Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP8384

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
AWB 10/300 LEGGW A
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Er is geen sprake van een onredelijke of willekeurige belastingheffing. Voorts kan het beroep op de hardheidsclausule (artikel 63 Awr) eiseres niet baten. Het college van B&W is niet een partij, die is betrokken bij dit geschil, en verder is ook geen besluit als bedoeld in artikel 63 Awr in het geschil, zodat de rechtbank zich daarover niet kan uitlaten. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake is van beleid. Tot slot is de hoogte van de bouwkosten in geschil. Eiseres heeft de in de bouwaanvraag opgegeven bouwsom van € 2.522.400,-- niet onderbouwd. Niet is derhalve voldaan aan de definitie van bouwkosten als opgenomen onder 5.1 van de Tarieventabel. Verweerder was derhalve bevoegd de bouwkosten te ramen overeenkomstig 5.1 van de Tarieventabel. Verweerder heeft de bouwkosten gebaseerd op de Correctierichtlijn. De bouwkosten zijn geraamd op een bedrag van € 6.102.675,75. De bouwkosten zijn vervolgens nagerekend en kwamen, in verband met andere afmetingen, uit op een hoger bedrag, te weten een bedrag van € 7.088.129,37. Verweerder heeft vervolgens het lagere bedrag als bouwkosten aangehouden. Verweerder acht dit reeel aangezien de te bouwen stal veel groter is dan de stallen waarop de in de Correctierichtlijn genoemde eenheidsprijzen zijn gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de raming in overeenstemming met de definitie van bouwkosten zoals die door verweerder wordt gehanteerd. Eiseres is vervolgens, naar aanleiding van haar stellingen ter zitting, in de gelegenheid gesteld de hoogte van de bouwkosten te bestrijden. Hiertoe heeft zij verweerder een berekening van de bouwkosten toegezonden, waarin het bedrag aan bouwkosten is geraamd op € 2.958.260,--, alsmede een offerte van een aannemingsbedrijf, waarin een bedrag aan bouwkosten van € 3.076.232,71 staat opgenomen. Deze stukken heeft verweerder voorgelegd aan het Nederlands Bouwkosten Instituut (NBI). Deze heeft een raming opgesteld, welke raming uitkomt op een bedrag van € 5.601.204,--. Tevens heeft het NBI een aantal op- en aanmerkingen gemaakt over de door eiseres overgelegde offerte van het aannemingsbedrijf. De rechtbank overweegt dat met de offerte van het aannemingsbedrijf geen sprake is van een aannemingssom als bedoeld in 5.1 van de Tarieventabel en evenmin van een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631, zoals is genoemd in 5.1 van de Tarieventabel. De rechtbank betrekt daarbij de op- en aanmerkingen van het NBI over de offerte. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres ook in de beroepsfase niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een (lagere) aannemingssom en/of (lagere) raming van de bouwkosten. Verweerder heeft vervolgens nog bekeken of het verschil tussen de door het NBI gegeven raming van de bouwkosten en de bouwkosten waar verweerder van uit gaat, welke bouwkosten hoger zijn, aanleiding geeft om de legesberekening alsnog te herzien, maar ziet daartoe geen aanleiding. Naar het oordeel van de rechttbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat uitgegaan moet worden van de door hem op grond van de Correctierichtlijn geraamde bouwkosten. De rechtbank neemt daarbij eerst hetgeen verweerder eerder heeft overwogen aangaande de totstandkoming van de bouwkosten op basis van de Correctierichtlijn in aanmerking. Hieruit volgt dat in het geval als waarvan hier sprake is, de bouw van een stal van een relatief zeer grote omvang ten opzichte van de omvang van regionaal gebruikelijke vleesvarkensstallen waarop de in de Correctierichtlijn genoemde eenheidsprijzen zijn gehanteerd, deze Correctierichtlijn slechts kan worden beschouwd als een (ruwe) benadering van de bouwkosten. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zelf het NBI heeft benaderd om de bouwkosten te ramen en het NBI, een deskundige op het gebied van bouwkosten, vervolgens uitkomt op een lager bedrag dan waar verweerder van uit gaat. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bouwkosten ten onrechte heeft vastgesteld en gehandhaafd op een bedrag van € 6.102.675,75 en op grondslag daarvan de leges heeft berekend. De uitspraak op bezwaar komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Nu zowel eiseres als verweerder de door hen gestelde bouwkosten niet aannemelijk hebben gemaakt, stelt de rechtbank in goede justitie de bouwkosten vast op € 5.601.204,--, het bedrag zoals dat door het NBI is berekend, en wordt de aanslag leges herroepen en nader vastgesteld op een bedrag van € 50.410,84.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/511
V-N 2012/8.29.19
FutD 2011-0756
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht, enkelvoudige

belastingkamer

Registratienummer: AWB 10/300 LEGGW A

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

Family Farmers B.V., gevestigd te Lierop, eiseres,

gemachtigde: mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft 29 oktober 2009 aan eiseres een aanslag leges opgelegd voor € 55.032,18 in verband met het in behandeling nemen van een aanvraag om bouwvergunning voor het bouwen van een vleesvarkensstal aan de Goossenweg te Hellendoorn.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2010 de aanslag gehandhaafd.

Namens eiseres is daartegen bij brief van 17 maart 2010 beroep ingesteld. Dit beroep is aangevuld bij brief van 16 april 2010.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2010 te Almelo. De gemachtigde van eiseres is daar verschenen. Namens verweerder zijn verschenen de heer G.H. Toonk en mevrouw K. Harting-Ekkel, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

Tijdens de zitting is het onderzoek geschorst. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de zitting stukken aangaande de bouwkosten aan verweerder aan te leveren en verweerder om vervolgens die stukken te beoordelen binnen vier weken en de rechtbank daaromtrent te berichten.

Bij brief van 12 oktober 2010 heeft verweerder de rechtbank bericht over de uitkomst en bij brief van 22 oktober 2010 toestemming gegeven om de behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten.

Bij brief van 27 oktober 2010 heeft de gemachtigde van eiseres hierop gereageerd en daarin tevens toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Verweerder heeft hier bij brief van 9 november 2010 op gereageerd en de toestemming om

de behandeling van het beroep ter zitting achterwege te laten gehandhaafd.

Het onderzoek is vervolgens op 18 november 2010 gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. Op 28 januari 2008, bij verweerder ingekomen op 30 januari 2008, heeft eiseres een aanvraag ingediend voor de bouw van een vleesvarkensstal op het perceel Goossenweg ongenummerd te Nijverdal. Burgemeester en wethouders van verweerders gemeente hebben deze vergunning geweigerd bij besluit van 2 november 2009. Verweerder heeft de aanslag leges in verband met het in behandeling nemen van de aanvraag om verlening van een bouwvergunning opgelegd op 29 oktober 2009.

3. Geschil

In geschil is of verweerder in de uitspraak op bezwaar de aanslag leges van € 55.032,18 terecht heeft gehandhaafd.

Eiseres stelt eerst dat het door verweerder geschatte bedrag van de bouwkosten niet overeen komt met de in de legesverordening bedoelde bouwkosten. De aanneemsom voor de bouw zoals eiseres heeft laten berekenen komt op een bedrag van ten hoogste € 2.522.400,-- waarbij rekening is gehouden met volledige bedrijfsvoering en de bouwwijze. Het bouwen is door efficiëntere bouwmethoden en de marktwerking goedkoper geworden.

Voorts stelt eiseres dat sprake is van een situatie waarin het buitensporige tarief waar verweerder van uit gaat leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De weigering is uitsluitend gebaseerd op strijdigheid met het bestemmingsplan. Op voorhand stond al vast dat de bouwvergunning geweigerd zou worden. Een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag heeft dan ook niet plaatsgevonden. Er was bovendien een zelfstandig verzoek ingediend om het bestemmingsplan te herzien, zodat verweerder dit evenmin behoefde te beoordelen. Verder maakt de van toepassing zijnde verordening het niet mogelijk dat op grond van degressie een aan de zaak recht doende correctie plaatsvindt. Verweerder had de hardheidsclausule moeten toepassen.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot nihil of een zodanig bedrag dat sprake is van een billijke legesheffing.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Hij voert daartoe aan dat de hoogte van de leges is gekoppeld aan de geschatte bouwkosten, welk bedrag nog lager is dan de berekende bouwkosten op basis van ervaring en regionaal daartoe vastgestelde minimale eenheidsprijzen. De door eiseres aangegeven bedragen van de bouwkosten wijken hier zoveel van af dat deze bedragen niet de bouwkosten van het gehele werk bij volledige bedrijfsmatige uitvoering kunnen vertegenwoordigen, waardoor deze bedragen onjuist worden geacht.

Voorts zou naar de mening van verweerder slechts sprake zijn van onverbindendheid van de verordening indien de opbrengsten van alle in de verordening opgenomen diensten gezamenlijk hoger zijn dan de met betrekking tot het verlenen van die diensten gepaard gaande kosten. Dat is niet het geval. Daarnaast is wel sprake van degressie in de tarieventabel. Voorts was het eiseres bekend dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan en is de aanvraag om verlening van de bouwvergunning ingediend zonder het besluit op het verzoek om wijziging van het bestemmingsplan af te wachten. Bovendien is eiseres, toen bekend werd dat het verzoek om herziening van het bestemmingsplan zou worden gewezen, op de gevolgen gewezen voor de aanvraag om verlening van de bouwvergunning en de mogelijkheid die aanvraag in te trekken ter beperking van de daarvoor verschuldigde kosten. Van die mogelijkheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt.

Tot slot bestaat geen aanleiding voor de toepassing van de hardheidsclausule, nu sprake is van een normaal geval.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

De raad van de gemeente Hellendoorn (hierna: de raad) heeft op 13 november 2007 de “Verordening op de heffing en invordering van leges 2008” en de daarbij behorende Tarieventabel vastgesteld. Op grond van artikel 1 van de Legesverordening worden onder de naam “leges” rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en in de daarbij behorende tarieventabel. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Legesverordening worden de leges geheven naar tarieven, opgenomen in de bij de verordening behorende tarieventabel. De bekendmaking heeft plaatsgevonden op 4 december 2007.

De raad heeft op 18 december 2007 de “Eerste wijziging van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2008, vastgesteld door de raad bij besluit van 13 november 2007, nummer 07INT01094” (hierna: de Legesverordening) vastgesteld. Daarbij is hoofdstuk 12 van de Tarieventabel gewijzigd. De bekendmaking hiervan heeft plaatsgevonden op 24 december 2007.

Ingevolge het bepaalde onder 5.1 van de Tarieventabel wordt onder bouwkosten in dit hoofdstuk verstaan de aannemingssom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

Ingevolge het bepaalde onder 5.2.3 van de Tarieventabel bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning, eerste fase, als bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, 0.9 % van de bouwkosten, vermeerderd met € 81,45, indien de bouwkosten hoger zijn dan € 10.000,--.

Ingevolge het bepaalde onder 5.3 van de Tarieventabel wordt teruggaaf verleend van 25% van de betaalde leges, als bedoeld in de artikelen 5.21 tot en met 5.2.4, indien na het in behandeling nemen van de aanvraag om vergunning als bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, onderdelen p en q en artikel 56a, tweede en derde lid, van de Woningwet deze aanvraag wordt ingetrokken.

In artikel 1, eerste lid, van de UAV 1989, is de aannemingssom gedefinieerd als het bedrag waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen, de omzetbelasting daarin niet begrepen.

Onder 3.2 van NEN 2631 wordt onder bouwkosten verstaan: “de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten behoeve van de realisering van een bouwproject tot en met de oplevering van het gebouw of de gebouwen dan wel ten behoeve van verbouwingen. Bouwkosten dienen te worden onderscheiden in kosten aan:

1. het gebouw of de gebouwen, en

2. het terrein.

De bouwkosten, zowel van het gebouw of de gebouwen als van het terrein, dienen te worden verdeeld in kosten voor:

- bouwkundige werken;

- installaties (werktuigbouwkundige en elektrische installaties);

- vaste inrichtingen.”

Voor het bepalen van de bouwkosten gaat verweerder uit van een overzicht, opgesteld door de gezamenlijke gemeenten Almelo, Borne, Dinkelland, Haaksbergen, Hengelo, Hof van Twente, Losser en Oldenzaal, waarin gemiddelde bouwprijzen per soort gebouw zijn aangegeven. Dit betreft de “Correctie(indicatie)richtlijn ter bepaling van de bouwkosten overeenkomstig NEN 2631; (exlusief BTW) per 1 januari 2008 (hierna: de Correctierichtlijn). ”

In geschil is eerst de vraag of in dit geval geen sprake is van een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 augustus 2009 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN BI1943) geoordeeld dat gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, behoudens een hier niet terzake doende uitzondering, zelf invulling kunnen geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten, en dat, gegeven de vrijheid die de wetgever aan de gemeentebesturen heeft willen toekennen bij het kiezen van heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven, een geraamde winst op de leges die bijvoorbeeld bij bouwvergunningen worden geheven, op zichzelf bezien geoorloofd is. Het vorenstaande brengt mee dat onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten niet in strijd zijn met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel

In een eerder arrest heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld dat tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de terzake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband is vereist (zie het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1997, LJN AA3345).

Gelet op deze beide arresten is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het opleggen van een aanslag leges in een concrete zaak, gelet op de door het bestuursorgaan verrichte handelingen, leidt tot een onredelijke of willekeurige belastingheffing. De beoordeling van het tarief vindt immers niet op het concrete niveau van verleende dienst plaats maar op het niveau van het totaal van verleende diensten. Gelet hierop kan de – naar eiseres stelt – onevenredigheid tussen gemaakte kosten en gedane arbeid niet tot de conclusie leiden dat verweerder de aanslag onrechtmatig heeft opgelegd en in de uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.

Voorts overweegt de rechtbank nog dat haar is gebleken dat verweerder eiseres bij brief van 30 juni 2009 heeft gewezen op de zeer waarschijnlijk negatieve uitkomst van de aanvraag en de mogelijkheid heeft gegeven de aanvraag in te trekken op grond waarvan de leges worden verminderd. Deze mogelijkheid staat open gelet op het bepaalde onder 5.3 van de Tarieventabel, maar van deze mogelijkheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt.

De rechtbank overweegt in dit verband overigens nog dat in dit geval enkel leges zijn berekend in verband met het in behandeling nemen van een aanvraag om bouwvergunning en dat dit geen verband houdt met de vraag om herziening van het bestemmingsplan.

Voorts is in geschil of al dan niet tot toepassing van de hardheidsclausule had moeten worden overgegaan.

Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule betreft het verzoek om toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

De in artikel 63 van de Awr neergelegde hardheidsclausule, namelijk de bevoegdheid om voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij toepassing van de belastingwet mochten voordoen, welk artikel gelet op artikel 231 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is inzake de heffing van gemeentebelastingen, komt niet toe aan de rechter, maar is bij gemeentelijke belastingen voorbehouden aan het college van burgemeester en wethouders. De rechtbank verwijst dienaangaande naar een uitspraak van de Hoge Raad van 29 maart 2002 (LJN AE0831).

Nu het college van burgemeester en wethouders niet een partij is, die is betrokken bij dit geschil, en nu verder ook geen besluit als bedoeld in artikel 63 van de Awr in het geschil is, kan de rechtbank zich daarover niet uitlaten.

Slechts indien ter zake van de onderhavige bevoegdheid sprake is van beleid, staat de toepassing daarvan ter beoordeling van de rechter. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat er ter zake geen beleid wordt gevoerd. Het beroep op de hardheidsclausule kan eiseres daarom niet baten.

Tot slot is de hoogte van de bouwkosten in geschil. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres de in de bouwaanvraag opgegeven bouwsom van € 2.522.400,--, bij het ontbreken van een aanneemsom, onvoldoende heeft onderbouwd. Derhalve is niet voldaan aan de definitie van bouwkosten als opgenomen onder 5.1 van de Tarieventabel.

Verweerder was daarom naar het oordeel van de rechtbank bevoegd de leges bouwkosten te ramen overeenkomstig 5.1 van de Tarieventabel. Verweerder heeft deze raming gebaseerd op de Correctierichtlijn. De bouwkosten zijn berekend aan de hand van de door eiseres aangeleverde gegevens op een bedrag van € 6.102.675,75. Deze bouwkosten zijn vervolgens door verweerder nagerekend, waaruit, in verband met andere afmetingen, een ander bedrag aan bouwkosten kwam, te weten een bedrag van € 7.088.129,37. Vervolgens zijn de eerder berekende bouwkosten door verweerder aangehouden als grondslag voor de legesberekening, volgens verweerder omdat dit bedrag lager is dan de later berekende bouwkosten en dit reëel wordt geacht vanwege de zeer grote omvang van de gevraagde te bouwen vleesstal ten opzichte van de omvang van regionaal gebruikelijke vleesvarkensstallen met mestkelders en silo’s, waarop de in de Correctierichtlijn genoemde eenheidsprijzen zijn gehanteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerder gemaakte raming in overeenstemming met de hiervoor opgenomen definitie van bouwkosten zoals die door verweerder wordt gehanteerd.

Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om de hoogte van de aldus vastgestelde bouwkosten te bestrijden door alsnog in bezwaar of in beroep aannemelijk te maken dat er sprake is van een (lagere) aannemingssom en/of (lagere) raming van de bouwkosten. De rechtbank verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2001, LJN ZC4704.

Gelet hierop heeft de rechtbank eiseres, na haar stelling ter zitting dat de berekening van de bouwsom als aangegeven bij de aanvraag tot stand is gekomen door een deskundige, in staat gesteld deze berekening aan verweerder te overleggen om deze te beoordelen.

Namens eiseres is bij brief van 6 september 2010 gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid een raming te overleggen. Aan verweerder is een berekening van de bouwkosten gezonden. Deze berekening is ongedateerd en, in tegenstelling tot hetgeen namens eiseres ter zitting is gesteld, afkomstig van Van Emmerik & Van der Weide B.V. Het bedrag aan bouwkosten is geraamd op € 2.958.260,--. Verweerder heeft deze berekening tezamen met het bouwplan vervolgens ter nadere beoordeling voorgelegd aan het Nederlands Bouwkosten Instituut (NBI) met het verzoek de bouwkosten als bedoeld in NEN 2631 te ramen.

Voorts is namens eiseres op 21 september 2010 een door aannemingsbedrijf Knoops opgestelde offerte aan verweerder verzonden. Daarin staat een bedrag van € 3.076.232,71 aan bouwkosten opgenomen. Ook deze offerte is aan het NBI gezonden om bij de raming van het NBI te betrekken.

Op 27 september 2010 heeft verweerder een raming van de bouwkosten van het NBI ontvangen. Deze raming is verricht op basis van de tekeningen en de bouwaanvraag en komt uit op een bedrag van € 5.601.204,--. Tevens heeft het NBI een aantal op- en aanmerkingen over de offerte van aannemingsbedrijf Knoops opgenomen. Deze reacties heeft verweerder, tezamen met een toelichting daarop, op 12 oktober 2010 aan de rechtbank verzonden.

Namens eiseres is hierop gereageerd bij brief van 27 oktober 2010. Gesteld is dat bij de berekening geen rekening is gehouden met de specifieke bouwwijze en dat de hoogte van de bouwkosten waar verweerder van is uitgegaan niet juist is. Verweerder heeft hierop vervolgens, na voornoemde reactie voorgelegd te hebben aan het NBI, gereageerd bij brief van 9 november 2010.

Zoals volgt uit het vorenstaande is namens eiseres alsnog een offerte van een aannemingsbedrijf overgelegd met daarin een bedrag aan bouwkosten.

Met deze offerte is echter geen sprake van een aannemingssom als bedoeld onder 5.1 van de Tarieventabel. Een aannemingssom ziet immers op het bedrag waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen, de omzetbelasting daarin niet begrepen.

Voorts is evenmin sprake van een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631, zoals is genoemd onder 5.1 van de Tarieventabel. In de bij de raming van het NBI gevoegde op- en aanmerkingen aangaande de offerte die door eiseres is overgelegd, staat dat er sprake is van een kale begroting. De hoeveelheden kloppen niet met de werkelijkheid, de post ‘grond afvoeren’ is vergeten, er komen opvallende posten voor, er zijn te lage bedragen voor verschillende posten opgenomen, er is voor verschillende ruimten geen afwerking meegenomen, er is geen bedrag opgenomen voor trappen en er is geen post opgenomen voor ‘installaties’ en ‘vaste voorzieningen. Eiseres stelt weliswaar dat er geen rekening is gehouden met de specifieke bouwwijze, doch dienaangaande is door het NBI opgemerkt dat de bouwkosten zijn geraamd aan de hand van het bouwplan zoals dat van eiseres is ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee de stelling van eiseres afdoende heeft weersproken. Voorts heeft eiseres geen verklaring voor de overige door het NBI geconstateerde gebreken in de begroting als het ontbreken van bepaalde posten zoals een post voor installaties en vaste voorzieningen. De stelling van eiseres dat het bouwen door efficiëntere bouwmethoden en de marktwerking goedkoper is geworden, maakt dat niet anders. Hieruit volgt dat met de door eiseres overgelegde offerte niet is voldaan aan de definitie van bouwkosten als opgenomen onder 3.2 van NEN 2631, zoals dat hiervoor is weergegeven.

De rechtbank oordeelt dat eiseres ook in de beroepsfase niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een (lagere) aannemingssom en/of (lagere) raming van de bouwkosten.

Verweerder heeft vervolgens in zijn brief van 12 oktober 2010 nog bekeken of het verschil tussen de door het NBI gegeven raming van de bouwkosten en de bouwkosten waar verweerder van uit gaat, welke bouwkosten hoger zijn dan de door het NBI geraamde bouwkosten, aanleiding geeft om de legesberekening alsnog te herzien. Verweerder heeft daartoe als volgt overwogen.

Als het bedrag van de door eiseres opgegeven bouwkosten niet meer dan 10% naar beneden afwijkt van het door verweerder op grond van de Correctierichtlijn berekende bedrag aan bouwkosten, wordt het opgegeven bedrag aanvaard, maar bij een grotere afwijking wordt, zonder dat daarvoor een gegronde reden blijkt, de aanslag gebaseerd op het door verweerder berekende bedrag. Nu is volgehouden dat de bouwkosten aanzienlijk lager zijn dan € 5.492.408,-- (90% van € 6.102.675,--), terwijl uit de beoordeling van het NBI blijkt dat dit onjuist is, is aangetoond dat een schatting dezerzijds nodig was en deze schatting niet onjuist was nu die niet meer dan 10% naar boven afwijkt van de raming van het NBI.

De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. De door verweerder gegeven toelichting geeft geen verklaring waarom in dit geval van de op grond van de Correctierichtlijn berekende bouwkosten moet worden uitgegaan, maar meer waarom niet kan worden uitgegaan van de door eiseres opgegeven bouwkosten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat uitgegaan moet worden van de door hem op grond van de Correctierichtlijn geraamde bouwkosten. De rechtbank neemt daarbij eerst hetgeen verweerder eerder heeft overwogen aangaande de totstandkoming van de bouwkosten op basis van de Correctierichtlijn in aanmerking. Hieruit volgt dat in het geval als waarvan hier sprake is, de bouw van een vleesvarkensstal van een relatief zeer grote omvang ten opzichte van de omvang van regionaal gebruikelijke vleesvarkensstallen waarop de in de Correctierichtlijn genoemde eenheidsprijzen zijn gehanteerd, deze Correctierichtlijn slechts kan worden beschouwd als een (ruwe) benadering van de bouwkosten. Dit heeft verweerder in zijn brief van 12 oktober 2010 ook zelf bevestigd. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zelf het NBI heeft benaderd om de bouwkosten te ramen en het NBI, een deskundige op het gebied van bouwkosten, vervolgens uitkomt op een lager bedrag dan waar verweerder van uit gaat.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bouwkosten ten onrechte heeft vastgesteld en gehandhaafd op een bedrag van € 6.102.675,75 en op grondslag daarvan de leges heeft berekend. De uitspraak op bezwaar komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

Nu zowel eiseres als verweerder de door hen gestelde bouwkosten niet aannemelijk hebben gemaakt, stelt de rechtbank, gelet op al hetgeen partijen dienaangaande naar voren hebben gebracht, in goede justitie de bouwkosten vast op € 5.601.204,--, het bedrag zoals dat door het NBI is berekend.

Op grond hiervan en met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.2.3 en artikel 5.13 van de Tarieventabel zal de rechtbank, zelf in de zaak voorziend, de aanslag leges herroepen en nader vaststellen op een bedrag van € 50.410,84 (zijnde € 50.492,29 voor het in behandeling nemen van een reguliere aanvraag bouwvergunning en € 26,65 in verband met de advertentiekosten voor publicatie).

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) voor de door een derde in bezwaar beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 218,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 218,-- en wegingsfactor 1) en voor de door een derde in beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de beschikking in die zin dat de aanslag wordt verminderd tot € 50.410,84 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.310,50;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298,-- vergoedt.

Gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in tegenwoordigheid van K.M. van der Zalm, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.