Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP9014

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
118844 / KG ZA 11-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde leent € 18.000,00 van eiser voor de oprichting van een vennootschap, maar gebruikt het geld daar niet voor. Gedaagde erkent de vordering, reden waarom de voorzieningenrechter aan de hand van de criteria van de HR voor toewijzing van een geldvordering in kort geding, over gaat tot volledige toewijzing van het gevorderde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 118844 / KG ZA 11-57

datum vonnis: 18 maart 2011 (gww)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. A. Arslan te Zwolle,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

in persoon verschenen.

Het procesverloop

[eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 11 maart 2011. Ter zitting zijn verschenen: [eiser], vergezeld door mr. Arslan en [gedaagde]. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

- Partijen hebben op 3 januari 2011 een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 18.000,00 heeft geleend. Tevens is overeengekomen dat [gedaagde] dit bedrag uiterlijk op 8 februari 2011 inclusief de verschuldigde rente van 5% per jaar aan [eiser] terug zou betalen. Van de overeenkomst is een notariële akte opgemaakt.

De vordering van [eiser] en zijn onderbouwing daarvan

2. Bij dagvaarding vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 18.000,00, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

2.1 [eiser] stelt daartoe dat partijen de bedoeling hebben gehad om een gezamenlijke onderneming te starten, waartoe zij gezamenlijk – via hun eigen holdingmaatschappij – een besloten vennootschap wilden oprichten. Voor de oprichting van zijn persoonlijke vennootschap had [gedaagde] echter een bedrag van € 18.000,00 nodig. Dat geld had hij niet, aldus [eiser], waarop is afgesproken dat [eiser] dit bedrag aan [gedaagde] zou lenen. Dat is ook gebeurd. [gedaagde] heeft zijn persoonlijke vennootschap echter nimmer opgericht. Evenmin is de gezamenlijke vennootschap opgericht. Op de afgesproken datum is [gedaagde] niet overgegaan tot afbetaling van het geleende bedrag. Om die reden heeft [eiser] thans recht en spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening als gevorderd. Het spoedeisend belang is volgens [eiser] hierin gelegen dat hij op zijn beurt ook het bedrag van € 18.000,00 van de bank heeft geleend en zich eveneens heeft verbonden om dit bedrag op korte termijn terug te betalen. Dat is door de wanprestatie van [gedaagde] niet gelukt, maar daardoor verbeurt [eiser] thans maandelijks een rente bovenop de hoofdsom van € 18.000,00.

Het verweer van [gedaagde]

3. [gedaagde] erkent dat hij een bedrag van € 18.000,00 aan [eiser] verschuldigd is. Hij kan het echter niet terugbetalen. [gedaagde] zou voornoemd bedrag terugbetalen uit de gerealiseerde overwaarde van zijn inmiddels verkochte woning, maar deze overwaarde is ten dele aangewend ter aflossing van schulden aan zijn moeder en ook ten dele vergokt.

De overwegingen van de voorzieningenrechter

4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt de vordering van [eiser] voor toewijzing gereed, nu voldoende aannemelijk is geworden dat de vordering voldoet aan de eisen die de Hoge Raad heeft gesteld aan de toewijzing van een geldvordering in kort geding. Zo is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft dat noopt tot het treffen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad. [eiser] heeft zelf immers het door hem aan [gedaagde] geleende bedrag ook geleend en is over dat bedrag maandelijks rente verschuldigd. Bovendien moet de vordering van [eiser] op [gedaagde] door de erkenning van laatstgenoemde als vaststaand worden beschouwd. Het restitutierisico moet dan ook als zeer gering worden beschouwd.

4.1 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen het bedrag van € 18.000,00 (achttienduizend euro).

II. Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 678,81 (zeshonderdachtenzeventig 81/100 euro) aan verschotten en

€ 527,00 (vijfhonderdzevenentwintig euro) aan salaris van de advocaat.

III. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.