Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ6324

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
10 / 1169 WRO BN1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van bestemmingsplan voor gebruik van aardgastransportleiding voor afvoer injectiewater.

De vraag of de leiding geschikt is voor hergebruik dient eerst en vooral te worden beantwoord in het door de Minister te nemen besluit in het kader van de Mijnbouwwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 1169 WRO BN1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[A] e.a.,

wonende te Oldenzaal, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal,

verweerder,

derde belanghebbende:

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. ,

gevestigd te Assen, ontheffinghoudster.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 28 september 2010.

2. Procesverloop

Op 7 april 2010 heeft de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: de NAM) verweerder verzocht om ontheffing van het bestemmingsplan “Buitengebied 2007” voor het veranderen van het gebruik van een bestaande ondergrondse aardgastransportleiding ter hoogte van het perceel aan de Oud Ootmarsumsestraat te Oldenzaal. In plaats van aardgas zal zogenoemd injectiewater, dat vrijkomt bij de oliewinning in het Drentse Schoonebeek, worden getransporteerd naar de (verscheidene) injectielocaties in Twente. Deze injectielocaties betreffen alle lege gasvelden.

Bij besluit van 28 september 2010 heeft verweerder aan de NAM een ontheffing verleend voor het gebruik van de bestaande gasleiding als leiding voor het transport van (injectie)water.

Tegen dit besluit hebben [A], [B], [C] en [D] en [E], bij brief van 6 november 2010, nadien aangevuld bij brief van 1 mei 2011, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 8 december 2010 heeft verweerder de rechtbank de aan het besluit ten grondslag liggende stukken en een verweerschrift doen toekomen.

Op 9 mei 2011 heeft ontheffinghoudster de rechtbank nog een aantal nadere stukken doen toekomen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 mei 2011, waar eisers zijn verschenen in de personen van [A] en [C], terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door [X]. Ontheffingshoudster is verschenen bij gemachtigden mr. [Y] en [Z].

3. Overwegingen

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of [C] in zijn beroep kan worden ontvangen nu hij, naar verweerder ter zitting heeft gesteld, geen zienswijze heeft ingediend tegen het voornemen om de gevraagde ontheffing te verlenen.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek tot ontheffing van 7 juli 2010 tot en met 17 augustus 2010 ter inzage heeft gelegen. Nu [C], naar hij ter zitting heeft gesteld en niet door verweerder is weersproken, eerst op 31 december 2010 het perceel van zijn ouders heeft gekocht, is de rechtbank van oordeel dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij destijds niet zelf een zienswijze heeft ingediend. Hij kan dan ook in zijn beroep worden ontvangen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of de omstandigheid dat de transportleiding deels is gelegen in gronden waarvan eisers [C], [D] en [E] eigenaar zijn, aan het verlenen van de ontheffing in de weg staat. Immers, zoals in het beroepschrift is gesteld, hebben zij geen toestemming gegeven voor de gewenste gebruikswijziging. Indien moet worden gezegd dat het transport van injectiewater zonder deze toestemming niet kan plaatsvinden, is een beoordeling van het bestreden besluit zinledig en moet het er voor worden gehouden dat de NAM bij de aanvraag om ontheffing niet als belanghebbende in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Van een besluit waartegen beroep open staat is alsdan evenmin sprake.

De rechtbank stelt vast dat de werken die door de NAM ingevolge de aan haar verleende concessie zijn en zullen worden ondernomen in het kader van het project Herontwikkeling Olieveld Schoonebeek, waaronder het gebruik van de bestaande leidingen naar de waterinjectielocaties in Twente, bij Koninklijk Besluit van 21 mei 2008, nr. 08.001489, zijn aangemerkt als van openbaar belang. Dit brengt mee de NAM met een beroep op de Belemmeringenwet Privaatrecht aan de respectievelijke grondeigenaren de plicht kan opleggen om de leiding en het gebruik daarvan te dulden. Dat een besluit hiertoe nog niet is genomen, betekent niet dat de NAM bij de aanvraag om ontheffing niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Gelet hierop heeft verweerder de NAM terecht in haar verzoek om ontheffing ontvangen.

Ten aanzien van het inhoudelijk geding oordeelt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder c, en het tweede lid, van artikel 1.2 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van die wet op 1 oktober 2010.

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) komen te vervallen. Uit artikel 9.1.4 van de Invoeringswet Wro volgt dat de vóór de invoering van die wet in bestemmingsplannen neergelegde mogelijkheden tot vrijstelling (in de nieuwe wet ontheffing genoemd) ook onder het nieuwe recht van kracht blijven.

Uit artikel 9.1.7 van de Invoeringswet Wro volgt dat indien een aanvraag is ingediend na de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008, de procedureregels van artikel 3.6, vijfde lid, van de Wro moeten worden gevolgd bij de toepassing van de ontheffingsbevoegdheid van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Ingevolge dat laatste artikel kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van bij het plan te geven regels van bij het plan aan te geven regels ontheffing kunnen verlenen.

Het gedeelte van de pijpleiding waarop de ontheffing ziet is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Buitengebied 2007”. In dit bestemmingsplan is aan de gronden in geding de bestemming “bedrijf, wonen, verkeer – klasse c en agrarisch – landschappelijke waarde” en de dubbelbestemming “leiding” gegeven, met de nadere aanduiding “gasleiding”.

Ingevolge artikel 35.1 aanhef en onder a, van de bestemmingsplanvoorschriften zijn de voor “leiding” aangewezen gronden naast de basisbestemming bestemd voor het aanbrengen, gebruiken en in stand houden van transportleidingen en bijbehoren, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding “gasleiding” en tot 4 meter aan weerszijden daarvan zijn bestemd voor een ondergrondse aardgastransportleiding.

In artikel 35.3.1 aanhef en onder a kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in 35.1 voor het gebruik van de gasleiding voor het transport van vloeistoffen en/of stoom, elektriciteit, signaal of anderszins, mits gebleken is dat uit veiligheidsoverwegingen geen sprake is van een toename van de in acht te nemen bebouwingsvrije zone.

In artikel 35.2.2 van de planvoorschriften is voorts bepaald dat de in 35.3.1 genoemde vrijstelling slechts kan worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. het straat- en bebouwingsbeeld;

b. de milieusituatie;

c. de verkeersveiligheid;

d. de externe en sociale veiligheid;

e. de gebruiksmogelijkheden van de (aangrenzende) percelen.

Niet in geschil is dat het transport van injectiewater in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan. Vraag is of verweerder in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen als bedoeld in artikel 35.3.1 van de planvoorschriften. Partijen verschillen in dit verband van mening over het antwoord op de vraag of de verleende ontheffing leidt tot een onevenredige aantasting van de milieusituatie. Eisers hebben in dit verband (onder meer) opgemerkt dat het gaat om verouderde leidingen, die in het verleden zijn gebruikt voor het transport van vochtig gas, met condensaat en formatiewater. De kans dat de leidingen zijn aangetast is naar de mening van eisers dan ook niet denkbeeldig. Een gedegen onderzoek naar de staat van de leidingen was om die reden aangewezen. Daar komt bij, zo stellen eisers, dat met het gebruik van de leidingen voor het transport van injectiewater de kans op corrosie toeneemt, hetgeen kan leiden tot lekkage/breuk/beschadiging van de leiding, met alle schade voor de bodemkwaliteit, waterhuishouding en flora- en fauna van dien.

De rechtbank volgt eisers hierin niet. Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om een besluit in het kader van de ruimtelijke ordening. De vraag of de leidingen geschikt zijn voor het transport van (injectie)water, vindt in de eerste plaats haar beoordeling in het kader van het Mijnbouwbesluit. Ingevolge dit besluit mag een pijpleiding immers niet eerder in hergebruik worden genomen dan na instemming van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Thans kan dan ook slechts aan de orde zijn de vraag of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de ontheffing in redelijkheid niet kon worden verleend, omdat ten tijde in geding ernstig moest worden betwijfeld of de instemming in het kader van het Mijnbouwbesluit wel zou worden gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. Ten aanzien van de milieusituatie heeft verweerder verwezen naar de (milieu)onderzoeken die in het kader van de voor het project “herontwikkeling olieveld Schoonebeek” opgestelde en op 31 maart 2006 vastgestelde M.e.r. zijn verricht. Daarbij zijn onder de gevolgen ten aanzien van het geluid, de bodemkwaliteit, de luchtkwaliteit, archeologie, flora en fauna en landschap en cultuurhistorie beoordeeld. Voorts heeft verweerder in redelijkheid gewicht kunnen hechten aan de maatregelen die vanwege de NAM worden getroffen om de integriteit van het leidingstelsel te waarborgen, onder meer bestaande uit een pijpleidinginspectieprogramma (met daarin opgenomen het ter zitting nader geduide “intelligent pigging”) en het uitvoeren van loopcontroles. Aldus bezien heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de milieusituatie noch de externe veiligheid noopten tot het weigeren van de gevraagde ontheffing. Overigens merkt de rechtbank nog op dat de Minister van EL&I bij besluit van 25 maart 2011 met het hergebruik heeft ingestemd. Tegen dit besluit staan rechtsmiddelen open.

Voor zover eisers menen dat de bestemming “gasleiding”destijds enkel is ingegeven vanwege de gasproductie, zodat het gebruik van de leidingen per definitie een tijdelijke aangelegenheid was, merkt de rechtbank op dat de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid juist in het bestemmingsplan is gebracht om een ander gebruik te kunnen geven aan de aardgastransportleidingen. Indien eisers hergebruik (ook) planologisch onwenselijk vinden, hadden zij hun bezwaren in dit verband moeten inbrengen bij de vaststelling van het bestemmingsplan zelf.

Het geheel overziende, is de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in artikel 35.2.2 van de planvoorschriften niet aan het verlenen van de ontheffing in de weg staat en dat verweerder het openbaar belang van de herontwikkeling van de oliewinning te Schoonebeek en de daarmee samenhangende afvoer van injectiewater door de ondergrondse pijpleidingen in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eisers.

Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit kan in stand blijven. Hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011

Afschrift verzonden op

mtl