgende vast.

a. Brei en [gedaagde 1] hebben op 22 maart 2010 een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde 1] eendagskuikens houdt en verzorgt tot slachtrijpe (peking)eenden. [gedaagde 1] treedt sinds 2009 op als eendenhouder voor Brei. De Coöperatieve Verenigde Slachtpluimvee Export B.A. is 100 % eigenaar van een drietal werkmaatschappijen die ieder voor zich een schakel vormen in het proces van broedei tot levering van pekingeendenvlees. Brei is één van de werkmaatschappijen. Op grond van de overeenkomst tussen Brei en [gedaagde 1] levert Brei eendagseendkuikens aan [gedaagde 1] en levert [gedaagde 1] slachtrijpe pekingeenden aan Brei. In artikel 1 van de overeenkomst is vermeld dat de overeenkomst is aangegaan voor 26 koppels eenden ter grootte van ongeveer 14.500 stuks eenden per koppel per opzet. De opzetfrequentie is normaliter elke vier weken. [gedaagde 1] heeft voor het eerst sinds het aangaan van de overeenkomst opgezet in week 26 van 2010. Sindsdien heeft [gedaagde 1] acht koppels opgezet, laatstelijk op 20 januari 2011, van ongeveer 9.500 eendkuikens per koppel. Vlak voor de volgende geplande opzetdatum in februari 2011 heeft [gedaagde 1] telefonisch aan Brei laten weten geen eendkuikens meer op te zetten. Brei heeft [gedaagde 1] vervolgens zowel mondeling als schriftelijk en op 8 april 2011 en op 29 april 2011 door tussenkomst van haar advocaat, verzocht haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen. [gedaagde 1] is hiertoe niet overgegaan.

b. [gedaagde 1] heeft een eis in reconventie ingesteld. [gedaagde 1] heeft gesteld dat Brei heeft nagelaten de inkoopfacturen van 7 januari 2011, 2 februari 2011 en 9 maart 2011 te voldoen, zodat [gedaagde 1] in totaliteit nog € 73.812,67 te vorderen heeft van Brei. De vordering op Brei is verpand aan Rabobank Centraal Twente. De Rabobank heeft bij brief van 7 maart 2011 haar pandrecht openbaar gemaakt aan Brei. [gedaagde 1] vordert, zakelijk weergegeven, Brei, te veroordelen om aan [gedaagde 1] (in dit geval aan de Coöperatieve Rabobank Centraal Twente U.A.) te voldoen het bedrag van € 73.812,67 met veroordeling van Brei in de kosten van de onderhavige procedure.

CONVENTIE EN RECONVENTIE

3. Brei vordert, zakelijk weergegeven:

- [gedaagde 1] te veroordelen om haar verplichtingen uit de overeenkomst na te komen op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- per overtreding te vermeerderen met een dwangsom van € 2.500,-- voor iedere dag dat [gedaagde 1] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

- [gedaagde 1] te gebieden om binnen één week na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis haar opzetverplichtingen te hervatten door een koppel van 14.500 stuks eendkuikens op te zetten op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 2.500,-- voor iedere dag dat [gedaagde 1] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

- [gedaagde 1] te veroordelen in de kosten van dit geding.

Brei heeft gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorzieningen, omdat een eendenhouder die zijn verplichtingen uit de met Brei gesloten overeenkomst niet nakomt een grote kink in de kabel en dus schade in het gehele productieproces binnen V.S.E. veroorzaakt. Brei moet kunnen rekenen op de eendenhouders met wie zij een overeenkomst is aangegaan.

Brei heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 7 van de met [gedaagde 1] gesloten overeenkomst en de algemene voorwaarden voor eendagskuikens en slachtrijpe eenden bevoegd is de betalingstermijn te wijzigen. Voorts heeft Brei nadat [gedaagde 1] in februari 2011 is gestopt met het opzetten van de eendkuikens, [gedaagde 1] medegedeeld dat zij zich ten aanzien van de nog openstaande facturen op haar opschortingsrecht beriep. Dit is bevestigd door mr. Appelman bij brief van 8 april 2011.

Ter zitting van 1 juni 2011 heeft Brei verklaard dat [gedaagde 1] nooit meer dan 9.500 slachtrijpe eenden per koppel heeft geleverd.

4. [gedaagde 1] heeft verweer gevoerd. Volgens [gedaagde 1] is de overeenkomst van 22 maart 2010 nooit geëffectueerd. [gedaagde 1] betwist dat de overeenkomst met Brei is aangegaan met als doel 26 koppels van elk ongeveer 14.500 eenden op te zetten. [gedaagde 1] is niet in staat om 14.500 eenden per koppel op te zetten, omdat haar daarvoor de capaciteit (stalruimte) ontbreekt. Volgens [gedaagde 1] is de overeenkomst van 22 maart 2010 opgesteld, omdat [gedaagde 1] haar stalcapaciteit wilde vergroten en zij voor de verwerving van de daarvoor benodigde externe financiering een overeenkomst uitgaande van de uitgebreide capaciteit aan haar beoogde financier moest tonen. Het financieringsverzoek is afgewezen. Volgens [gedaagde 1] heeft Brei heeft tot aan april 2011 nimmer schriftelijk aanspraak gemaakt op het opzetten en leveren van de 14.500 eenden per koppel.

Voorts is [gedaagde 1] van oordeel dat geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen, omdat er sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging. De overeenkomst is enkel ondertekend door [gedaagde 2[], terwijl uit het uittreksel uit het handelsregister blijkt dat ieder der maten afzonderlijk de maatschap slechts kan binden tot een bedrag van € 10.000,--. Het belang van de onderhavige overeenkomst gaat een bedrag van € 10.000,-- ver te boven.

[gedaagde 1] heeft het opzetten van koppels eenden gestaakt, omdat zij in financiële problemen is geraakt. Volgens [gedaagde 1] liggen de oorzaken van haar financiële problemen in het feit dat de betalingstermijn van Brei is opgelopen tot drie maanden en het feit dat Brei regelmatig minder eendkuikens aan [gedaagde 1] heeft geleverd dan afgesproken, waardoor [gedaagde 1] inkomsten is misgelopen. Samen met de hoge prijzen van eendenvoer hebben voornoemde omstandigheden [gedaagde 1] gedwongen haar bedrijfsactiviteiten te staken. De externe financier van [gedaagde 1], Rabobank Centraal Twente, is volgens [gedaagde 1] niet langer bereid de bedrijfsactiviteiten te financieren.

[gedaagde 1] stelt dat Brei geen spoedeisend belang heeft, omdat de overeenkomst die op

22 maart 2010 is aangegaan nooit ten uitvoer is gelegd en [gedaagde 1] haar activiteiten voor Brei halverwege februari 2011 heeft beëindigd en het nu reeds juni 2011 is.

5. [gedaagde 1] heeft voorafgaande aan de zitting op 1 juni 2011 een eis in reconventie toegestuurd, waarin zij – zakelijk - weergegeven vordert dat Brei wordt veroordeeld om aan [gedaagde 1] (in dit geval aan Rabobank Centraal Twente) het bedrag van € 73.812,67 te voldoen met veroordeling van eiseres in de kosten van de onderhavige procedure.

CONVENTIE EN RECONVENTIE

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van spoedeisend belang, nu [gedaagde 1] in februari 2011 het opzetten van koppels eendkuikens heeft gestaakt en Brei voordat zij een kort geding aanhangig heeft gemaakt, niet onredelijk lang heeft getracht [gedaagde 1] buitengerechtelijk tot nakoming te bewegen.

De voorzieningenrechter overweegt dat er door [gedaagde 1] gedurende acht koppels eenden voor maximaal 9.500 eenden per koppel uitvoering is gegeven aan de op 22 maart 2010 gesloten overeenkomst. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat er voorshands moet worden uitgegaan van een rechtsgeldige overeenkomst, ook al is de overeenkomst niet door alle maten ondertekend. Nu [gedaagde 1] echter nooit meer dan 9.500 eenden per koppel aan Brei heeft geleverd en niet is gebleken dat Brei vóór april 2011 nakoming van [gedaagde 1], in de zin van levering van 14.500 eenden per koppel heeft geëist of zelfs maar heeft geklaagd over levering van te weinig eenden, moet er in dit geding voorshands van worden uitgegaan dat de overeenkomst 9.500 eenden per koppel omvat. Deze overeenkomst dient te worden nagekomen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de telefonische mededeling van [gedaagde 1] in februari 2011, waarin [gedaagde 1] heeft medegedeeld dat zij geen eendkuikens meer zal opzetten, moet worden aangemerkt als een opzegging van de overeenkomst. In artikel 1

sub b van de overeenkomst is bepaald dat de opzegtermijn van de overeenkomst zes koppels bedraagt. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde 1] in ieder geval nog zes koppels eendkuikens moet opzetten. De voorzieningenrechter overweegt echter dat [gedaagde 1] niet in staat is om koppels eendkuikens op te zetten, indien Brei haar betalingsverplichtingen jegens [gedaagde 1] niet nakomt. Brei heeft éénzijdig haar betalingstermijnen verlengd. De voorzieningenrechter acht de bepaling in de overeenkomst inhoudende dat Brei éénzijdig de leverings- en betalingscondities mag wijzigen, terwijl [gedaagde 1] onverkort moet nakomen, in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarenboven brengt de ophouding van de betalingen door Brei, [gedaagde 1] ernstig in de problemen. Brei kan niet haar betalingen op- schorten na de aangekondigde opzegging van de overeenkomst door [gedaagde 1]. De voorzieningenrechter is van oordeel dat 30 dagen na levering van de slachtrijpe eenden een redelijke betalingstermijn is. Brei dient voordat [gedaagde 1] opnieuw eendkuikens kan opzetten de facturen waarvan de betalingstermijnen zijn vervallen, te voldoen, waarbij een betalingstermijn van maximaal 30 dagen na levering van de slachtrijpe eenden in acht moet worden genomen. De voorzieningenrechter bepaalt dat ook voor de nog door [gedaagde 1] op te zetten zes koppels eendkuikens voor Brei een betalingstermijn van maximaal 30 dagen na aflevering van de slachtrijpe eenden geldt.

7. De voorzieningenrechter wijst als voorlopige ordemaatregelen de eisen in conventie en reconventie in zoverre toe dat [gedaagde 1], na ontvangst van de betaling door Brei op de facturen waarvan de betalingtermijnen zijn vervallen van in totaal 73.812,67 (in dit geval ontvangst door Rabobank Centraal Twente), binnen twee weken haar opzetverplichtingen zal hervatten door het eerste van zes koppels van 9.500 eendkuikens op te zetten. Brei wordt aldus veroordeeld de facturen waarvan de betalingstermijnen, uitgaande van een betalingstermijn van maximaal 30 dagen na levering van de slachtrijpe eenden, zijn verstreken, te voldoen.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding de hierna op te leggen dwangsommen te matigen tot € 1.000,-- voor iedere dag dat [gedaagde 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,--.

8. Nu de eis in conventie van Brei voor een deel wordt toegewezen en de eis in reconventie van [gedaagde 1] wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter termen om de kosten te compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

CONVENTIE EN RECONVENTIE

I. Veroordeelt [gedaagde 1] tot het opzetten van zes koppels van eendkuikens van 9.500 eendkuikens per koppel, waarvan het eerste koppel binnen twee weken na betaling door Brei van € 73.812,67 (in dit geval aan Rabobank Centraal Twente) moet worden opgezet en de volgende koppels met een opzetfrequentie zoals die gebruikelijk was in de periode tussen week 26 van 2010 en februari 2011, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat [gedaagde 1] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,--;

II. Veroordeelt Brei tot betaling van € 73.812,67 aan [gedaagde 1] (in dit geval aan Rabobank Centraal Twente) binnen één week na betekening van dit vonnis en tot betaling telkens binnen 30 dagen na levering aan Brei van elke partij slachtrijpe eenden;

III. Compenseert de kosten na kort geding aldus dat elke partij zijn eigen kosten draagt;

IV. Verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen I. en II. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.J. Stoové, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.