Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ4008

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-05-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
08-710249-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering niet bewezen, maar wel diefstal van ruim twee miljoen euro bij werkgever met behulp van een valse sleutel. Verdachte heeft het geld via internetbankieren overgemaakt naar een rekening in Peru. De rekening is enkele dagen later opgeheven door verdachte en het geldbedrag is grotendeels terug bij de werkgever. Werkstraf 240 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector strafrecht

parketnummer: 08/710249-10

datum vonnis: 10 mei 2011

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] in [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van de meervoudige kamer van 27 april 2011. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. van den Berg en van hetgeen door de raadsman, mr. D. Duijvelshoff advocaat te Almere, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er primair, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van een geldbedrag van

€ 2.014.761,-. Subsidiair wordt hem de diefstal van dat geldbedrag verweten met behulp van een valse sleutel.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2010 tot en met 6 april 2010, althans op of omstreeks 31 maart 2010 te Enschede, althans in Nederland, opzettelijk een groot geldbedrag van in totaal 2.014.761 Euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het ITC en/of Universiteit Twente, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als systeembeheerder/accountmanager, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 31 maart 2010 tot en met 6 april 2010, althans op of omstreeks 31 maart 2010 te Enschede, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een groot geldbedrag van in totaal 2.014.761 Euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het ITC en/of Universiteit Twente, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruik, bestaande uit het gebruik van de toegangcodes en/of de bankrekeningnummers van het ITC, van het online bankieren-programma van het ITC en/of via dat programma (telkens) geldbedragen over heeft geboekt naar verdachtes eigen bankrekening.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van het primaire feit. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden onvoorwaardelijk.

4. De voorvragen

4.1 Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

4.2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

4.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat er sprake is van een onzorgvuldig en ondeugdelijk onderzoek door het openbaar ministerie. Dit komt volgens de raadsman vooral door het meeliften op een onderzoek van een door de Universiteit Twente ingeschakeld onderzoeksbureau ‘Interseco’. Er had niet tot een verdere strafrechtelijke vervolging besloten mogen worden, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van dit verweer. Volgens de officier van justitie was meer onderzoek wel mogelijk, maar niet noodzakelijk gelet op de te beantwoorden vragen. Bovendien is er geen sprake van schending van de belangen van verdachte en voor zover daar al sprake van zou zijn, is dat niet moedwillig geweest. In het onderzoek is uiterst voorzichtig met het rapport van Interseco omgegaan.

4.2.2 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende voorop. Een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking voor toewijzing. Daarvoor is in beginsel alleen plaats indien er sprake is van een vormverzuim dat daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Er moet dus sprake zijn van een flagrante strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde.

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat aan de belangen van de verdachte doelbewust en met grove veronachtzaming tekort is gedaan. In welke belangen verdachte zou zijn geschaad, is niet nader onderbouwd. Door gebruik te maken van een particulier onderzoeksrapport als aanvullend stuk naast de in deze zaak reeds door de opsporingsambtenaren verrichtte onderzoekshandelingen, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een dergelijke schending van de belangen van verdachte. Het beroep op niet-ontvankelijkheid zal dan ook worden verworpen.

4.3 Schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

5.1 De vaststaande feiten

De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.

Op woensdag 31 maart 2010 heeft verdachte, als systeembeheerder en accountmanager in dienst van het ITC te Enschede, de volgende bedragen overgemaakt naar een bankrekening op naam van [betrokkene] te Peru:

- € 684.355,- van de Rabobank bankrekening van het ITC;

- € 465.642,- van de ING bankrekening van het ITC;

- € 864.764,- van de ING bankrekening van het ITC. ,

Deze betalingen zijn verricht via telebankieren. De benodigde pincodes heeft verdachte van anderen gekregen of hij zag deze pincodes als andere transacties werden geautoriseerd achter zijn computer. Voor het overschrijven van die bedragen had verdachte geen toestemming van het ITC. [betrokkene] heeft de bankrekening waar de geldbedragen naar zijn overgemaakt voor verdachte geopend. Zowel verdachte als [betrokkene] konden over deze rekening beschikken. Verdachte heeft de bankrekening enkele dagen na het overmaken opgeheven.

5.2 Primair tenlastegelegde

5.2.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier stelt zich op het standpunt dat het bestanddeel ‘anders dan door misdrijf’ niet bewezen kan worden en concludeert tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde.

De raadsman van verdachte concludeert tot vrijspraak, nu er geen sprake is van een voltooid delict, aangezien de overgemaakte geldbedragen nimmer op de bankrekening van verdachte zijn bijgeschreven. Verdachte heeft de rekening in Peru opgeheven en heeft nimmer over de geldbedragen kunnen beschikken.

5.2.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het bestanddeel ‘anders dan door misdrijf onder zich hebben’ gelet op de vaststaande feiten niet kan worden bewezen. Dit bestanddeel ziet namelijk op de vraag of verdachte zich rechtmatig, althans zonder het begaan van een misdrijf, de toegang heeft verschaft tot de gelden. In dit geval zijn de daarvoor benodigde toegangscodes verkregen zonder dat deze voor gebruik door verdachte zelf zijn verstrekt door de daartoe bevoegde autoriteit. Verdachte zal derhalve van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

5.3. Subsidiair tenlastegelegde

5.3.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezenverklaring kan volgen van het subsidiair tenlastelegde feit, gelet op de door verdachte afgelegde verklaringen en de aangifte. Verdachte heeft geld weggenomen met behulp van pincodes die hij heeft gekregen en/of afgekeken van de daartoe bevoegde personen en derhalve gebruik heeft gemaakt van een valse sleutel bij het overmaken van de geldbedragen. Tevens heeft hij door het overmaken van de geldbedragen als heer en meester over het geld beschikt.

De raadsman van verdachte concludeert ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde eveneens tot vrijspraak. Hij voert daartoe aan dat er geen sprake is van een voltooid delict, aangezien de overgemaakte geldbedragen nimmer op de bankrekening van verdachte zijn bijgeschreven. Verdachte heeft de rekening opgeheven en heeft nimmer over de geldbedragen kunnen beschikken.

5.3.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.3.2.1 Bestanddeel ‘weggenomen’

Zoals uit de vaststaande feiten volgt, heeft verdachte geldbedragen, toebehorende aan zijn werkgever ITC, tot een bedrag van € 2.014.761,- overgemaakt naar een bankrekening in Peru.

De rechtbank is van oordeel dat voor het bestanddeel ‘wegneming’ beslissend is dat het goed aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende wordt onttrokken. Daarbij is enige macht van verdachte over het goed niet vereist. Nu uit de vaststaande feiten blijkt dat verdachte een drietal bedragen toebehorende aan het ITC heeft overgeschreven naar een andere bankrekening, acht de rechtbank om deze redenen het bestanddeel ‘weggenomen’ wettig en overtuigend bewezen.

5.3.2.2 Bestanddeel ‘oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’

Uit de vaststaande feiten volgt verder dat verdachte geen toestemming van het ITC had om de geldbedragen over te maken.

Bovendien heeft verdachte verklaard:

“Eigenlijk had ik er met het geld vandoor gewild. Ik had mijn koffers willen pakken en naar Peru willen reizen om vervolgens daar opnieuw te beginnen.

Op woensdagavond 31 maart 2010 heb ik tickets naar Peru geboekt.

Op donderdagmorgen 1 april 2010 ben ik gewoon naar mijn werk gegaan. De directrice heeft toen niet opgemerkt dat er een groot geldbedrag van de rekening verdwenen was. Ik was toen even bang dat ik betrapt zou zijn.”

Uit deze verklaringen van verdachte blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er bij verdachte sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De bedoeling van verdachte was om van het geld gebruik te maken in Peru en hij was zich ervan bewust dat hij tot het overmaken van die geldbedragen niet gerechtigd was. Dat verdachte vervolgens niet daadwerkelijk over het geld kon beschikken vanwege het opheffen van de bankrekening, doet daaraan niet af. De rechtbank volgt de raadsman van verdachte dan ook niet in zijn pleidooi dat van een voltooid delict geen sprake zou zijn.

5.3.2.3 Overige bewijsoverwegingen

Uit de vaststaande feiten blijkt voorts dat verdachte op 31 maart 2010 de gelden van zijn werkgever ITC te Enschede heeft weggenomen, ten bedrage van in totaal € 2.014.761,-. Tevens blijkt uit de vaststaande feiten dat hij die gelden onder zijn bereik heeft gebracht door het onbevoegd gebruiken van de toegangcodes en de bankrekeningnummers van ITC, derhalve door middel van een valse sleutel. Via het online bankierenprogramma van zijn werkgever ITC heeft hij de geldbedragen overgemaakt. De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5.4 De conclusie

De rechtbank acht evenals de officier van justitie en de raadsman niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 maart 2010 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een groot geldbedrag van in totaal 2.014.761 Euro, geheel toebehorende aan het ITC, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruik, bestaande uit het gebruik van de toegangcodes en de bankrekeningnummers van het ITC, van het online bankieren-programma van het ITC en via dat programma (telkens) geldbedragen over heeft geboekt.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 311 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8. De op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die door de rechtbanken en gerechtshoven voor soortgelijke feiten zijn opgelegd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft na een dienstverband van ruim twaalf jaar een zeer groot geldbedrag van ongeveer twee miljoen euro van bankrekeningen van zijn werkgever naar een bankrekening in Peru overgemaakt, om – naar zijn eigen zeggen - daarvan te kunnen leven in Peru. Al gauw heeft verdachte berouw getoond en heeft hij deze handeling ongedaan gemaakt door het opheffen van de betreffende bankrekening in Peru. Nagenoeg het gehele bedrag is inmiddels weer in het bezit van het ITC.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het vertrouwen van zijn werkgever met zijn strafbare handelen in ernstige mate heeft geschaad, met name gelet op de hoogte van het bedrag. Een dergelijke handelswijze rechtvaardigt in beginsel een forse onvoorwaardelijke strafoplegging. De rechtbank heeft er echter acht op geslagen dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen en aannemelijk lijkt dat dit een eenmalige actie was van verdachte. Hij heeft snel openheid van zaken gegeven richting zijn werkgever omtrent zijn handelen en de rekening in Peru opgeheven zodat het overgemaakte geld teruggestort zou worden. Voorts heeft het strafbare handelen voor verdachte het negatieve gevolg gehad dat hij door zijn werkgever is ontslagen en dat het hem niet is gelukt om in Nederland een nieuwe baan te vinden, althans te behouden, terwijl hij wel een gezin bestaande uit zijn vrouw en een klein kind te onderhouden heeft. Thans bevindt verdachte zich volgens zijn raadsman in Peru.

Alles afwegende is naar het oordeel van de rechtbank een flinke werkstraf een passende sanctie. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is geëist doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de hiervoor genoemde omstandigheden. Wel zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen teneinde verdachte te weerhouden van het begaan van nieuwe strafbare feiten.

Dat verdachte zich mogelijk in Peru bevindt, is voor de rechtbank geen reden af te zien van het opleggen van een werkstraf. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat verdachte niet in staat is voor het uitvoeren van de werkstraf terug te keren naar Nederland. Naar verwachting zijn over de wijze van uitvoering van de werkstraf passende afspraken te maken. Oplegging van een onvoorwaardelijke of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf doet geen recht aan de feiten, terwijl verdachte zich door vertrek naar het buitenland niet aan een werkstraf moet kunnen onttrekken.

9. De schade van benadeelden

9.1 De vordering van de benadeelde partij

Universiteit Twente, gevestigd te Enschede aan de Drienerlaan 5, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 47.359,29, (zevenenveertigduizend driehonderd negenenvijftig euro en negenentwintig eurocent). Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2 De standpunten van de officier van justitie en de verdachte

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu er reeds een civiele procedure aanhangig is ten aanzien van deze vordering. De behandeling van de vordering levert derhalve volgens hem een onevenredige belasting op van dit strafgeding. Voor het geval de vordering inhoudelijk behandeld wordt, vordert de officier van justitie toewijzing van de door de benadeelde partij gevorderde boekingskosten ten bedrage van € 327,57 en de rente ten bedrage van € 5.160,06, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij ten aanzien van de resterende vordering.

Namens verdachte is aangevoerd dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding, gelet op de aanhangig gemaakte civiele procedure.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu zij van oordeel is dat de behandeling van de vordering gelet op de aanhangige civiele procedure een onevenredige belasting oplevert van dit strafgeding.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair:

het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uren;

- beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, te weten 3 dagen oftewel 6 uren taakstraf, zodat resteren 234 uren taakstraf, te vervangen door 117 dagen hechtenis;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: Universiteit Twente, gevestigd te Enschede aan de Drienerlaan 5, in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Van Wees, voorzitter, mr. H. Stam en mr. B. Maresch-Evers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J.S. Koekkoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2011.

mr. Maresch-Evers is

buiten staat te tekenen