Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP6027

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
11 / 16 GEMWT V1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft gedoogbeschikking, waarbij is besloten om vooralsnog niet handhavend op te treden tegen de verkeerde ligging van een aarden wal en het gebruik van een groenstrook voor bedrijfsdoeleinden tot onherroepelijk is beslist op de aan [naam] verleende bouwvergunning en vrijstelling van 17 augustus 2007 voor de bouw van een nieuwe bedrijfshal (bergingshal) met parkeerkelder en de uitbreiding van het bedrijfsterrein met realisering van de landschappelijke inpassing. Daarbij heeft verweerder als voorwaarden gesteld dat uitsluitend bergingsvoertuigen worden gestald in de groenstrook en dat geborgen voertuigen dienen te worden gestald op het daarvoor aangewezen bedrijventerrein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 11 / 16 GEMWT V1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

1. [naam], en

2. [namen],

allen wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, milieu-adviesbureau te Almelo,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wierden,

verweerder.

Derdebelanghebbenden: [naam] B.V. en [naam] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],

Gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk, advocaat te Enschede.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 15 december 2010, verzonden 17 december 2010.

2. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2010 heeft verweerder aan [naam] B.V. (hierna te noemen: [naam]), gevestigd aan de [straat en huisnummers te [plaatsnaam], een gedoogbeschikking afgegeven. Daarbij is besloten om vooralsnog niet handhavend op te treden tegen de verkeerde ligging van een aarden wal en het gebruik van een groenstrook voor bedrijfsdoeleinden tot onherroepelijk is beslist op de aan [naam] verleende bouwvergunning en vrijstelling van 17 augustus 2007 voor de bouw van een nieuwe bedrijfshal (bergingshal) met parkeerkelder en de uitbreiding van het bedrijfsterrein met realisering van de landschappelijke inpassing. Daarbij heeft verweerder als voorwaarden gesteld dat uitsluitend bergingsvoertuigen worden gestald in de groenstrook en dat geborgen voertuigen dienen te worden gestald op het daarvoor aangewezen bedrijventerrein.

Tegen dit besluit hebben verzoekers op 5 januari 2011 bezwaar gemaakt.

Bij verzoekschrift van 5 januari 2011 hebben verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de gedoogbeschikking wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar en dat verweerder alsnog op zo kort mogelijke termijn handhavend dient op te treden tegen de in het bestreden besluit genoemde situaties.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 februari 2011, waar verzoekers zijn verschenen bij gemachtigde M.H. Middelkamp, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door I. Bloemsma en R. te Wierik, medewerkers van de gemeente Wierden. Namens derdebelanghebbenden zijn verschenen [naam] en mr. J.H.B. Averdijk, voornoemd.

Het verzoek is ter zitting gevoegd behandeld met het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers [namen] met nummer 11/12 GEMWT. Na de zitting is de behandeling van de zaken weer gesplitst.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat de gedoogbeschikking van 17 december 2010 wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een gedoogbeschikking niet meer en niet minder is dan de toezegging dat (vooralsnog) wordt afgezien van het toepassen van bestuursdwang in een bestaande illegale situatie. Indien door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om op te treden tegen een illegale situatie, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een gedoogbesluit staat niet in de weg aan de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om op te treden tegen een illegale situatie.

In het onderhavige geval hebben verzoekers [namen] hebben aan verweerder gevraagd handhavend op te treden tegen [naam] omdat sprake is van bedrijfsactiviteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan de daarbij behorende voorschriften. Daarbij gaat het onder meer om het stallen van bergingsvoertuigen en/of geborgen voertuigen in de op het terrein aanwezige groenstrook en de verkeerde ligging van een aarden wal. Dat verzoek is bij besluit van 15 december 2010 afgewezen. Tegen dat besluit hebben zij bezwaar gemaakt en zij hebben voorts aan de voorzieningenrechter van de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verweerder alsnog op zo kort mogelijke termijn handhavend dient op te treden. Dat verzoek is bij uitspraak van heden in de zaak 11/12 GEMWT afgewezen.

Blijkens het bestreden besluit staat vast dat het stallen van (bergings-)voertuigen in de groenstrook en de ligging van de aarden wal in strijd zijn met het bestemmingsplan. Er is daarom sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsvergunning, zodat verweerder bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dat kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

In zijn uitspraak in de zaak 11/12 GEMWT heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er naar zijn voorlopig oordeel in casu geen concreet zicht bestaat op legalisatie van genoemde overtredingen, terwijl voorts is niet gebleken dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat daarom van optreden behoort te worden afgezien. De voorzieningenrechter is in die uitspraak daarom tot de slotsom gekomen dat de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de groenstrook voor bedrijfsdoeleinden en de verkeerde ligging van de aarden wal naar verwachting in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de onderhavige gedoogbeschikking naar verwachting in bezwaar evenmin in stand zal kunnen blijven. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat het onherroepelijk worden van de bouwvergunning en vrijstelling van 17 augustus 2007 en het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” niet zullen afdoen aan het strijdig gebruik van de groenstrook voor bedrijfsdoeleinden en de verkeerde ligging van de aarden wal.

De voorzieningenrechter is echter, onder verwijzing naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak in de zaak 11/12 GEMWT, van oordeel dat verzoekers van het stallen van bergingsvoertuigen in de groenstrook en de verkeerde ligging van de aarden wal niet een zodanig groot nadeel ondervinden dat zij om die reden de beslissing op hun bezwaarschrift niet zouden kunnen afwachten. Er bestaat dan ook geen aanleiding bestaat voor schorsing van het bestreden besluit of het treffen van een andere voorlopige voorziening.

Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- wijst het verzoek af.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2011

Afschrift verzonden op 17 februari 2011

AW