Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP7594

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
08/700591-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting in/aan de eigen schuur te Almelo op 31 oktober 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/700591-10

STRAFVONNIS

Uitspraak: 15 maart 2011

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1986,

wonende aan de [adres],

thans verblijvende in het huis van bewaring te [plaats],

terechtstaande terzake dat:

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 oktober 2010,

in de gemeente Almelo,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een schuur achter een woning gelegen

aan de [straatnaam] (nummer [nr]),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met (een) de(e)l(en) van de inventaris van die schuur en/of de in die

schuur aanwezige goederen en/of een (onder)deel van die schuur, althans met

(een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die schuur (met inhoud) geheel of gedeeltelijk is

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een in de nabijheid van die schuur staande

schutting en/of (een) hekwerk(en) en/of (een) in de nabijheid staande

woning(en) en/of (een) andere schu(u)r(en) en/of een zich in de schuur van

perceel [straatnaam] [nr] bevindende hond, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, te duchten was;

2.

hij in of omstreeks de periode van 31 oktober 2010 tot en met 12 november 2010

te Almelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een schadeformulier - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van

enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers

heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk in dat

schadeformulier - zakelijk weergegeven - vermeld dat er (door een derde) brand

is gesticht in de schuur bij de woning van medeverdachte [vriendin verdachte] en/of

verdachte, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 31 oktober 2010 tot en met 12 november 2010

te Almelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een

valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige

kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [verzekeringsexpert]

en/of Allianz Schadeverzekeringen te bewegen tot de afgifte van enig

geldbedrag, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk

weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met

de waarheid met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een

schadeformulier heeft/hebben ingevuld, althans melding heeft/hebben gemaakt

van een brandstichting in haar/zijn/hun schuur (wetende dat er geen sprake was

van brandstichting (door een derde)), terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 31 oktober 2010 te Almelo, een persoon genaamd [niet betrokkene],

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen/ten overstaan van

verbalisant(en) Rode en/of Van Lubek gezegd de woorden, zakelijk weergeven,

dat hij naar de [Xstraat] zou gaan en hem (daarmee doelend op die

[niet betrokkene]) aan zijn zwaard zal steken en/of rijgen, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking,

waarna verdachte met dat zwaard richting de woning van die [niet betrokkene] is gerend,

althans gelopen,

welke bedreiging (vervolgens) ter kennis is gekomen van die [niet betrokkene];

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie, die tot bewezenverklaring van de feiten sub 1, sub 2 subsidiair en sub 3 rekwireert, en tot oplegging van een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en reclasseringstoezicht;

Gelet op de verdediging door verdachte en door zijn raadsman gevoerd;

De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat zich in het omslag van het dossier tegen verdachte ook een map bevindt met vele processen-verbaal en andere stukken, met het opschrift “[vriendin verdachte]”. De officier van justitie gaf desgevraagd door de voorzitter aan dat zij deze map met inhoud niet kende en dat zij zich op het standpunt stelt dat de inhoud van deze map geen onderdeel uitmaakt van de door haar aan het dossier in de zaak tegen verdachte toegevoegde stukken. De raadsman gaf aan dat hij een kopie van deze stukken heeft en dat hij ze wel zal gebruiken voor zijn verdediging. De rechtbank overweegt dat zij deze stukken gelet op het standpunt van de officier van justitie niet als bewijs kan bezigen tegen verdachte. Nu zij echter wel degelijk betrekking hebben op de feiten 1 en 2, primair en subsidiair, hadden zij niet mogen ontbreken aan het dossier tegen verdachte, al was het maar omdat zij mogelijk ontlastende informatie bevatten of af kunnen doen aan enige overtuiging die de rechtbank zou kunnen bekomen door bewijsmiddelen die zich wel in het dossier van verdachte bevinden. De rechtbank zal, niettegenstaande de stellingname van de officier van justitie, het dossier “[vriendin verdachte]” om deze reden wel degelijk bezigen waar dat gunstig is voor verdachte.

De rechtbank is niet op grond van wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat verdachte het sub 2 primair of subsidiair en het sub 3 telastegelegde heeft begaan, en spreekt hem daarvan vrij.

In het bijzonder overweegt de rechtbank ten aanzien van de vrijspraak voor het feit sub 2, primair, dat het daarin bedoelde schadeformulier zich niet in het dossier bevindt. Ten aanzien van de vrijspraak van het sub 2, subsidiair telastegelegde, overweegt de rechtbank dat het daarin bedoelde schadeformulier zich niet in het dossier bevindt en dat uit de zich wel in het dossier bevindende stukken niet is komen vast te staan dat een ander, meer in het bijzonder verdachtes vriendin [vriendin verdachte], te kwader trouw schade zou hebben geclaimd. Voor wat betreft de andere aan verdachte (of een ander) verweten gedraging, te weten het melding maken van een brandstichting, overweegt de rechtbank dat nergens uit blijkt dat het verdachte is die de brandstichting bij [verzekeringsexpert], Allianz Schadeverzekering (of bij wie ook maar) heeft gemeld, en dat ook het enkele melden van een brand (wetende dat er geen sprake was van brandstichting) nog niet oplevert een listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels. Voor zover de officier van justitie meent dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte tegenover de politie, tegenover de verzekeringsmaatschappij en tegenover zijn partner de verzekeringneemster [vriendin verdachte] meer heeft kenbaar gemaakt dan enkel het melden van een brand, en voor zover hem in zekere zin een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt voor het claimen van verzekeringsgeld door zijn partner [vriendin verdachte], is daarvan onvoldoende weerslag te vinden in de telastelegging.

Ten aanzien van de vrijspraak van feit 3 overweegt de rechtbank dat zich in het dossier geen bewijs bevindt dat de bedreiging die verdachte op 31 oktober 2010 ten overstaan van verbalisanten Rode en/of van Lubek zou hebben gedaan, vervolgens ter kennis is gekomen van [niet betrokkene].

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen

vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen-

waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 oktober 2010,

in de gemeente Almelo,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een schuur achter een woning gelegen

aan de [straatnaam] (nummer [nr]),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking

gebracht met een deel van de inventaris van die schuur en/of de in die

schuur aanwezige goederen en/of een deel van die schuur, althans met

een brandbare stof,

ten gevolge waarvan die schuur met inhoud geheel of gedeeltelijk is

verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een in de nabijheid van die schuur staande

schutting en/of hekwerk te duchten was;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank – kort en zakelijk weergegeven - dat uit het proces-verbaal van de politie van 2 december 2010 (blz 115) blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een technisch verklaarbare oorzaak van de brand. Van verdachtes aanwezigheid ter plaatse kort na het ontstaan van de brand, zijn meerdere bewijzen in het dossier aanwezig. Niet alleen verdachtes eigen verklaringen maar ook die van de buren, als ook de vaststelling dat verdachtes hond door verdachte zelf tijdig uit de ren voor de schuur is gehaald, bewijzen dat. Als bewijsmiddel gebruikt de rechtbank verder de kennelijke leugen van verdachte in zijn eerste verklaring van 31 oktober 2010, (blz 94), dat hij werd wakker gemaakt door buurman [buurman], die op het raam bonkte en riep “brand, brand”. Deze verklaring is in strijd met de verklaringen van deze buurman zelf en met die van de buurvrouw en daarmee geconfronteerd is verdachte er zelf ook volledig op teruggekomen. Hij is helemaal niet wakker geworden door toedoen van de buurman. Ook blijkt de buurman niets te hebben gedaan om verdachte wakker te maken. Deze eerste verklaring van verdachte is een kennelijke leugen, die naar het oordeel van de rechtbank diende om de waarheid te verhullen. Tegen verdachte pleiten verder de ook overigens wisselende opeenvolgende verklaringen over het wakker maken van zijn gezin en het redden van de hond.

Verdachte heeft enkele uren voorafgaand aan de brandstichting geprobeerd bij de politie [niet betrokkene] als lid van een groep van drie personen een (poging tot) brandstichting aan een auto in de schoenen te schuiven, waarbij hij deze [niet betrokkene] tot de portiek van zijn flatwoning terug was gevolgd. Uit cameraopnames van het portiek blijkt echter dat die [niet betrokkene] die nacht niet in zijn portiek is geweest, en verdachte evenmin, en dat [niet betrokkene] die nacht in diens woning moet zijn geweest. Uit andere camerabeelden blijkt dat zich ook geen groep van drie personen bij de door verdachte bedoelde auto heeft bevonden. Verdachte heeft zich derhalve eerder in die nacht onbetrouwbaar en gepreoccupeerd met brandstichting getoond. Uit het dossier komt verder naar voren dat verdachte die nacht zodanig veel alcohol en drugs heeft gebruikt dat hij zelf niet meer wist dat hij tussen het eerste politiecontact en de brand in/aan zijn schuur nog een bezoek aan vrienden heeft afgelegd, terwijl dat wel degelijk moet hebben plaatsgevonden. Zelf zegt hij zich ook niet alles meer te herinneren van die nacht. Tenslotte is er geen enkele aanwijzing voor een ander scenario dan dat verdachte de brand zelf heeft gesticht.

In het bijzonder uit al hetgeen hiervoor is vermeld, in zijn onderling verband beschouwd, komt bij de rechtbank de overtuiging voort dat het verdachte is die de brand heeft gesticht.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niets is gesteld of gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid. Ofschoon verdachte niet heeft willen meewerken aan rapportage door een psycholoog A.K. Wieringa, merkt deze psycholoog naar aanleiding van zijn contact met verdachte nog wel op, dat verdachte een gezonde, alerte indruk maakt en dat er geen sprake lijkt van inhoudelijke of formele denkstoornissen in de waarneming.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in brand steken van de eigen, zelf-gebouwde schuur in de eigen tuin, althans in de tuin van de woning waar hij dikwijls bij zijn partner en hun dochter verbleef, zonder dat is komen vast te staan dat dit direct gevaar opleverde voor woningen en de bewoners. Dat dit ’s nachts en in een woonwijk gebeurde, en dat dit gebeurde in een periode waarin onder de Almelose bevolking ernstige vrees heerste voor brandstichting in verband met het zeer dikwijls ontstaan van brand in de buurt van woningen en dat verdachte zo die vrees versterkte, zijn omstandigheden die voor de strafmaat een belangrijke rol spelen. Bovendien wordt verdachte aangerekend, zoals van algemene bekendheid is en zoals ook door de officier van justitie nog is aangehaald ter terechtzitting, dat verdachte aanvankelijk zelf herhaaldelijk in de media deze brand en de golf van eerdere branden in Almelo aan een ander (de eerder bedoelde [niet betrokkene]) in de schoenen heeft geschoven, daarbij de opsporingsinstanties diskwalificerend en zichzelf presenterend als iemand die kordaat achter deze man was aangegaan.

De na te melden straf is gegrond, behalve op het voormelde artikel, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen en spreekt verdachte vrij van het aan hem sub 2, primair en subsidiair en sub 3 tenlastegelegde;

Verklaart bewezen, dat het sub 1 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden.

Beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte groot zes maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

De veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Almelo, met opdracht aan die instelling ingevolge artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Berg, voorzitter en mrs. Olthof en Visser, rechters, in tegenwoordigheid van Brockotter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 maart 2011.

Mr Visser is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.