Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP6021

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
10 / 421 BESLU V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft legesheffing in verband met verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 10 / 421 BESLU V1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geschil tussen:

[naam],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: J.E. Eshuis,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Twenterand,

verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 26 juni 2009.

2. Procesverloop

Bij beroepschrift van 19 april 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 17 juni 2009, gericht tegen een besluit van verweerder van 15 juni 2009, waarbij aan eiser leges in rekening zijn gebracht voor het in behandeling nemen van zijn verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 11 juni 2009.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 januari 2011, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door J.E. Eshuis, voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting niet doen vertegenwoordigen.

3. Overwegingen

Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift van 17 juni 2009. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt echter dat verweerder reeds op 26 juni 2009 een besluit op bezwaar heeft genomen. Eiser stelt echter dat hij dat besluit nimmer heeft ontvangen en daarvan pas voor het eerst heeft kennisgenomen bij de toezending van de stukken door de rechtbank.

Nu verweerder desgevraagd niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het besluit van 26 juni 2009 daadwerkelijk is verstuurd, is dat besluit niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Echter, nu eiser hangende beroep alsnog van dat besluit heeft kennisgenomen en naar aanleiding daarvan zijn beroepsgronden heeft aangevuld, zal de rechtbank op de voet van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep aanmerken als mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 juni 2009.

Het vorenstaande brengt mee dat eisers beroep voor zover dat is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang.

Rest de vraag of verweerder terecht aan eiser leges in rekening heeft gebracht voor het in behandeling nemen van zijn Wob-verzoek van 11 juni 2009.

Eiser heeft betoogd dat hem geen leges in rekening hadden mogen worden gebracht, omdat de door verweerder verrichte werkzaamheden, bestaande uit het in behandeling nemen van zijn Wob-verzoek, niet kunnen worden aangemerkt als een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet maar moeten worden aangemerkt als een door verweerder jegens burgers na te leven recht op informatie.

De rechtbank overweegt dat in de Wob geen bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot legesheffing en dat die wet derhalve geen wettelijke basis biedt om leges te heffen ter zake van het in behandeling nemen van Wob-verzoeken.

Verweerder heeft de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2009 (verder te noemen: de Legesverordening) aan de nota ten grondslag gelegd. Artikel 2 (Belastbaar feit) van de Legesverordening luidt: “Onder de naam “leges” worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de verordening en de daarbij behorende tarieventabel”.

Kennelijk is het begrip “dienst” in artikel 2 van de Legesverordening in dezelfde zin gebruikt als in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. Of verweerder van eiser leges mocht vragen hangt af van het antwoord op de vraag of de door verweerder verrichte werkzaamheden als dienst kunnen worden aangemerkt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) kunnen door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden slechts als een dienst worden aangemerkt, indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (zie bijvoorbeeld arrest HR van 17 april 2009, LJN: BI1253).

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door verweerder verrichte werkzaamheden niet worden aangemerkt als een dienst in voormelde zin. Verweerder dient bij het in behandeling nemen van eisers Wob-verzoek het algemene belang van openbaarheid van informatie en meer concreet de openbaarheid van informatie over de uitoefening van het gemeentelijke beleid.

Nu verweerder geen dienst in voormelde zin heeft geleverd, kan artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet niet als wettelijke grondslag dienen voor de onderhavige legesheffing. Dit betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Met het oog op de finale beslechting van het geschil zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand in verband met het (aanvullend) beroepschrift en de zitting (2 punten ad € 437,-- bij een zaak van gemiddelde zwaarte, wegingsfactor 1) en de reiskosten van eiser in verband met de zitting.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 15 juni 2009;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 878,--, door verweerder te betalen aan eiser;

- verstaat dat verweerder aan eiser het griffierecht ad € 150,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

Afschrift verzonden op

AW