Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP6619

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
03-03-2011
Zaaknummer
115118 / FA RK 10-1332 (MHL)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek doorhaling akte van erkenning afgewezen. Erkenner was destijds (1994) gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind. Erkenning wordt op grond van art. 8 en 14 EVRM en art. 1: 204 lid 1 onder e BW in stand gelaten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector civiel recht

zaaknummer: 115118 / FA RK 10-1332 (MHL)

Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank Almelo d.d. 2 maart 2011 in de zaak van:

de officier van justitie in het arrondissement Almelo,

en

1. [C],

wonende te [plaats] [land],

2. de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Almelo,

zetelend te Almelo,

belanghebbenden.

Het procesverloop

Op 13 oktober 2010 is ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingekomen van de officier van justitie strekkende tot, zakelijk weergegeven, doorhaling van de in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Almelo ten onrechte voorkomende akte van erkenning van [M] (hierna te noemen: [M]), alsmede de verbetering te gelasten van de geboorteakte van diezelfde [M].

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 januari 2011, alwaar zijn verschenen:

- de officier van justitie mr. A.H.J.M. Damen;

- mevrouw [T] namens de gemeente Almelo;

- mevrouw [S] namens de gemeente Almelo;

- de heer . [C] voornoemd;

- [M], bijgestaan door mr. E.G. Blankestijn, advocaat te Almelo;

- mevrouw [A], moeder van [M], eveneens bijgestaan door mr. E.G. Blankestijn.

Zowel de officier van justitie als de belanghebbenden hebben hun standpunten toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Op [datum]1994 is te Almelo geboren [M], zoon van [A] (hierna te noemen: [A]).

Op 25 februari 1994 heeft [C] (hierna te noemen [C]) aangifte gedaan van die geboorte en daarbij, met schriftelijke toestemming van [A], [M] erkend. [M] verkreeg hierdoor de geslachtsnaam [C].

Op 13 mei 1992 is [C] gehuwd met [B], welk huwelijk op 25 april 2006 door echtscheiding is ontbonden.

Per brief van 6 juli 2010 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Almelo (hierna te noemen: de ABS) aan de officier van justitie meegedeeld dat de erkenning van [M] door [C] nietig is, omdat gebleken is dat [C] ten tijde van deze erkenning gehuwd was met een ander dan [A].

Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank de doorhaling te gelasten van de in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Almelo ten onrechte voorkomende akte van erkenning van [M], alsmede de verbetering te gelasten van de geboorteakte van [M]. Tevens verzoekt hij [C], [A] en [M] in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat er ten tijde van de erkenning en de geboorteaangifte een band tussen [C] en [A] bestond die in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen valt, alsmede dat er een nauwe en persoonlijke betrekking tussen [C] en [M] bestond, zoals bedoeld in artikel 1:204 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De standpunten van belanghebbenden

[C] heeft gesteld te hopen, in het belang van [M], dat de huidige situatie gehandhaafd blijft. Hij heeft destijds, met instemming van [A], zeer bewust [M] als zijn zoon erkend. Indien de erkenning met terugwerkende kracht nietig zou worden verklaard, zou hij weliswaar alsnog [M] kunnen erkennen, doch alsdan blijft er een hiaat in de afstammingsgegevens over de eerste 16 jaar bestaan.

[M] heeft kenbaar gemaakt dat hij de naam [C] zou willen blijven dragen. Het is moeilijk voorstelbaar voor hem dat zijn geslachtsnaam na 16 jaren ineens met terugwerkende kracht onjuist zou zijn. [M] wenst ook de band met zijn twee halfzusjes, met wie hij in naam verbonden is, niet te verliezen.

[A] heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van [M] dient te prevaleren. Zij wenst voor [M] dat zijn achternaam, en de juridische band met zijn vader, kan worden gehandhaafd.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

1. Een verzoek tot erkenning dient te worden beoordeeld naar de wettelijke bepalingen zoals die gelden op het moment dat een dergelijk verzoek wordt gedaan. Ten tijde van de erkenning van [M] door [C], waren de bepalingen uit het toenmalige artikel 1: 224 lid 1 onder b BW van kracht, inhoudende:

1. Een erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

b. door een gehuwde man, wiens huwelijk meer dan 306 dagen voor de geboortedag van het kind is voltrokken;

2. De ABS heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling laten weten niet meer te kunnen nagaan hoe de akte van erkenning destijds tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder is niet te traceren of destijds navraag is gedaan naar de burgerlijke staat van [C] en of ook daadwerkelijk is gecontroleerd of er sprake was van een wettelijk beletsel om tot erkenning te komen. Hierbij, zo heeft de ABS betoogd, heeft mogelijk de omstandigheid dat [C] op dat moment geen ingezetene van Nederland was een rol gespeeld. [C] kan zich na verloop van al deze jaren evenmin exact herinneren hoe de erkenning destijds heeft plaatsgevonden en of hem bij die gelegenheid is gevraagd naar zijn huwelijkse staat. [A] heeft ter zitting laten weten destijds toestemming voor de erkenning te hebben gegeven en pas in een veel later stadium op de hoogte te zijn geraakt van het feit dat [C] toentertijd met een andere vrouw was gehuwd.

3. De ABS heeft meegedeeld dat eerst bij de recente hervestiging van [C] in een Nederlandse gemeente is gebleken dat [C] ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [M]. Hierop is door de ABS de hierboven genoemde brief van 6 juli 2010 aan de Officier van Justitie verzonden.

4. Vastgesteld kan worden dat het verzoek om tot erkenning te worden toegelaten in 1994 zou zijn geweigerd door de ABS, indien alstoen de omstandigheid van het huwelijk van [C] bekend zou zijn geweest. Er bestond destijds geen wettelijke mogelijkheid voor de getrouwde man om een kind bij een andere vrouw te erkennen. De ratio van dit absolute erkenningsverbod was dat het belang van het kind niet was gebaat bij erkenning door een gehuwde man, omdat deze niet met de moeder in het huwelijk kon treden en zo het kind kon wettigen, terwijl erkenning door een andere man en opeenvolgende wettiging eveneens onmogelijk zou worden.

5. In zijn arrest van 10 november 1989 (NJ 1990, 450/LJN AC1689) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van artikel 1: 224 BW een ongeoorloofde inmenging oplevert met artikel 8 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In artikel 8 lid 1 EVRM wordt het recht op ‘family life’ beschermd. Een gehuwde man, zo oordeelde de Hoge Raad, kan ook een kind erkennen, als hij met dat kind een familie- of gezinsleven heeft. Niet alleen het huwelijksgezin van de erkenner verdient bescherming, maar ook het ‘family life’ van het buitenechtelijk verwekte kind met zijn vader dient beschermd te worden.

6. Op 1 april 1998 is artikel 1: 224 BW vervangen door het huidige artikel 1: 204 BW. Dit artikel luidt thans:

1. De erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

e. door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.

7. Door deze wetswijziging is het derhalve onder het huidige recht mogelijk voor de met een andere vrouw gehuwde man om een kind te erkennen, mits voldaan is aan één van de twee in dit lid genoemde voorwaarden, hetgeen ter beoordeling van de rechtbank is.

8. Tijdens de mondelinge behandeling is door [C] gesteld dat de band die ten tijde van de geboorte van [M] bestond met [A] met een huwelijk op één lijn valt te stellen. Desgevraagd heeft [A] erkend dat hiervan sprake was. Tevens heeft [C] gesteld dat er tussen hem en [M] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Zulks is zowel door [A] als door [M] bevestigd.

[C] heeft verklaard dat hij destijds deel uitmaakte van twee gezinnen die naast elkaar bestonden en dat zijn band met [A] en [M] als een ‘normaal gezinsleven’ viel te beschrijven. Hoewel de relatie tussen [C] en [A] in 2001 is verbroken, bestaat er nog immer een goed contact tussen [C] en [M].

9. De rechtbank stelt vast, op grond van het verhandelde ter zitting, dat is voldaan aan allebei de alternatieve voorwaarden, zoals deze thans zijn opgenomen in artikel 1: 204 lid 1 sub e BW. Onder het huidige recht zou de man derhalve naar het oordeel van de rechtbank moeten worden toegelaten tot de erkenning van [M].

10. Reeds in het Marckx-arrest (EHRM 13 juni 1979, NJ 1980, 462) is geoordeeld dat het maken van onderscheid tussen wettige en onwettige kinderen op het gebied van het afstammingsrecht discriminatoir is en om die reden in strijd met artikel 14 EVRM. In onderhavige zaak doet de bijzondere omstandigheid zich voor dat [C] twee simultane gezinslevens leidde. In het ene gezin, waar hij een huwelijksrelatie met de moeder had, zijn twee wettige kinderen geboren, terwijl in het andere gezin, waar hij niet met de moeder ([A]) was gehuwd, [M] is geboren, die is erkend.

11. De rechtbank is van oordeel dat nietigverklaring van de destijds opgemaakte akte van erkenning van [M] door [C], op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden een ongeoorloofde inbreuk zou maken op het recht op bescherming van het gezinsleven zoals omschreven in artikel 8 lid 1 EVRM, terwijl dit tevens in strijd zou zijn met artikel 14 EVRM.

12. Op bovengenoemde gronden oordeelt de rechtbank dat de erkenning van [M] rechtsgeldig is. De rechtbank zal het verzoek van de Officier van Justitie om tot doorhaling van de akte van erkenning te komen dan ook afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af het verzoek tot doorhaling van de in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Almelo voorkomende akte van erkenning van [M] geboren op {datum] 1994 te Almelo.

II. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Almelo door mrs. Van der Lecq, Blankestijn en Heijink, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.