Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BQ2771

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
89625 HA ZA 07-980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verrekening artikel 53 en 54 Faillissementswet

pauliana artikel 42 Faillissementswet en bestuurdersaansprakelijkheid

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 42
Faillissementswet 43
Faillissementswet 53
Faillissementswet 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/297 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 89625 HA ZA 07-980

datum vonnis: 13 april 2011 (AL)

Vonnis van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

mr. Ronald Johannes Lindeboom q.q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement

van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Buigcentrale Noord-Holland B.V. (verder te noemen: Buigcentrale),

eiser,

verder te noemen: Lindeboom q.q.,

advocaat: mr. R.J. Lindeboom te Goor,

tegen

1. [gedaagde 1]

verder te noemen: [gedaagde 1],

gevestigd te [plaats]

2. [gedaagde 2].,

verder te noemen: [gedaagde 2].,

gevestigd te [plaats],

3. [gedaagde 3],

wonende te [plaats] en [land],

verder te noemen: [gedaagde 3],

gedaagden,

verder gezamenlijk te noemen: [gedaagden],

advocaat: mr. J.W. Kobossen te Nijmegen.

Het procesverloop

De rechtbank neemt hier over hetgeen met betrekking tot het procesverloop in het tussenvonnis van 17 maart 2010 is overwogen en beslist.

Op 19 augustus 2010 heeft een comparitie van partijen plaatsvonden. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de processtukken bevindt. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

Op 16 februari 2011 hebben Lindeboom q.q. en [gedaagden] een akte na comparitie genomen.

[gedaagden] heeft op 2 maart 2011 een akte uitlating producties genomen.

Het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil, de motivering en de beslissing

1.

De rechtbank neemt hier over hetgeen zij in haar tussenvonnis van 17 maart 2010 heeft overwogen en beslist.

Feiten

2.

Naast de feiten die in rechtsoverweging 5. van het tussenvonnis van 17 maart 2010 worden genoemd, staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties vast dat Lindeboom q.q. bij brief van

19 januari 2007 de overdracht van materiële activa door Buigcentrale aan [gedaagde 1] en de overname van de activiteiten en klanten van Buigcentrale door [gedaagde 1] buitengerechtelijk heeft vernietigd.

Goodwill

3.

Lindeboom q.q. heeft zijn vorderingen onder meer gebaseerd op de stelling dat Buigcentrale in 2002 haar activiteiten en klanten heeft overgeheveld naar [gedaagde 1], zonder dat [gedaagde 1] daarvoor een normale gebruikelijke vergoeding (goodwill) heeft betaald.

Volgens Lindeboom q.q. dient de waarde van de, niet betaalde, goodwill in redelijkheid te worden gesteld op een bedrag van € 50.000,--.

4.

Met betrekking tot de bewijslast die uit zijn stelling voortvloeit heeft Lindeboom q.q. gesteld dat “uit enige bijzondere regel, danwel uit de eisen van redelijkheid en billijkheid”, een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Ter staving van dat standpunt heeft Lindeboom q.q., zakelijk weergegeven, aangevoerd dat zowel Buigcentrale als [gedaagde 1] staalleveranties verrichtten en vaststaat dat [gedaagde 1] op

31 oktober 2002 de materiële activa van Buigcentrale heeft overgenomen, zodat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat [gedaagde 1] voorafgaand aan het faillissement van Buigcentrale ook de activiteiten en de klanten van Buigcentrale heeft overgenomen.

5.

Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat [gedaagde 1] de materiële activa van Buigcentrale heeft overgenomen, geen reden om de bewijslast met betrekking tot de activiteiten en overdracht van klanten om te draaien in die zin dat het aan [gedaagde 1] zou zijn om aan te tonen dat zij géén klanten en activiteiten van Buigcentrale heeft overgenomen.

6.

Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

Lindeboom q.q. heeft niet gesteld welke klanten en welke activiteiten door Buigcentrale aan [gedaagde 1] zouden zijn overgedragen.

[gedaagde 1] heeft betwist dat zij activiteiten en klanten van Buigcentrale zou hebben overgenomen. Ter staving van haar stelling heeft [gedaagde 1] als productie 5 bij conclusie van dupliek een lijst van haar klanten over de jaren 2002, 2003 en 2004 in het geding gebracht. De juistheid van die lijst is door Lindeboom q.q. onvoldoende gemotiveerd betwist. Op grond van de vergelijking van die lijst met de lijst van klanten van Buigcentrale, die als productie 6 bij conclusie van repliek door Lindeboom q.q. in het geding is gebracht, komt de rechtbank tot de conclusie dat in 2002 het overgrote deel van de klanten van Buigcentrale eveneens klant was van [gedaagde 1]. De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat Lindeboom q.q. zijn stelling dat [gedaagde 1] (de) klanten van Buigcentrale heeft overgenomen, onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts heeft Lindeboom q.q. zijn stelling dat de waarde van de goodwill van Buigcentrale eind 2002 circa € 50.000,-- zou hebben bedragen, niet, althans onvoldoende gemotiveerd onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen van

Lindeboom q.q., voor zover die zijn gebaseerd op de stelling dat [gedaagde 1] de klanten en de activiteiten van Buigcentrale zou hebben overgenomen zonder daarvoor aan Buigcentrale een redelijk bedrag aan goodwill te vergoeden, dienen te worden afgewezen.

Deugdelijke vordering en verrekening

7.

Lindeboom q.q. heeft gesteld dat er geen sprake was van een (deugdelijke) vordering van [gedaagde 1] op Buigcentrale en [gedaagde 1] de koopprijs van de materiële vaste activa derhalve niet heeft kunnen verrekenen. Voorts heeft Lindeboom q.q. gesteld dat zelfs indien er wel sprake zou zijn geweest van een dergelijke vordering, [gedaagde 1] bij de overname van de materiële vaste activa niet te goeder trouw heeft gehandeld en om die reden, gelet op het bepaalde in de artikelen 53 en 54 Faillissementswet, niet bevoegd was de koopprijs van de materiële vaste activa te verrekenen.

8.

Met betrekking tot deze stellingen van Lindeboom q.q. overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 53 Faillissementswet heeft betrekking op verrekening nà faillissement. In dit geval heeft verrekening plaatsgevonden vóór de datum van het faillissement, zodat dat artikel niet van toepassing is.

Het bepaalde in artikel 54 Faillissementswet ziet op de situatie dat er sprake is van een overgenomen vordering. Die situatie doet zich hier niet voor.

Gelet op het vorenstaande dient de stelling van Lindeboom q.q. dat [gedaagde 1] op grond van het bepaalde in de artikelen 53 en 54 faillissementswet niet bevoegd was de koopprijs van de materiële vaste activa met de gestelde vordering te verrekenen, te worden verworpen.

9.

Met betrekking tot de stelling van Lindeboom q.q. dat geen verrekening plaats heeft kunnen vinden vanwege het feit dat [gedaagde 1] op 31 oktober 2002 geen (deugdelijke) vordering op Buigcentrale had, overweegt de rechtbank het volgende.

De door [gedaagde 1] verrichte verrekening is door haar gebaseerd op de tussen haar en Buigcentrale bestaande rekening courant verhouding.

Lindeboom q.q. beschikt, als curator, over de gehele administratie van Buigcentrale.

Voor zover de administratie van Buigcentrale daartoe onvoldoende zou zijn geweest, had hij inlichtingen in kunnen winnen bij [gedaagden]

[gedaagden] hebben evenwel, onbetwist, gesteld dat Lindeboom q.q. bij hen met betrekking tot het verloop van de financiële mutaties tussen Buigcentrale en [gedaagde 1], geen inlichtingen heeft ingewonnen.

Hoewel Lindeboom q.q., gelet op het vorenstaande, geacht moet worden in staat te zijn om precies aan te geven wat volgens hem op 31 oktober 2002 (de datum waarop de verrekening heeft plaatsgevonden) de stand was van de rekening courant verhouding tussen [gedaagde 1] en Buigcentrale, heeft hij dat nagelaten.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat Lindeboom q.q. zijn stelling dat er op 31 oktober 2002 aan de verrekening geen (deugdelijke) vordering van [gedaagde 1] op Buigcentrale ten grondslag zou hebben gelegen, onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Die stelling dient derhalve te worden verworpen.

Paulianeus handelen

10.

Lindeboom q.q. heeft aan zijn vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat

[gedaagden] met betrekking tot de overdracht van de materiële activa, en de door hem gestelde overdracht van de activiteiten en de klanten van Buigcentrale aan [gedaagde 1], paulianeus in de zin van artikel 42 Faillissementswet, zouden hebben gehandeld.

Met betrekking tot de daarvoor vereiste wetenschap van benadeling heeft Lindeboom q.q. gesteld dat, hoewel de periode tussen de datum van het verrichten van de rechtshandelingen de datum van het faillissement meer is dan één jaar, het bewijsvermoeden als bedoeld in artikel 43 Faillissementswet zou moeten gelden. Volgens Lindeboom q.q. heeft dat tot gevolg dat het niet aan hem is om te bewijzen dat de aan het slot van de eerste volzin van

artikel 42 lid 1 Faillissementswet bedoelde wetenschap van benadeling aan de zijde van Buigcentrale en [gedaagde 1] bestond, maar dat het aan [gedaagden] is om te bewijzen

dat die wetenschap aan de zijde van Buigcentrale en [gedaagde 1] nìet bestond.

11.

Met betrekking tot de stelling van Lindeboom q.q. overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de wetsgeschiedenis valt wellicht af te leiden dat de opsomming van situaties die wordt gegeven in artikel 43 lid 1 sub 1 tot en met sub 6 van de Faillissementswet, niet limitatief is bedoeld.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel niet dat de in artikel 43 lid 1 Faillissementswet genoemde termijn van één jaar een vrijblijvende termijn is, die, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, uitgebreid zou kunnen worden tot een periode van langer dan één jaar.

De stelling van Lindeboom q.q. dient derhalve te worden verworpen.

12.

Lindeboom q.q. heeft in verband met het vereiste van de wetenschap van benadeling, voorts gesteld dat het enkele feit dat alle activa (en activiteiten) van Buigcentrale werden overgedragen er slechts toe kon leiden dat die onderneming ten dode was opgeschreven en dat daardoor de schuldeisers berooid zouden achterblijven.

13.

Met betrekking tot die stelling overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het bepaalde in artikel 42 lid 2 van de Faillissementswet volgt dat de rechtshandeling waarbij de materiële activa door Buigcentrale aan [gedaagde 1] werden overgedragen, slechts kan worden vernietigd indien zowel Buigcentrale als [gedaagde 1] wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de (overige) schuldeisers het gevolg zou zijn.

Van een dergelijke wetenschap van benadeling kan alleen dan sprake zijn indien zowel Buigcentrale als [gedaagde 1], op het moment dat de rechtshandeling werd verricht, wisten of behoorden te weten dat Buigcentrale in een zodanige financiële situatie verkeerde dat de overige crediteuren niet voldaan zouden kunnen worden en dat ten gevolge van de rechtshandeling de verhaalsmogelijkheden van de overige crediteuren zou worden beperkt.

[gedaagden] hebben gesteld dat het resultaat van Buigcentrale over 2002 positief was, dat het crediteurenbestand beperkt was, en dat er op dat moment geen aanwijzing was dat Buigcentrale in een faillissementstoestand zou komen te verkeren.

Deze stellingen zijn door Lindeboom q.q. niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, betwist.

Met betrekking tot de financiële situatie van Buigcentrale op het moment dat de materiële activa werden overgedragen (eind oktober 2002) heeft Lindeboom q.q. onvoldoende gemotiveerd gesteld dat duidelijk was, of had moeten zijn, dat de overige schuldeisers van Buigcentrale niet meer voldaan zouden kunnen worden.

Tenslotte heeft [gedaagden] gesteld dat [gedaagde 1] de aan haar overgedragen activa om niet in het bezit en het gebruik van Buigcentrale heeft gelaten. Ook deze stelling van [gedaagden] heeft Lindeboom q.q. onvoldoende gemotiveerd betwist.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat Buigcentrale en [gedaagde 1] wisten of behoorden te weten dat als gevolg van de overdracht van de materiële activa van Buigcentrale aan [gedaagde 1] benadeling van de (overige) schuldeisers het gevolg zou zijn, zodat die rechtshandeling niet paulianeus is in de zin van artikel 42 van de Faillissementswet. Daaruit volgt dat de vorderingen van

Lindeboom q.q., voor zover die zijn gebaseerd op de stelling dat die rechtshandeling paulianeus was, dienen te worden afgewezen.

Bestuurdersaansprakelijkheid

14.

[gedaagden] heeft gesteld dat zij het bezit en het gebruik van de door Buigcentrale aan [gedaagde 1] overgedragen materiële activa om niet aan Buigcentrale heeft gelaten.

Lindeboom q.q. heeft die stelling bij gebrek aan wetenschap betwist.

15.

Met betrekking tot de stelling van [gedaagden] overweegt de rechtbank het volgende.

Lindeboom q.q. heeft gesteld dat de rekening courant verhouding op 1 december 2002

€ 95.142,-- in het voordeel van [gedaagde 1] bedroeg.

[gedaagden] heeft gesteld dat die verhouding op 31 december 2002 was opgelopen tot een bedrag van € 127.940,31 in het voordeel van Buigcentrale. Dit is door Lindeboom q.q. niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van de juistheid van die stelling uit zal gaan.

Uit het vorenstaande trekt de rechtbank de conclusie dat Buigcentrale in december 2002 omzet moet hebben gerealiseerd. Tussen partijen staat vast dat Buigcentrale ook in 2003 omzet heeft gerealiseerd. Niet valt in te zien op welke wijze die omzet gerealiseerd zou kunnen zijn, indien alle materiële activa van Buigcentrale daadwerkelijk aan [gedaagde 1] zouden zijn overgedragen.

Voorts heeft Lindeboom q.q. gesteld dat [gedaagde 1] wel de materiële activa van Buigcentrale heeft overgenomen, maar niet het personeel.

Lindeboom q.q. heeft niet gesteld dat dat personeel na de overdracht van de materiële activa, die op 30 oktober 2002 heeft plaatsgevonden, in de laatste maanden van 2002 dan wel in 2003 is ontslagen. Voorts stelt Lindeboom q.q. enerzijds dat alle materiële activa van Buigcentrale aan [gedaagde 1] zouden zijn overgedragen, maar anderzijds geeft hij niet aan met welke materiële activa het personeel van Buigcentrale in dat geval dan haar werkzaamheden in de maanden november en december 2002 en in het jaar 2003 zou hebben verricht.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de stelling van [gedaagde 1] dat zij weliswaar in oktober 2002 de materiële activa van Buigcentrale heeft overgenomen, maar dat zij die vennootschap (om niet) het bezit en het gebruik van die activa heeft gelaten, juist is. Uitgaande van de juistheid van die stelling, valt niet in te zien dat de overdracht van de materiële activa een belangrijke oorzaak van het faillissement van Buigcentrale kan zijn geweest. Lindeboom q.q. heeft voorts niet gesteld dat zònder de overdracht van de materiële activa en de (door hem gestelde) overdracht van de klanten, géén faillissement van Buigcentrale zou hebben plaatsgevonden.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat van het voor het aannemen van bestuurlijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) vereiste causale verband tussen de gewraakte rechtshandeling en het faillissement van Buigcentrale, niet is gebleken.

Aangezien Buigcentrale ook na de overdracht van de materiële activa daarover de beschikking heeft gehouden, valt niet in te zien dat [gedaagde 3] dan wel Exploitatie. Mij. door aan die rechtshandeling mee te werken, hun taken als bestuurder op een onbehoorlijke wijze zouden hebben vervuld. Daaruit volgt dat zij niet op grond van het bepaalde in de artikelen 2:9 BW dan wel 6:162 BW als bestuurder voor die rechtshandeling aansprakelijk zijn.

Gelet op het vorenstaande dient de vordering van Lindeboom q.q., voor zover die is gebaseerd op de door hem gestelde bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde 3] en

Exploitatie. Mij., te worden afgewezen.

Proceskosten

Lindeboom q.q. dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.

De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van [gedaagden] als volgt:

verschotten:

griffierecht: € 4.732,--

advocaatkosten:

conclusie van antwoord 1 punt

comparitie van partijen 1 punt

conclusie van dupliek 1 punt

akte d.d 2 maart 2011 ½ punt

---------

totaal 3,5 x € 2.000,-- = € 7.000,--

RECHDOENDE:

de rechtbank:

I

wijst de vorderingen van Lindeboom q.q. af;

II

veroordeelt Lindeboom q.q. in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 4.732,-- (vierduizend zevenhonderd tweeëndertig euro) aan verschotten en € 7.000,-- (zevenduizend euro) aan advocaatkosten.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Lemain, Melaard en Bottenberg-Van Ommeren en op 13 april 2011 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.