Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ4884

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
119547 / KG ZA 11-72
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldvordering in kort geding tot betaling achterstallige en toekomstige partneralimentatie. Vordering afgewezen, wegens de aanmerkelijke kans dat de alimentatierechter in de bodemprocedure tot wijziging van de alimentatieverplichting zal komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 119547 / KG ZA 11-72

datum vonnis: 27 april 2011 (gww)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats],

eiseres,

verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

verder te noemen de man,

advocaat: mr. A.K. Oostlander-Vos te Haarlem.

Het procesverloop

Door de vrouw is gevorderd zoals staat te lezen in de inleidende dagvaarding. De behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2011. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen en hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht met pleitaantekeningen en producties. Na verder debat waarbij een (partieel) vergelijk niet tot de mogelijkheden behoorde, is vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bij vervroeging bepaald op heden.

Waarvan kan worden uitgegaan

Partijen hebben langjarig samengewoond, uit welke relatie drie kinderen zijn geboren. Die samenleving werd beheerst door een notariële samenlevingsovereenkomst van 20 januari 1994. De samenleving is door partijen beëindigd. Daartoe zijn partijen op 20 februari 2008 het convenant overeengekomen dat in bijlage aan de dagvaarding is gehecht. Onder III zijn partijen overeengekomen dat de man (naast de overeengekomen kinderalimentatie) met ingang van 1 maart 2008 een partneralimentatie aan de vrouw betaalt van € 3.583,- per maand, en dat voor een duur van 12 jaren. Zulks onder het doen van afstand door de vrouw van opgebouwde partnerpensioenrechten (zie IV).

Partijen zijn – voor zover hier van belang – ook overeengekomen dat de partneralimentatie altijd kan worden gewijzigd. De hoogte van de partneralimentatie wordt – zo is ook overeengekomen – in ieder geval opnieuw vastgesteld indien:

- de vrouw een eigen inkomen krijgt;

- indien het inkomen van de man vermindert. De alimentatie zal dan verminderen naar rato van de teruggang van het bruto inkomen van de man, waarbij een eventueel inkomen van de vrouw eveneens naar rato meedoet;

Een dergelijke nadere vaststelling heeft tot op heden niet plaatsgevonden. Wel is ondertussen bij deze rechtbank door de man om nihilstelling/verlaging van de partneralimentatie verzocht. De behandeling ter zitting van dat verzoek is bepaald medio juni a.s..

De man is per oktober 2009 minder partner alimentatie gaan betalen aan de vrouw. Per augustus 2010 wordt door hem zelfs helemaal geen partneralimentatie meer betaald aan de vrouw. Tussen partijen staat vast dat de man de overeengekomen kinderalimentatie gewoon is blijven betalen.

De vrouw heeft enige tijd arbeidsinkomsten genoten. Die arbeidsovereenkomst is beëindigd. Thans is de vrouw in afwachting van een – kortdurende – WW-uitkering, die door haar is aangevraagd. In dat kader is door haar geen bevoorschotting gevraagd.

De beoordeling van het geschil

De vrouw vordert – kort gezegd – de man te veroordelen tot doorbetaling van de overeengekomen partneralimentatie en ook tot betaling van de achterstand. Door de man is aangevoerd dat ten gevolge van de recessie zijn inkomsten dramatisch achteruit zijn gegaan, en dat zijn bruto-inkomsten op dit moment nog omstreeks € 40.000 bedragen. Ook het (inmiddels gebleken) vermogen van de vrouw om eigen inkomsten te genereren, moet naar zeggen van de man worden meegenomen bij de bepaling hoeveel partneralimentatie de man met terugwerkende kracht gehouden is aan de vrouw te betalen.

De voorzieningenrechter heeft zich dan ook een oordeel te vormen over wat de mogelijke uitkomst kan zijn van de in gang gezette procedure bij de alimentatierechter.

Uit de door de man geproduceerde financiële stukken blijkt op voorhand van een dramatische achteruitgang van de omzet van diens B.V., welke achteruitgang in gang is gezet in 2010 en waarbij (nog) niet is gebleken dat er zich verbeteringen ten gunste (gaan) aandienen.

De Belastingdienst heeft de man op basis van die negatieve ontwikkeling zelfs toestemming gegeven om diens inkomsten op een lager bedrag te bepalen dan het fiscale (minimum) norminkomen van een DGA. De man schat zijn bruto-inkomsten op dit moment op omstreeks € 40.000,00 waarbij hij zijn eigen leefkosten deels kan delen met zijn huidige verdienende partner. Op voorhand lijkt deze voorstelling van zaken juist, maar voor zich spreekt dat de alimentatierechter bij de beoordeling daarvan niet alleen af pleegt te gaan op momentopnames in de vorm van (tussen)balansen en verlies en winstrekeningen, maar ook op informatie over (recente) kasinkomsten, te verwachten inkomsten en ook over welke inkomsten de man zichzelf uit diens B.V. feitelijk toebedeeld.

Bijkomende relevante omstandigheid is, dat de vrouw voor de wat langere tijd eigen inkomsten heeft weten te genereren en bij haar dus (weer) een zekere verdiencapaciteit aanwezig mag worden verondersteld. Ook hiervoor zal de alimentatierechter oog moeten hebben.

Voorshands oordelend moet de kans dan ook als aanmerkelijk worden bestempeld dat de man door de alimentatierechter in belangrijke mate in het gelijk wordt gesteld in die zin dat het overeengekomen partneralimentatie bedrag in neerwaartse zin wordt bijgesteld, en dat hoogstwaarschijnlijk ook nog eens met terugwerkende kracht.

Dit betekent in elk geval dat niet reeds nu al een bedrag aan achterstallige partneralimentatie zal worden toegewezen. Partijen krijgen immers ook spoedig uitsluitsel over het al dan niet bestaan van een achterstand in de betaling van partneralimentatie. Ook van de vrouw mag worden verwacht dat zij de uitkomst van die procedure afwacht. Overigens komt hier bij dat bij een dergelijke eenmalige betaling van mogelijke achterstanden aan de vrouw het restitutie risico als zijnde aanmerkelijk moet worden ingeschat. Aldus wordt ook niet voldaan aan de vereisten die gesteld moeten worden aan het oordeel om een partij bij wijze van voorlopige voorziening te verplichten tot betaling van een geldbedrag.

Indachtig wat partijen in het convenant zijn overeengekomen over de mate van invloed die

een inkomens vermindering van de man heeft op de hoogte van de partneralimentatie (“naar rato”) moet tevens de conclusie zijn dat niet snel verwacht mag en kan worden dat de partneralimentatie op nihil zal worden gesteld in de situatie dat de vrouw geen enkele eigen inkomsten heeft. Zover is het echter nog niet want naar verwachting komt de vrouw een dezer dagen een WW-uitkering toe voor de duur van omstreeks drie maanden en dus in elk geval voor de duur totdat door de alimentatierechter tussen partijen zal worden beslist. Vooral die laatste omstandigheid maakt dat er onvoldoende reden is om bij wijze van voorlopige voorziening de man tot het moment waarop door de alimentatierechter is beslist, te verplichten tot het doen van een maandelijkse onderhoudsverplichting aan de vrouw.

De slotsom moet dan ook zijn dat de verzochte voorlopige voorzieningen moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal de kosten van dit geding compenseren op na te melden wijze. Dit niet alleen omdat materieel geen “echte” winnende of verliezende partij is aan te wijzen, maar vooral ook omdat partijen dit geding deels aan zichzelf hebben te wijten door niet (veel) eerder over de nadere vaststelling van de partneralimentatie met elkaar in conclaaf te gaan; iets waartoe hun convenant beiden verplicht in het geval zich een relevante wijziging van omstandigheden voordoet.

Rechtdoende:

I. Wijst af het gevorderde.

II. Compenseert de kosten van dit geding aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 april 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.