Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2011:BP6014

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
11 / 12 GEMWT V1 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft afwijzing van verzoek om handhavend op te treden tegen bedrijfsactiviteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan en de daarbij behorende voorschriften. Daarbij gaat het met name om het stallen van bergingsvoertuigen en/of geborgen voertuigen in de op het bedrijfsterrein aanwezige groenstrook en de verkeerde ligging van een aarden wal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3793

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 11 / 12 GEMWT V1 V

uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

in het geschil tussen:

[namen],

wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: M.H. Middelkamp, milieu-adviesbureau te Almelo,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wierden,

verweerder.

Derdebelanghebbenden: [naam] B.V. en [naam] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],

Gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk, advocaat te Enschede.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 15 december 2010, verzonden 17 december 2010.

2. Procesverloop

Op 28 oktober 2010 hebben verzoekers een handhavingsverzoek ingediend in verband met overtredingen van het bestemmingsplan door autobergingsbedrijf [naam] (hierna te noemen: [naam]) aan de [straat en huisnummers] te [plaatsnaam].

Bij het bestreden besluit heeft verweerder afwijzend beslist op dit verzoek.

Tegen dit besluit hebben verzoekers op 4 januari 2011 bezwaar gemaakt.

Bij verzoekschrift van 4 januari 2011 hebben verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder alsnog op zo kort mogelijke termijn handhavend dient op te treden tegen de in het bestreden besluit genoemde situaties.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 februari 2011, waar verzoekers zijn verschenen bij gemachtigde M.H. Middelkamp, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door I. Bloemsma en R. te Wierik, medewerkers van de gemeente Wierden. Namens derdebelanghebbenden zijn verschenen [naam] en mr. J.H.B. Averdijk, voornoemd.

Het verzoek is ter zitting gevoegd behandeld met het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers [naam] en [naam] en [naam] met nummer 11/16 GEMWT. Na de zitting is de behandeling van de zaken weer gesplitst.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.

Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat het besluit van 17 december 2010, inhoudende afwijzing van het handhavingsverzoek van verzoekers, wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Invoeringswet) in werking getreden. Nu het bestreden besluit dateert van na 1 oktober 2010, is daarop de Wabo van toepassing.

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo bepaalt, voor zover van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(……)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

In artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Het autobergingsbedrijf [naam] is gelegen aan de [straat en huisnummers] te [plaatsnaam]. Ter plaatsen geldt het bestemmingsplan “Buitengebied 2009”, dat op 1 juni 2010 in werking is getreden. Tegen dat bestemmingsplan loopt nog een beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” heeft het perceel de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”, met als nadere aanduiding “Autobergingsbedrijf”.

Verzoekers hebben aan verweerder gevraagd handhavend op te treden tegen [naam] omdat sprake is van bedrijfsactiviteiten die in strijd zijn met het bestemmingsplan de daarbij behorende voorschriften. Daarbij gaat het met name om het stallen van bergingsvoertuigen en/of geborgen voertuigen in de op het terrein aanwezige groenstrook en de verkeerde ligging van een aarden wal.

Daarnaast is volgens verzoekers nog sprake van een aantal andere met het bestemmingsplan strijdige activiteiten zoals het in de bodem brengen van bodemvreemde stoffen, niet boven een lekbak geplaatste auto’s en het inzamelen van afvalstoffen en autowrakken en de aanwezigheid van een asbestschutting naast de wasplaats. De voorzieningenrechter is voorhands van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze activiteiten niet in strijd zijn met het bestemmingsplan maar dat daarbij sprake is van (mogelijke) overtredingen van de milieuregelgeving. Nu het handhavingsverzoek alleen betrekking heeft op overtredingen van het bestemmingsplan heeft verweerder het naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre op goede gronden afgewezen.

Blijkens het bestreden besluit alsmede de door verweerder afgegeven gedoogbeschikking van 15 december 2010, staat vast dat het stallen van (bergings-)voertuigen in de groenstrook en de ligging van de aarden wal in strijd zijn met het bestemmingsplan. Er is daarom sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, zodat verweerder bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dat kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Er bestaat in casu geen concreet zicht op legalisatie omdat zowel het gebruik van de groenstrook voor bedrijfsdoeleinden en de ligging van de aarden wal in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2009”. De uitkomst van de beroepsprocedure tegen dat bestemmingsplan zal daar geen verandering in kunnen brengen. Voorts is niet gebleken dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat daarom van optreden behoort te worden afgezien.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar niet in stand zal kunnen blijven voor zover het de weigering betreft om handhavend op te treden tegen het gebruik van de groenstrook voor bedrijfsdoeleinden en de verkeerde ligging van de aarden wal.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen als door verzoekers gevraagd. Immers, niet valt in te zien dat verzoekers van het huidige gebruik van het terrein, dat reeds bestaat sinds 2008, een zodanig groot nadeel ondervinden dat zij om die reden de beslissing op hun bezwaarschrift niet zouden kunnen afwachten. Niet is gesteld of gebleken dat verzoekers enige overlast ondervinden van de verkeerde ligging van de aarden wal. Voorts is er geen reden om aan te nemen dat het tijdelijk stallen van eigen bedrijfsauto’s leidt tot een intensivering van de bedrijfsvoering of het aantal verkeersbewegingen waarvan verzoekers extra hinder zouden kunnen ondervinden. Integendeel, indien [naam] haar bedrijfsauto’s niet meer op het eigen terrein mag stallen betekent dit dat deze weer langs de [straat] zullen worden geparkeerd hetgeen niet alleen leidt tot meer overlast voor verzoekers en andere weggebruikers, maar bovendien niet wenselijk is met het oog op de verkeersveiligheid.

Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter dat voorgaande overwegingen niet los kunnen worden gezien van de beroepsprocedure bij de Afdeling tegen het bestemmingsplan “Buitengebied 2009”. Afhankelijk van de uitkomst van die procedure, zal verweerder dienen op te treden tegen het illegale gebruik van de groenstrook en de verkeerde ligging van de aarden wal.

Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- wijst het verzoek af.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. R.J. Jue, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2011

Afschrift verzonden op 17 februari 2011

AW