Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ5192

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
10/362 WW44 AQ1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: niet-ontvankelijk verklaring bezwaar in verband met termijnoverschrijding. Ondanks getuigenverklaringen omtrent ter post bezorging en het in de brievenbus van verweerder deponeren van bezwaarschriften heeft eiseres niet aangetoond dat deze bezwaarschriften ook daadwerkelijk tijdig door verweerder zijn ontvangen.

De door eiseres langs juiste elektronische weg verzonden e-mails hadden, in combinatie gelezen, door de heffingsambtenaar moeten worden aangemerkt als bezwaar tegen de bouwvergunning en aan het juiste bestuursorgaan moeten worden doorgezonden.

Beroep gegrond. Vernietiging besluit en opdracht aan verweerder om nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10/362 WW44 AQ1 A

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. E.W. Roessingh, advocaat te Hengelo.

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tubbergen,

verweerder.

1. Bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 22 februari 2010.

2. Procesverloop

Eiseres heeft op 30 maart 2009 een vergunning gevraagd voor de bouw van een woning aan [adres] te [plaats]. Bij besluit van 30 oktober 2009 heeft verweerder de vergunning geweigerd. Het tegen dit besluit door eiseres ingediende bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit, onder overname van het advies van de bezwarencommissie, niet-ontvankelijk verklaard.

Op 1 april 2010 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 22 april 2010 heeft eiseres de gronden aangevuld. Verweerder heeft op 27 mei 2010 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Eiseres heeft op 30 juni 2010 op het verweerschrift gereageerd. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan op 28 juli 2010 gereageerd. Bij brieven van 4 augustus 2010, 27 januari 2011, 3 februari 2011 en 10 maart 2011 heeft eiseres gronden ingediend en standpunten ingenomen. Verweerder heeft op 8 februari 2011 een reactie gegeven.

Het beroep is gevoegd behandeld met twee, eveneens op het betreffende of naburige perceel betrekking hebbende beroepen, zaaksnummers 10/542 en 10/1292, ter openbare zitting van de rechtbank van 28 maart 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.P. Stekelenburg, I.R.M. Kuipers en R. Bezoen, allen werkzaam bij verweerder. Ter zitting zijn als getuige de heer [naam getuige 1] en de heer [naam getuige 2] gehoord. Na het onderzoek ter zitting zijn de beroepen weer gesplitst. In de genoemde beroepen zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

3. Overwegingen

In geschil is of verweerder in het bestreden besluit terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres vindt dat dit niet het geval is en stelt daartoe dat niet vaststaat wanneer het besluit van 30 oktober 2009 verzonden is en dat zij, om meerdere reden, wel tijdig bezwaar heeft gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het primaire besluit is verzonden op de dag dat het stempel is geplaatst en dat eiseres vervolgens niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Artikel 6:8 van de Awb bepaalt dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41 van de Awb, voor zover van belang, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:9 van de Awb is een bezwaar - of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, voor het einde van de termijn ter post is bezorgd mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Artikel 6:15 van de Awb bepaalt dat, indien een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, dit orgaan het bezwaar - of beroepschrift zo spoedig mogelijk doorstuurt naar het bevoegde orgaan.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS), onder meer haar uitspraak van 24 oktober 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN BB6318, dient, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om, indien daartoe aanleiding bestaat, de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst als dat gebeurt, is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan door de geadresseerde aannemelijk te maken.

Het besluit van 30 oktober 2009, waarbij verweerder de bouwvergunning heeft geweigerd, is niet aangetekend verzonden. Op het besluit is, onder de voorbedrukte tekst “datum” de datum “28 oktober 2009” afgedrukt en onder de voorbedrukte tekst “verzonden” met een stempel de datum “30 oktober 2009”. In de aanhef van dit besluit is het juiste adres vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit op 30 oktober 2009 is verzonden. Gelet hierop is de termijn van artikel 6:7 van de Awb gaan lopen met ingang van de dag volgende op de dag van bekendmaking. De omstandigheid dat eiseres stelt dat het besluit eerst op 5 november 2009 is ontvangen doet daar niet aan af. Het vorenstaande houdt in dat de termijn voor het indienen van bezwaar eindigde op 11 december 2009.

Eiseres stelt dat haar architect op 6 november 2009 een bezwaarschrift heeft ingediend. Verweerder stelt echter dat bezwaarschrift nooit te hebben ontvangen. Uit vaste jurisprudentie van de ABRS, onder meer haar uitspraak van 2 september 1996, AB 1997, 51, blijkt dat, ingeval een poststuk niet aangetekend wordt verzonden, de verzender in beginsel het risico draagt dat het betreffende stuk nimmer wordt ontvangen. Dit houdt in dat eiseres het risico draagt voor het niet ontvangen van het bezwaarschrift door verweerder. Dat de heer [getuige 1] ter zitting onder ede heeft verklaard dat hij het bezwaarschrift op 6 november 2009 op de post heeft gedaan maakt de verzending wellicht aannemelijk maar niet de ontvangst. Nu noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen en het risico van niet ontvangen bij eiseres ligt, is de rechtbank van oordeel dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 6:9 van de Awb.

Vervolgens heeft eiseres gesteld dat de heer [getuige 2] op 1 december 2009 namens eiseres een bezwaarschrift in de brievenbus van het gemeentehuis heeft gedeponeerd. Volgens jurisprudentie van de ABRS, bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2007, LJN BB7821, is het aan de indiener van het bezwaarschrift, die heeft gekozen voor het middel bezorging, om aannemelijk te maken dat een bezwaarschrift is ontvangen. Weliswaar heeft de heer [getuige 2] ter zitting onder ede verklaard dat hij het bezwaarschrift op 1 december 2009 in die brievenbus heeft gedeponeerd maar daarmee is nog niet voldoende aannemelijk dat het bezwaarschrift ook daadwerkelijk is ontvangen nu verweerder heeft gesteld het bezwaarschrift niet te hebben ontvangen. Gelet op deze niet onaannemelijke stelling van verweerder komt het voor risico van eiseres, die het middel van bezorging gekozen heeft, dat het bezwaarschrift niet is ontvangen.

Verder stelt eiseres dat haar e-mailbericht van 26 november 2009 dan wel haar e-mailbericht van 6 december 2009 dient te worden aangemerkt als bezwaarschrift. Op grond van artikel 2:15 van de Awb kan een bericht elektronisch aan een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Het bestuurorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg. Verweerder heeft de mogelijkheid geopend om op elektronische wijze bezwaar in te dienen, zij het dat dit moet plaatsvinden via het adres gemeente@tubbergen.nl. Het bezwaar dat eiseres elektronisch heeft ingediend op 26 november 2009 is naar de mening van verweerder, in navolging van het advies van de bezwarencommissie, op juiste wijze ingediend maar richtte zich niet tegen de weigering van de bouwvergunning maar tegen de in verband met het indienen van de aanvraag opgelegde aanslag leges.

De rechtbank overweegt dat blijkens de aanhef het e-mailbericht is gericht aan de heffingsambtenaar van de gemeente Tubbergen. De inhoud van het bezwaar luidt als volgt: “Hedenmorgen 26-11-2009 mocht ik van u een rekening ontvangen bel jaar 2009 notanr: 0147778000. Bij deze wil ik bezwaar aantekenen tegen deze nota. De bouwvergunning is volgens Viro engenering op te verwaarlozen details afgewezen er volgt nog een aanvulling. Aangezien het verloop van de bouwaanvraag nog opvolging behoeft en niet af is, dunkt mij dat u te voorbarig bent met deze rekening. Ik verzoek u dan ook om uitstel en een verdere speirficatie van de door u berekende kosten.” In antwoord op dit e-mailbericht heeft de heffingsambtenaar eiseres op 1 december 2009 gewezen op het besluit van 30 oktober 2009 tot weigering van de bouwvergunning en gesteld dat, indien zij het met die weigering oneens is, zij in die procedure binnen zes weken bezwaar zou moeten maken. Daarop heeft eiseres op 6 december 2009 een e-mailbericht gestuurd, gericht aan de heffingsambtenaar, de gemeentesecretaris en de burgemeester met de volgende inhoud: “geachte heer Woltjer, drs ing GBJ Mensink en mr MKM Stegers, Dank voor uw mail. Bij deze wil ik u melden dat er aan de wijzigingen gevraagd in de brief van 30 oktober van uw gemeente, gewerkt wordt door dhr [getuige 1] en het bureau Viro engenering. De hernieuwde bouwaanvraag, zal voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit (art 44 lid 1 aanhef en onder a van de woningwet) van uw gemeente. De hernieuwde aanvraag zal komende week worden ingediend, binnen de gevraagde termijn van zes weken.”

Naar het oordeel van de rechtbank is het e-mailbericht van 26 november 2009, in combinatie met het e-mailbericht van 1 december 2009 en het e-mailbericht van 6 december 2009 aan te merken als bezwaar gericht tegen het besluit van 30 oktober 2009 tot weigering van de bouwvergunning. Uit die e-mailberichten kan immers duidelijk worden opgemaakt dat eiseres bezwaren heeft tegen zowel de aanslag leges als de beslissing tot weigering van de bouwvergunning. Die laatstgenoemde beslissing zou op “te verwaarlozen details” zijn afgewezen en in verband daarmee is de legesaanslag voorbarig. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd ook bevestigd dat het, achteraf geconstrueerd, de bedoeling van eiseres kan zijn geweest bezwaar in te dienen tegen de weigering bouwvergunning.

Voor zover het bezwaar was gericht aan het verkeerde bestuursorgaan (namelijk de heffingsambtenaar in plaats van verweerder) bestond er aanleiding het bezwaar op grond van artikel 6:15 van de Awb door te zenden aan verweerder. De heffingsambtenaar had immers uit de inhoud van het bezwaar kunnen opmaken dat het (mede) was gericht tegen het besluit tot weigering van de bouwvergunning. Nu, gelet hierop, bezwaar tegen de geweigerde bouwvergunning is ingediend op 26 november 2009 komt aan de mededeling van de heffingsambtenaar aan eiseres dat zij een bezwaar tegen de geweigerde bouwvergunning kan indienen geen afzonderlijke betekenis meer toe.

Aangezien het bezwaar tijdig is ingediend, bestond er geen aanleiding het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Het besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand, welke worden bepaald op € 874,-- en de reiskosten ad € 12,80 ([woonplaats] – Almelo v.v.).

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 886,80;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 150,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. W.M.B. Elferink als voorzitter, en mrs. J.H. Keuzenkamp en A. Flos als leden, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman, griffier.

De griffier, De rechter,

buiten staat te tekenen

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

Afschrift verzonden op

PA/WN