Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP8265

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
368047 CV EXPL 2245/11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Voorwetenschap overname bierbrouwerij. Dringende reden voor ontslag op staande voet vooralsnog aangenomen. Strafrechtelijke veroordeling. Onrechtmatig verkregen bewijs? Bewijs geloofwaardig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Kanton

Locatie Enschede

Zaaknummer : 368047 CV EXPL 2245/11

Uitspraak : 18 maart 2011

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[Eiseres]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

hierna ook wel te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. J.C. Dingeldein

advocaat te Enschede

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grolsche Bierbrouwerij Nederland B.V.

gevestigd te Enschede

gedaagde partij

hierna ook wel te noemen: Grolsch

gemachtigde: mr. S.F. Sagel

advocaat te Amsterdam

1. procedure

1.1 [Eiseres]heeft bij dagvaarding van 4 maart 2011 Grolsch opgeroepen in kort geding te verschijnen ter zitting van vrijdag 11 maart 2011 om 10:30 uur.

Ter zitting verschenen [eiseres]vergezeld van mr. Dingeldein. Grolsch is verschenen bij haar directeur P&O, [X], bijgestaan door mr. Sagel.

Beide partijen hebben hun respectievelijke standpunten mondeling weergegeven, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2 Vonnis is bepaald op heden.

2. feiten

2.1 Bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan van de hierna opgesomde feiten. Deze worden voorshands als vaststaand beschouwd omdat zij door een van partijen zijn gesteld en door de andere partij zijn erkend dan wel niet of onvoldoende zijn bestreden.

2.2 Sinds 1 januari 2000 is [eiseres]werkzaam geweest in de functie van directiesecretaresse van een lid van de Raad van Bestuur -de Chief Financial Officer (CFO)- van Grolsch, laatstelijk tegen een salaris van € 1.354,62.

2.3 Op 25 januari 2000 heeft [eiseres]het Koninklijke Grolsch Reglement inzake voorwetenschap ontvangen.

2.4 [Eiseres] is, vanwege haar functie als secretaresse van de CFO van Grolsch per 1 oktober 2005 door Grolsch op een (insider)lijst geplaatst van personen die op regelmatige basis kennis hebben kunnen hebben van voorwetenschap over Grolsch, een lijst die Grolsch op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 verplicht is op te stellen en bij te houden.

2.5 Omstreeks 26 oktober 2007 is aan [eiseres] schriftelijk medegedeeld dat er een zogenaamde gesloten periode voor bepaalde personen op de (insider)lijst gold. Voor [eiseres] hield dit in dat zij geen transacties kon (laten) verrichten in Grolsch effecten. [Eiseres]heeft deze schriftelijke mededeling voor akkoord ondertekend.

2.6 Op 8 september 2009 is [eiseres] door de Fiod van haar bed gelicht en meegenomen naar het politiebureau voor verhoor.

2.7 Op 10 december 2009 schrijft [X], directeur P&O bij Grolsch, aan [eiseres] het navolgende, voor zover hier van belang:

Op 10 en 16 september jl. hebben wij [… .] gesproken over het feit dat jij door het Openbaar Ministerie van verdacht wordt je schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit, te weten het (laten) handelen met voorkennis. [… .].

Op [… .] 8 september jl. ben je door de FIOD thuis opgehaald en voor verhoor meegenomen naar het politiebureau. Daar heb je te horen gekregen dat je ervan verdacht wordt informatie te hebben doorgegeven over de overname van Grolsch door SABMiller. Je schoonvader en een oom [… .] van jouw man zouden aandelen hebben gekocht rond de overname [… .]

Je hebt aangegeven privé nooit over de aankomende overname te hebben gesproken of iets verteld te hebben waaruit anderen zouden kunnen afleiden dat er sprake zou zijn van een overname. [… .]

Pas de avond voor de officiële aankondiging van de overname, toen je aan het werk was, wist je dat Grolsch zou worden overgenomen door SABMiller. [… .]

Zoals wij je reeds [… .] hebben aangegeven, zien wij op dit moment geen aanleiding om de arbeidsovereenkomst met jou te beëindigen. Mocht echter blijken dat jij ons onjuiste informatie hebt gegeven, of dat jouw verklaring op onderdelen niet klopt, dan behouden wij ons het recht voor alsnog, al dan niet met onmiddellijke ingang, de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

2.8 Bij vonnissen van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam d.d. 3 november 2010 zijn twee familieleden van [eiseres], te weten [A] en [B], onder meer veroordeeld tot betaling van respectievelijk € 10.000,00 en € 5.000,00. In deze vonnissen heeft de rechtbank bewezen verklaard dat elke verdachte:

op tijdstippen in de periode van 1 tot en met 16 november 2007 te Enschede en Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, terwijl hij wist dat hij beschikte over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht, telkens gebruik heeft gemaakt van die voorwetenschap door telkens een transactie te verrichten in certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V., zijnde financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht is verleend, te weten Euronext Amsterdam.

Immers hebben verdachte en zijn mededader:

- op 1 november 2007 300 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en

- op 2 november 2007 250 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en

- op 15 november 2007 384 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en

- op 16 november 2007 69 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht

terwijl hij reeds bekend was met niet openbaar gemaakte, concrete informatie die rechtstreeks betrekking hadden op Koninklijke Grolsch N.V. te weten:

dat er sprake was van een overname van Grolsch N.V.,

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment dat genoemde transacties zijn verricht en waarvan de openbaarmaking significant invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

2.9 Op 4 november 2010 heeft [eiseres] met Grolsch gesproken over voornoemde vonnissen. Grolsch heeft [eiseres] nog diezelfde dag, hangende nader onderzoek, geschorst en haar verzocht om per omgaande het proces-verbaal van haar verhoor door de Fiod op 8 september 2009 aan Grolsch toe te zenden.

2.10 Op 8 november 2010 heeft Grolsch, via de raadsman van [eiseres], kennis genomen van de inhoud van de processen-verbaal door de Fiod op 8 september 2009. Als verklaring van [eiseres] is hierin onder meer opgenomen:

[C] is mijn partner. [D] is de vader van mijn partner. Ik ken een [A] dat is een oom van mijn partner en ik ken een [B] dat is een neef van mijn partner.

[… .]

Ik geef toe dat het wel zo is dat ik aan mijn partner [D] heb verteld dat er sprake was van een overname bij Grolsch. [… .] Ik heb alleen op het punt gelogen dat ik mijn kennis dat er een overname aan zat te komen met niemand had gedeeld. Ik heb wel informatie met mijn partner gedeeld maar ben er altijd vanuit gegaan dat dit veilig zou zijn bij hem. Ik kom er vandaag achter dat dit dus niet het geval is geweest. [… .]

Als ik achteraf alles bekijk is het kwalijk wat er gebeurd is. Ik heb natuurlijk tegen mijn partner gezegd dat de overnamegesprekken bezig waren maar dit geheel ter goeder trouw. Achteraf gezien is dit fout geweest, maar ik denk wel menselijk. Mijn partner heeft kennelijk hetgeen ik hem verteld heb doorverteld aan mijn schoonvader en dat vind ik wel een kwalijke zaak.

Voorts wordt in het proces-verbaal een passage geciteerd uit een verklaring van [D], welke hij ten overstaan van de verbalisanten van de Fiod heeft afgelegd, voor zover hier van belang:

Omdat ik merkte dat er bij Grolsch iets speelde, dat merkte ik omdat [eiseres] heel druk was en veel moest overwerken, heb ik aan iemand de vraag gesteld of er bij Grolsch iets aan de knikker was. U vraagt mij wie die iemand is. Ik heb mijn zoon gebeld met de vraag wat er aan de hand was bij Grolsch. Ik vroeg aan [C] of er bij Grolsch gesprekken werden gevoerd inzake een overname. Voor [C] het besefte, zei [C] “ja”. [… .] Dat gesprek zal [Ktr.: hebben plaatsgevonden] kort voordat ik opdracht tot aankoop van de Certificaten aandelen Grolsch heb gegeven.

2.11 Bij brief van 11 november 2010 heeft Grolsch aan [eiseres] medegedeeld dat zij voornemens was haar op grond van de navolgende redenen op staande voet te ontslaan:

a. U heeft in de periode van 26 oktober 2007 tot het moment van de overname van Grolsch door SABMiller publiekelijk werd gemaakt, in strijd met de voor u geldende geheimhoudingsplicht, met uw partner -de heer [C]- gesproken over een voorgenomen overname waarbij Grolsch betrokken zou zijn, althans heeft u met hem gesprekken gevoerd waaruit hij zulks heeft kunnen afleiden.

b. U heeft tijdens gesprekken die wij op 10 en 16 september 2009 met u hebben gevoerd over de tegen u bestaande verdenking van betrokkenheid bij het (laten) handelen met voorkennis, een leugenachtige verklaring afgelegd door te ontkennen dat u privé over de aankomende overname heeft gesproken of iets heeft verteld waaruit anderen zouden kunnen afleiden dat er sprake zou (kunnen) zijn van een overname.

c. U heeft tijdens de gesprekken die wij op 10 en 16 september 2009 met u hebben gevoerd over de tegen u bestaande verdenking van betrokkenheid bij het (laten) handelen met voorkennis, een leugenachtige verklaring afgelegd door te verklaren dat u tegen uw partner niet heeft gesproken over de bijzondere situatie waarin Grolsch zich bevond.

Voorts doet Grolsch aan [eiseres] het navolgende voorstel:

Wij zijn voornemens om u wegens de hiervoor met a., b. en c. aangeduide dringende reden te ontslaan, maar willen u, alvorens wij dat voornemen daadwerkelijk tot uitvoering brengen, de gelegenheid bieden om de arbeidsovereenkomst op andere wijze te beëindigen, te weten met wederzijds goedvinden. In dit verband doen wij u [… .] een eenmalig beëindigingvoorstel.

2.12 Bij brief van haar gemachtigde d.d. 15 november 2010 heeft [eiseres] aan Grolsch medegedeeld niet te zullen instemmen met het beëindigingsvoorstel.

2.13 Bij brief van 16 november 2010 heeft Grolsch [eiseres] op staande voet ontslagen op grond van de hiervoor onder 2.11 aangeduide redenen.

3. geschil

3.1 [Eiseres]vordert om Grolsch te veroordelen:

• binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar weer te werk te stellen in haar functie op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of voor elk dagdeel dat Grolsch in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 50.000,00;

• tot betaling van loon vanaf 16 november 2010 tot aan het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

• in de kosten van deze procedure.

[Eiseres] stelt zich op het standpunt dat er geen dringende redenen voorhanden waren op grond waarvan Grolsch haar op 16 november 2011 op staande voet heeft kunnen ontslaan. In dat kader stelt [eiseres] dat zij geen (relevante) voorwetenschap heeft gehad of kunnen hebben over de ophanden zijnde overname van Grolsch door SABMiller en dat zij deze wetenschap dan ook niet aan haar man en/of familie heeft kunnen door (laten) spelen. Een en ander betekent dat zij in de gesprekken met Grolsch op 10 en 16 september 2010 geen leugenachtige verklaring heeft afgelegd. Met betrekking tot de door haar ten overstaan van de verbalisanten van de Fiod afgelegde verklaringen geeft [eiseres]aan dat door de verbalisanten een ongeoorloofde druk is uitgeoefend. Deze verhoren zijn om 09:48 uur begonnen en zijn op 17:15 uur geëindigd. In de laatste sessie, die begon om 16:10 uur, hebben de verbalisanten aan [eiseres] gedeelten van verklaringen voorgehouden van medeverdachten. Zij heeft derhalve nimmer een volledig beeld van de verklaringen van die medeverdachten gekregen en werd zodoende van haar stuk gebracht. Opvallend is dat [eiseres] tot 16:00 uur standvastig verklaart maar nadat zij wordt geconfronteerd met delen van voornoemde verklaringen én toezeggingen worden gedaan dat zij na de verhoren naar haar kinderen mag gaan, weifelend begint te verklaren en de verbalisanten als het ware tegemoet komt waar door die belangrijke bestanddelen van het delict die bewezen moeten worden verklaard, in haar verklaring terug te vinden zijn.

3.2 Grolsch betwist de vordering van [eiseres] en concludeert tot afwijzing daarvan. [Eiseres] heeft, in strijd met het voor haar geldende Effectenreglement voorwetenschap aangaande Grolsch gedeeld met een derde, haar partner. Daarmee heeft zij zich niet alleen schuldig gemaakt aan het in strijd met belangrijke bedrijfsinterne regelgeving bekend maken van bijzonderheden het bedrijf van werkgever aangaande, hetgeen een dringende reden oplevert als bedoeld in artikel 7:678 lid 2 sub i BW, maar ook een strafbaar feit, waarvoor zij is veroordeeld. [Eiseres] bekleedde een absolute vertrouwensfunctie waarvoor volstrekte discretie vereist was, ook tegen het thuisfront.

Grolsch stelt voorts dat [eiseres] in de gesprekken van 10 en 16 september 2009 relevante informatie heeft verzwegen. Van een werknemer naar wie een intern onderzoek loopt naar mogelijke betrokkenheid bij malversaties of andere onregelmatigheden die verband houden met het werk, mag worden verwacht dat hij zijn werkgever wat dat betreft eerlijk te woord staat en volledig informeert. Liegen tijdens een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden is arbeidsrechtelijke ernstig verwijtbaar.

Grolsch merkt op dat de drie ontslaggronden die in de ontslagbrief zijn verwoord, zowel ieder voor zich als allen samen als dringende reden aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd.

Grolsch meent dat [eiseres] thans een spoedeisend belang bij haar vorderingen mist, nu zij maanden heeft gewacht met rechtsmaatregelen.

4. beoordeling

4.1 Vast staat dat [eiseres] sinds haar ontslag op staande voet geen bron van inkomsten meer heeft. In dat kader kan van haar kan niet worden verwacht dat zij een beslissing in een bodemprocedure afwacht over de rechtmatigheid van het aan haar gegeven ontslag op staande voet. Het spoedeisend belang bij de onderhavige vordering is hiermee gegeven.

4.2 Vooropgesteld dient te worden dat voor toewijzing van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen dan aanleiding is, indien op grond van de thans gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat in een bodemprocedure de beslissing gelijkluidend zal zijn.

4.3 Kort gezegd is de grondslag van de vordering van [eiseres] gebaseerd op de stelling dat zij geen voorwetenschap heeft gehad over de voorgenomen overname van Grolsch en dat zij deze wetenschap dan ook niet heeft kunnen doorspelen aan haar partner [C]. Beoordeeld dient thans te worden of Grolsch op 16 november 2010 heeft kunnen besluiten om op basis van de toen voorhanden zijnde gegevens [eiseres] op staande voet te ontslaan.

4.4 De stelling dat zij geen voorinformatie had die zij kon doorspelen staat haaks op haar ten overstaande van de verbalisanten van de Fiod afgelegde verklaring. Daarbij komt dat de door schoonvader [D] afgelegde verklaring bij de Fiod naadloos aansluit op haar verklaring. De kantonrechter verwijst voorts naar het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam d.d. 18 februari 2011 die met betrekking tot de geloofwaardigheid van de haar ter zake afgelegde verklaringen en met betrekking tot de rechtmatigheid van het op dit punt verkregen bewijs heeft overwogen als volgt:

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een door verdachte ervaren druk tijdens de verhoren. Met deze vaststelling is nog niet gegeven dat deze druk is uitgeoefend door de verhorende verbalisanten en zo ja, dat deze druk ongeoorloofd is geweest. Van de laatstbedoelde situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De situatie waarin de verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd, als onrechtmatig verkregen moeten worden afgemerkt en uit dien hoofde reeds moeten worden uitgesloten van het bewijs, is daarmee niet aan de orde.

en

In de eerste plaats is verdachte, alvorens zij is verhoord door de verbalisanten van de FIOD-ECD, bezocht door haar raadsvrouw met wie zij overleg heeft kunnen voeren.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van verdachte bij de FIOD-ECD uitgebreid en gedetailleerd zijn. Daaruit komt niet het beeld naar voren dat verdachte, onder de indruk van de situatie, vanaf een bepaald moment ‘geknakt’ is en klakkeloos al hetgeen de verbalisanten haar hebben voorgehouden heeft bevestigd, maar veeleer dat zij de vragen heeft beantwoord en daarbij uit eigen beweging aanvullingen heeft gegeven, die gedetailleerd en overtuigend zijn.

Wat dat laatste betreft, geldt dat de inhoud van de verklaringen van verdachte steun vinden in de verklaring van medeverdachte [… .]. Deze heeft verklaard dat zijn partner wist dat er gesprekken bezig waren bij Grolsch. Deze informatie is ook bij [… .] terecht gekomen tijdens de gesprekken bij het eten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van verdachte bij de FIOD-ECD betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan. Dat verdachte ter terechtzitting haar eerdere verklaringen op onderdelen heeft herroepen acht de rechtbank dan ook louter ingegeven door de wens om zichzelf en de medeverdachten te ontlasten, temeer omdat verdachte slechts op belastende onderdelen wijzigingen heeft aangebracht.

4.5 [Eiseres] stelt zich thans op het standpunt dat haar verklaringen met betrekking tot het doorspelen van voorinformatie over de overname van Grolsch aan haar partner onder ongeoorloofde druk zijn afgelegd. Een en ander kan [eiseres] in deze procedure niet baten. Om duidelijkheid op dit punt verkrijgen is nadere instructie noodzakelijk, waarvoor in dit kort geding echter geen plaats is. Vooralsnog acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat [eiseres] in een bodemprocedure in staat zal zijn te bewijzen c.q. aannemelijk te maken dat de door haar afgelegde verklaringen bij de Fiod op onrechtmachtige wijze tot stand zijn gekomen, dan wel niet geloofwaardig zijn. De kantonrechter conformeert zich voorshands aan hetgeen de rechtbank Amsterdam in de hiervoor geciteerde overwegingen als haar oordeel heeft neergelegd.

4.6 De kantonrechter gaat er met verwijzing naar hetgeen in het voorgaande werd overwogen vooralsnog van uit dat het door Grolsch op 16 november 2010 aan [eiseres] gegeven ontslag op staande voet in een bodemprocedure in stand zal blijven. Uit een en ander volgt dat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen.

4.7 [Eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5. rechtdoende

5.1 Wijst de vordering af.

5.2 Veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding tot op heden aan de zijde van Grolsch gevallen en begroot op € 400,00 aan gemachtigdesalaris.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. H.J. Vos, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2011 in aanwezigheid van de griffier.