Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ7246

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
08/996004-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft leiding gegeven aan het onjuist of onvolledig opgave doen van omzetbelasting gedurende een lange periode met het kennelijke doel dat minder belasting werd afgedragen dan verschuldigd. Daardoor is de staatskas en daarmee de gemeenschap benadeeld voor een bedrag van ruim € 1.000.000,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

[RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/996004-09

datum vonnis: 6 juni 2011

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte 1],

geboren op [geboorteplaats] in [geboortejaar],

wonende te [woonplaats], aan de [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Bollen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. J.M. Sitsen, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: leiding heeft gegeven aan het door de besloten vennootschap [firmanaam] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften voor de omzetbelasting in de periode van januari 2004 tot en met januari 2009, met uitzondering van de maand juni 2006, elke keer met de bedoeling dat er te weinig omzetbelasting werd geheven.

Subsidiair: tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften heeft gedaan voor de omzetbelasting in de periode van januari 2004 tot en met januari 2009, met uitzondering van de maand juni 2006, met de bedoeling dat er te weinig omzetbelasting werd geheven.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

[firmanaam] op een of meer verschillende tijdstippen in

de periode maart 2004 tot en met februari 2009,in de gemeente Enschede en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk als ondernemer, in de zin van de Wet op de

Omzetbelasting 1968, (een) bij de belasting wet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over de maanden januari

2004 tot en met januari 2009 met uitzondering van de maand juni 2006, althans

over een of meer maanden gelegen in de periode januari 2004 tot en met januari

2009,

onjuist of onvolledig heeft gedaan bij een inspecteur der rijksbelastingen/de

Belastingdienst te Enschede, althans in Nederland,

terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig

belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in

de aangiftebiljetten/het aangiftebiljet betreffende die maand(en) in het jaar

2004 en/of in de de electronische aangifte(n) betreffende die maand(en) in de

jaren 2005 tot en met 2008 (met uitzondering van de genoemde maand juni 2006)

en/of in de electronische aangifte betreffende de maand januari 2009 (telkens)

een te laag bedrag aan belaste leveringen en diensten en/of een te laag bedrag

aan omzetbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting werd

vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbare

feiten (telkens) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft

gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode maart 2004 tot en

met februari 2009,in de gemeente Enschede en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer

rechtspersonen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk, terwijl [firmanaam] ondernemer was,

in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, (een) bij de belasting wet

voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

over de maanden januari 2004 tot en met januari 2009 met uitzondering van de

maand juni 2006, althans over een of meer maanden gelegen in de periode

januari 2004 tot en met januari 2009 van genoemde vennootschap,

onjuist of onvolledig heeft gedaan bij een inspecteur der rijkbelastingen/de

Belastingdienst te Enschede, althans in Nederland,

terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig

belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in de

aangiftebiljetten/het aangiftebiljet betreffende die maand(en) in het jaar

2004 en/of in de de electronische aangifte(n) betreffende die maand(en) in de

jaren 2005 tot en met 2008 (met uitzondering van de genoemde maand juni 2006)

en/of in de electronische aangifte betreffende de maand januari 2009 (telkens)

een te laag bedrag aan belaste leveringen en diensten en/of een te laag bedrag

aan omzetbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting werd

vermeld.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. Het oordeel van de rechtbank

De raadsvrouw voert op diverse gronden aan dat het opzet aan de zijde van verdachte ontbreekt. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

In het rapport inzake een boekenonderzoek door de Belastingdienst Oost, kantoor Enschede, d.d. 6 mei 2004, wordt opgemerkt dat reeds bij een vorig boekenonderzoek is geconstateerd dat jaarlijks de verschuldigde omzetbelasting wordt berekend en dat na constatering van de nog af te dragen omzetbelasting geen suppleties zijn ingediend. Dergelijke omissies zijn tijdens het boekenonderzoek in 2003, destijds ook al bij herhaling vastgesteld, dit keer voor de jaren 1999 en 2001 . Naar aanleiding van dat controlerapport vindt er in 2004 een gesprek plaats met de betrokken partijen ten aanzien van het laakbare handelen door [firmanaam]. Door de Belastingdienst wordt terzake van de suppletieschulden een vergrijpboete opgelegd. Van een en ander gaat een sterk signaal uit naar [firmanaam] om de administratie op orde te brengen. De ondernemer is toen ook gewaarschuwd door de controlerend ambtenaar over de door hem aangetroffen situatie. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte tot tweemaal toe gewezen is op zijn verplichting om suppletieaangiften omzetbelasting te doen indien uit controleberekeningen blijkt dat te weinig omzetbelasting is afgedragen.

Voor zover is betoogd dat verdachte niet wist dat de creditcardbetalingen en de betalingen op rekening onder het maandelijks op te geven bedrag aan omzet vallen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet aannemelijk is. Immers, in dat geval zou die werkwijze – die volgens verdachte ook al in de jaren waarover voormeld boekenonderzoek zich uitstrekte door hem werd gehanteerd – bij dat onderzoek naar voren zijn gekomen. Ten overvloede voegt de rechtbank hier nog aan toe dat het een feit van algemene bekendheid is dat onder “omzet” een totaal bedrag aan verkopen wordt verstaan en dat het ook voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat structureel veel te weinig omzet werd opgegeven. De rechtbank wordt nog gesterkt in die gedachte door de verklaring van de verkoopster [getuige], die gelet op haar ervaring met gemiddelde verkopen en de verkoopdagen, grof gerekend, op het eerste gezicht meteen al aangeeft dat de opgegeven omzet niet kan kloppen. Het is aan de verdachte als ondernemer en feitelijk leidinggever binnen het bedrijf om zich ervan te vergewissen dat hetgeen hij op de aangiften opgeeft juist is, met name nu hij al eerder gewaarschuwd was in verband met onjuistheden. Door dit achterwege te laten heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn opgaven niet juist zijn en dat er dientengevolge te weinig belasting wordt geheven.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er in ieder geval sprake is geweest van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Zij acht bewezen dat:

[firmanaam] op tijdstippen in de periode maart 2004 tot en met februari 2009, in de gemeente Enschede of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een natuurlijk persoon, telkens opzettelijk als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over de maanden januari 2004 tot en met januari 2009 met uitzondering van de maand juni 2006, onjuist of onvolledig heeft gedaan bij een inspecteur der rijksbelastingen/de Belastingdienst in Nederland, terwijl die feiten er toe strekten dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid telkens hierin bestaan, dat in de aangiftebiljetten betreffende die maanden in het jaar 2004 en in de elektronische aangiften betreffende die maanden in de jaren 2005 tot en met 2008 (met uitzondering van de genoemde maand juni 2006) en in de elektronische aangifte betreffende de maand januari 2009 (telkens) een te laag bedrag aan belaste leveringen en diensten en een te laag bedrag

aan omzetbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting werd

vermeld,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.

De rechtbank heeft de eventuele in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft. Het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde, wordt weersproken door de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 51 Sr en de artikelen 68 en 69 AWR. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Primair

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig of onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft leiding gegeven aan het onjuist of onvolledig opgave doen van omzetbelasting gedurende een lange periode met het kennelijke doel dat minder belasting werd afgedragen dan verschuldigd. Daardoor is de staatskas en daarmee de gemeenschap benadeeld voor een bedrag van ruim € 1.000.000,--. Deze handelswijze rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte de onjuistheid van de bewezen verklaarde handelswijze in te prenten. Een andere straf of een lichtere gevangenisstraf acht de rechtbank niet in verhouding staan tot de ernst en omvang van de delicten.

De rechtbank heeft voor het bepalen van het uitgangspunt bij de strafoplegging met name gelet op het strafmaximum en de duur en omvang van de gepleegde belastingfraude. De rechtbank betrekt daarbij de aanzet tot de formulering van een straftoemetingsrichtlijn voor verticale fraude, zoals gedaan in het Trema Straftoemetingsbulletin 2010, nr. 1 . Deze “richtlijn” is een combinatie van de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen en de richtlijn sociale zekerheidsfraude. De rechtbank is van oordeel dat voor de soort en de hoogte van de op te leggen straf aansluiting gezocht dient te worden, zoals in bedoelde “richtlijn” ook wordt betoogd, bij de hoogte van het benadelingsbedrag.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Bovendien houdt de rechtbank daarbij rekening met de geringe documentatie van verdachte.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 47, 57 en 91 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. H. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Venderbosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2011.