Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ2936

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
114849 / HA ZA 10-1006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. De rechtbank concludeert dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 5 lid 1 sub a EEX juncto artikel 57 lid 1 sub a CISG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 114849 / HA ZA 10-1006

datum vonnis: 20 april 2011 (g)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

mr. Fredrikus Kolkman q.q.,

in diens hoedanigheid als curator in het faillissement van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid SUPPORTPLUS EUROPE B.V., SUPPORTPLUS BENELUX B.V. EN SP PRODUCTS B.V.

kantoor houdende te Wierden,

eiser in de hoofdzaak,

incidenteel verweerder,

verder te noemen de curator,

advocaat: mr. F. Kolkman te Wierden.

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

gedaagde in de hoofdzaak,

incidenteel eiseres,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. R. de Lange te Zevenaar,

Het procesverloop

In de hoofdzaak en in het incident

De curator heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

[Gedaagde] heeft bij incidentele conclusie van eis de onbevoegdheid van de rechtbank ingeroepen.

De curator heeft geantwoord op de exceptie van onbevoegdheid en geconcludeerd tot afwijzing.

Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd in het incident.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In de hoofdzaak

1. Bij dagvaarding vordert de curator [gedaagde], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 146.762,93, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 122.300,76 vanaf 1 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en betaling van de kosten in het geding, te vermeerderen met de nakosten.

2. De curator stelt daartoe dat hij optreedt in diens hoedanigheid als curator in het faillissement van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid SupportPlus Europe B.V., SupportPlus Benelux B.V. en SP Product B.V. (hierna tezamen in enkelvoud te noemen SupportPlus). SupportPlus heeft voorafgaand aan het faillissement in opdracht en voor rekening van [gedaagde] diverse goederen geleverd aan [gedaagde]. Op 6 mei 2008 had SupportPlus nog een bedrag van € 122.300,76 van [gedaagde] tegoed. Op 13 mei en 3 juni 2008 heeft [gedaagde] een tweetal deelbetalingen van € 1000,- gedaan. Ook na sommatie en aanmaning van [gedaagde] heeft SupportPlus het resterende bedrag niet ontvangen. De curator vordert nakoming van de verbintenis tot betaling van de door Kolkman aan [gedaagde] geleverde goederen. Voorts maakt de curator aanspraak op vergoeding van de kosten buiten rechte, welke kosten bestaan uit de buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van het rapport Voor-Werk II wordt deze schade gesteld op € 2.842,-. Tevens vordert [gedaagde] wettelijke handelsrente. De verschuldigde rente tot 1 mei 2010 bedraagt € 23.620,17. Daarmee bedraagt het totaal van de vordering € 146.762,93, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente na 1 mei 2010. Het verweer van [gedaagde], dat zij met één van de directeuren een akkoord had gesloten inhoudende dat met de betaling van € 20.000 op 12 november 2007 haar schuld aan SupportPlus finaal gekweten zou zijn, wordt door de curator ontkend en betwist.

In het incident

3. De exceptie van onbevoegdheid is tijdig en op de juiste wijze voorgesteld.

4. In het incident staat ter beoordeling de vraag of deze rechtbank bevoegd is van het geschil kennis te nemen. [eiseres] stelt daaromtrent dat bij dit geschil twee partijen uit verschillende EU lidstaten betrokken zijn, zodat de bevoegdheid van de rechter bepaald dient te worden aan de hand van Verordening (EG) 44/2001 van de Raad van 22 november 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna te noemen EEX). [eiseres] stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 2 EEX de Duitse rechter bevoegd is. Voorts stelt [eiseres] dat artikel 5 lid 1 EEX, een alternatieve bevoegdheid kan scheppen, maar in casu niet van toepassing is, omdat er geen overeenkomst is gesloten die tot de in de hoofdzaak bedoelde geldvordering kan leiden. Ter onderbouwing hiervan stelt [eiseres] dat de dagvaarding geen duidelijkheid schept over de vraag welk vennootschap de eisende partij is en op welke zaken, welke leveringen en welke facturen de vordering ziet. Voorts betwist [eiseres] dat de het gaat om roerende zaken die in Nederland geleverd zijn. [eiseres] erkent zaken te hebben gedaan met SupportPlus, maar levering heeft, in ieder geval deels, in Duitsland plaatsgevonden. Voorts blijkt uit de dagvaarding niet op welke zaken de overeenkomst betrekking zou hebben, zodat de plaats van levering niet bepaald kan worden.

5. De curator brengt hier tegen in dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 5 lid 1 EEX. Reeds in de dagvaarding is gesteld dat er sprake is van een overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken en dat de plaats van levering aan de hand van Nederlands recht bepaald moet worden. De curator merkt daarbij op dat de leveringen ‘af magazijn’ geschieden. De goederen werden sinds eind december 2006 door [eiseres] opgehaald in het magazijn van SupportPlus in Enschede. Daarmee is naar het oordeel van de curator op grond van artikel 3:90 lid BW dan wel artikel 31 Verdrag der Verenigde Naties inzake de internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken; Wenen, 11 april 1980 (hierna CISG) vast komen te staan dat levering in Nederland heeft plaatsgevonden. Voorts stelt de curator dat de koopprijs op grond van artikel 6:116 lid 1 BW dan wel artikel 57 CISG in Nederland voldaan moet worden, zodat ook op deze grondslag de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

6. Het geding spitst zich toe op de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 5 lid 1 EEX. Artikel 5 lid 1 EEX luidt:

Artikel 5

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b) voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

6.1. De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er sprake is van een overeenkomst tussen [eiseres] en SupportPlus. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Effer/Kantner (HvJ EG 4 maart 1982, NJ 1983, 508) besloten dat de nationale rechter in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid krachtens het EEX, indien het bestaan van de overeenkomst waaruit de gestelde verbintenis voortvloeit door de gedaagde partij wordt betwist, het bestaan van de aan de overeenkomst zelf ten grondslag liggende elementen kan beoordelen. Daarbij overweegt de rechtbank dat mede gezien het uitgangspunt van de wetgever een incidentele vordering slechts aanleiding kan geven tot een beperkt partijdebat (in die zin ook Rb. Rotterdam 20 maart 1997, NIPR 1997 nr. 265).

[eiseres] heeft in paragraaf 8 van haar incidentele conclusie van eis betwist dat er een koopovereenkomst tussen de partijen ten grondslag ligt aan de vordering van de curator. Deze stelling is niet zonder meer begrijpelijk gezien de mededeling van [eiseres] in paragraaf 10 van diezelfde incidentele conclusie van eis, namelijk dat [eiseres] zaken heeft gedaan met SupportPlus. Voorts heeft de curator de in de dagvaarding gestelde overeenkomst tussen partijen tot verkoop van roerende zaken met producties onderbouwd. Uit de producties blijkt dat het een vordering van SP Products BV jegens [eisres] betreft en [eisres] verschillende betalingen heeft gedaan aan SupportPlus. Uit de in de dagvaarding overgelegde email (productie 5) leidt de rechtbank af dat [eisrees] wist dat de overeenkomst de levering van roerende zaken betrof. Op grond van het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de stelling van [eiseres] dat een overeenkomst betreffende de verkoop van roerende zaken tussen SupportPlus en [eisres] zou ontbreken, verworpen dient te worden.

6.2. De tweede vraag die de rechtbank dient te beoordelen is waar de overeenkomst is uitgevoerd. Daarbij geldt het in sub b van artikel 5 lid 1 EEX geformuleerde vermoeden dat indien het de verkoop van roerende zaken betreft, dit de plaats van levering is. [eiseres] heeft gesteld dat de plaats van levering niet bepaald kan worden omdat de dagvaarding onvoldoende duidelijk de inhoud van de overeenkomst beschrijft en dat, voor zover er is geleverd, dit in ieder geval ook deels in Duitsland heeft plaatsgevonden. De curator heeft dit betwist. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat in de overeenkomst een plaats van levering is afgesproken, zodat teruggevallen moet worden op de in sub a geformuleerde hoofdregel van artikel 5 lid 1 EEX.

6.3. Op grond van artikel 5 lid 1 sub a EEX dient de plaats waar de verbintenis uitgevoerd is of moet worden uitgevoerd bepaald wordt aan de hand van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt. In casu is dit de betaling van de koopprijs. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in het Tessili-Dunlop arrest (HvJ 6 oktober 1976, zk 12/76, NJ 1997,169) bepaald dat de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd wordt vastgesteld overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter de litigieuze verbintenis beheerst.

Aangezien het een koopovereenkomst voor de verkoop van roerende zaken betreft, die is gesloten tussen twee commerciële partijen die beide gevestigd zijn in een andere staat en deze staten beide partij zijn bij het CISG, geeft dit verdrag het op de overeenkomst toepasselijke recht. Nu niet is gebleken dat partijen een plaats van betaling van de koopprijs zijn overeengekomen, is op grond van artikel 57 lid 1 sub a CISG de plaats van betaling de plaats van vestiging van de verkoper. De verkoper, SP Products BV, is blijkens productie 1 van de dagvaarding gevestigd in Oldenzaal Nederland.

De rechtbank concludeert dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 5 lid 1 sub a EEX juncto artikel 57 lid 1 sub a CISG.

7. De rechtbank zal op grond van het bovenstaande de door [eiseres] opgeworpen exceptie van onbevoegdheid verwerpen.

8. [eiseres] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding te worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

9. Gelet op hetgeen is overwogen in het incident zal de rechtbank de hoofdzaak verwijzen naar de rol.

De beslissing

In het incident

De rechtbank:

I. wijst de vordering van [eiseres] af.

II. veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 452,- aan salaris van de advocaat.

In de hoofdzaak

De rechtbank:

III. stelt [gedaagde] in de gelegenheid te concluderen voor antwoord in de hoofdzaak en verwijst de zaak hiervoor naar de rol van woensdag 18 mei 2011.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en op 20 april 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.