Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP7503

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
14-03-2011
Zaaknummer
118400 / KG ZA 11-36
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, executiegeschil over kinderalimentatie. Gesteld misbruik van recht door de vrouw niet aannemelijk geworden, nu de man rechtsmiddelen ter beschikking hebben gestaan die hij niet heeft benut en er bovendien inmiddels door hem een verzoekschriftprocedure tot wijziging van de vastgestelde kinderalimentatie is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2011/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 118400 / KG ZA 11-36

datum vonnis: 9 maart 2011 (gww)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. R. Kaya te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. M.S. Flokstra te Enschede.

Het procesverloop

[eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 2 maart 2011. Ter zitting zijn verschenen: [eiser], vergezeld door mr. Kaya en [gedaagde], vergezeld door mr. Flokstra. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

De feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

a. Partijen zijn op 15 oktober 2002 te Kenitra (Marokko) gehuwd.

b. Uit dit huwelijk is [2004] te [geboorteplaats] het thans nog minderjarige kind [naam] geboren.

c. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 augustus 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand heeft plaatsgevonden op 23 december 2010.

d. In de onder c. genoemde beschikking van de rechtbank is voorts bepaald dat [eiser] maandelijks een bijdrage dient te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam] van € 250,00 per maand.

e. [Eiser] is door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen bij brief van 8 februari 2010 gewezen op een ontstane achterstand in de betaling van de onderhoudsbijdrage voor de minderjarige [naam] van op dat moment € 1.617,40. Bij niet betaling heeft het LBIO incassomaatregelen aangekondigd.

f. Het inkomen van [eiser] bestaat blijkens een betalingsspecificatie van het UWV van

13 december 2010 uit een Ziektewetuitkering van € 924,99 per drie weken. Daarnaast ontvangt [eiser] nog ongeveer € 50,00 per maand aan zorgtoeslag van de Belastingdienst.

g. Op 16 februari 2011 is namens [eiser] bij deze rechtbank een verzoekschrift tot nihilstelling van de eerder vastgestelde kinderalimentatie ingediend.

De vordering van [eiser] en zijn onderbouwing daarvan

2. Bij dagvaarding vordert [eiser] om [gedaagde] te veroordelen om per direct als opdrachtgeefster de incassomaatregelen te stoppen, althans op te schorten in afwachting van de belissing van deze rechtbank in de verzoekschriftprocedure, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vordert [eiser] de inhoud van de beschikking van deze rechtbank van 18 augustus 2010 buiten toepassing te laten wat betreft de veroordeling om kinderalimentatie te betalen, in afwachting van de beschikking in de verzoekschriftprocedure tot wijziging van de kinderalimentatie. Tenslotte vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

2.1. [Eiser] stelt daartoe – kort samengevat weergegeven – dat [gedaagde] misbruik van recht maakt door thans incassomaatregelen te treffen tot inning van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage voor de minderjarige [naam]. [Eiser] verkeerde ten tijde van het vaststellen van deze onderhoudsbijdrage in zodanige psychische problemen, dat de echtscheidingsprocedure haast volledig aan hem voorbij is gegaan. Ook het ontslag bij zijn toenmalige werkgever heeft hieraan bijgedragen. [Eiser] kon en kan echter geen bijdrage voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en komt – als de vastgestelde onderhoudsbijdrage in stand blijft en [gedaagde] hem hieraan zal houden – in een financiële noodsituatie terecht. Daarin is ook het spoedeisend belang van [eiser] bij een voorlopige voorziening als gevorderd, gelegen.

Het verweer van [gedaagde]

3. [gedaagde] voert verweer, concludeert tot afwijzing van het gevorderde en stelt daartoe – kort samengevat weergegeven – het navolgende.

3.1. [Gedaagde] betwist dat de echtscheidingsprocedure volledig aan [eiser] voorbij is gegaan. [Eiser] had destijds een advocaat (die zich nadien onttrokken heeft) en heeft een paar keer om uitstel voor het indienen van stukken verzocht. Uiteindelijk is een mondelinge behandeling gelast, waarbij [eiser] niet is verschenen. Niettemin is [gedaagde] gebleken dat hij op de hoogte was van de echtscheidingsprocedure, niet in de laatste plaats omdat zij destijds nog veelvuldig contact had met [eiser]. Dat hij verstek heeft laten gaan en geen deugdelijk verweer heeft gevoerd tegen de verzochte onderhoudsbijdrage en bovendien geen hoger beroep heeft ingesteld, dient thans voor zijn risico te komen. Bovendien betwist [gedaagde] dat [eiser] niet in staat zou zijn om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen.

De overwegingen van de voorzieningenrechter

4. [Eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening als gevorderd. Dat is overigens ook niet betwist door [gedaagde], zodat de voorzieningenrechter toekomt aan een materiële beoordeling van het geschil. Daartoe overweegt hij als volgt.

4.1 De vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] misbruik van recht maakt door [eiser] te houden aan het betalen van de bij beschikking van deze rechtbank van 18 augustus 2010 vastgestelde onderhoudsbijdragen voor de minderjarige [naam] en daarvoor eventueel incassomaatregelen te (doen) treffen. Immers, eveneens is onvoldoende aannemelijk geworden dat de echtscheidingsprocedure en de bij voornoemde beschikking genomen beslissingen, volledig langs hem heen zijn gegaan. [Eiser] had in het begin van de procedure immers een advocaat en nadat deze zich aan de zaak had onttrokken, zijn er nog contacten geweest met [gedaagde]. Dat is niet weersproken door [eiser]. Om die reden komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat [eiser] in de echtscheidingsprocedure ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om gemotiveerd verweer te voeren tegen de gevorderde onderhoudsbijdrage. En voor zover hij destijds niet in staat zou zijn geweest, stond hem gedurende drie maanden na 18 augustus 2010 de mogelijkheid ter beschikking om in hoger beroep te gaan tegen de beschikking van deze rechtbank. Geen van deze mogelijkheden heeft [eiser] benut, maar dat maakt niet dat [gedaagde] thans misbruik van recht kan worden verweten. Zij heeft immers een titel verkregen en mag deze ook ten uitvoer leggen. Bovendien staat [eiser] de weg nog open van het aanhangig maken van een verzoekschrift procedure tot nihilstelling van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage en die mogelijkheid heeft hij kennelijk ook aangegrepen. De stellingen die hij thans ten aanzien van zijn draagkracht opwerpt, horen dan ook in die procedure thuis en niet in de onderhavige.

4.2 Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen van [eiser] af.

II. Compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.